De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

Chris van Esterik schreef een boek over 'Honderd jaar Ingen, een dorp in de Betuwe', onder de titel Een jongen uan het dorp (uitgave Bert Bakker, Amsterdam; zie Boekbespreking). Hieruit twee fragmenten over de tijd over 'het steenovensvolk':

• 'Rond 1900, en ook later, werkten er veel vrouwen en kinderen op de steenovens. In het voortreffelijke standaardwerk van Ben Janssen ouer de baksteenindustrie staan veel voorbeelden van de arbeidsomstandigheden. Zo keek een voorbijganger in 1903 naar het opzetten van de stenen in de rekken om te drogen: "Ik zag zes jonge meisjes, eruitziende als van 14 en 15 jaar, klein, bleek verarmoed, tenger, doch volgens de baas op één na boven de 16, welke eene, die vijftien jaar telde, voorzien was van een werkkaart, de plaatsen op en neer draven, telkens diep bukkend, opstrijkend vijf steenen, ze klemmend onder den linkerarm, grijpend er nog één en dien houdend in den rechterhand voorthollend weer naar de hagen, om ze daar neer te plaatsen, één voor één. En toen ik 's nachts moe gefietst onder m'n dekens lag, droomde ik van deze kinderen, die door 't jagen van 't hongerspook in de ouderlijke hut, gedwongen werden tot een arbeid, die haar krachten sloopt, haar bleekzuchtig maakt en leelijk-ouwelijk voor den tijd. En ondanks m'n moeheid sliep ik weinig dien nacht". Later sprak hij de moeders, die ook als opzetters werkten: "Ik sprak de vrouwen zelf in haar ellendige huisjes met steenen vloer en door millioenen weegluizen verpeste bedsteden, en allen, zonder onderscheid hebben ze 't land aan het opzetten. Doch allen worden voor 't alternatief geplaatst: opzetten of met het geheele gezin de fabriek verlaten". In 1891 trof de Staatscommissie Arbeidsenquéte de twintigjarige Arnolda van Brienen op een steenfabriek in Beuningen aan de Waal. Ze vertelde dat ze vanaf haar twaalfde op de fabriek werkte en nu van 's ochtends 5 uur tot 's avonds half negen, met tussentijds schafttijden, stenen opzette. In een uur tijd kon ze tweeduizend stenen opzetten van 2, 2 kilo per stuk. In een werkdag van twaalf uur verplaatste ze zo ongeveer 50.000 kilo aan stenen. Ze werkte per stukloon en verdiende omgerekend ongeveer 11, 25 cent Per uur. Ze vertelde de commissie het werk niet zwaar te vinden. Door het voortdurend stoten en schuren van de vingers tegen de scherpkantige stenen waren haar vingertoppen veranderd in open, zwerende wonden.'

• 'Tot in de jaren dertig was er op de steenoven de moddermaker. De moddermaker moest met zijn voeten voelen of er nog kluiten of stukken steen in de modder zaten. Die moesten uitgegraven worden omdat de modder, de grondstof voor de baksteen, schoon en puur moest zijn. Een moddermaker vertelt in het boek Steenovensvolk: "Toen ik een jaar of zeventien was ben ik moddermaker geworden. Ik heb dat nog met m'n blote voeten gedaan. Dat was gewoon in 't open veld. De klei werd met kipkarren aangevoerd en daar ging dan water overheen. Mijn moeder had de pijpen van mijn broek afgesneden. Met blote benen ging je de modder in. Je zakte diep weg, en dan moest je maar lopen hè. In de lentetijd, als wij begonnen met stenen maken, dan vroor het vaak nog 's nachts. Nou, dan moest ik met mijn blote voeten het ijs kapot trappen. Heus, ik overdrijf niet. Zo'n 10 jaar heb ik dat gedaan, tot 35. Mijn vader heeft misschien wel 40 jaar modder gemaakt. Een boom van een vent, maar hij had beentjes... Zijn kuiten waren nog niet zo dik als m'n pols, gewoon van de kou. Later is daar een machien voor gekomen, zo'n voormaler".

De zander moest de binnenkant van de vormen waarin de klei gebakken werd van een laagje zand voorzien. Toen de Zuiderzeewerken in de jaren twintig begonnen, moesten er 30 procent dikkere stenen gebakken worden. Dat kon alleen als de oude, houten vormen met dikke bodem vervangen werden door loodzware ijzeren vormen met een bodem van een paar millimeter dik. Een zander: "Daar heb ik een vreselijke moeite mee gehad. Dertien keer per minuut moest je zo'n vorm onder de pers brengen. Dat ding woog wel 130 pond. Een stukje optillen en dan schuiven. Maar ijzer op ijzer schuift niet echt. In dat jaar woog ik 168 pond toen ik in de lente begon en nog maar 130 toen we er in de herfst uitschejen".

Het opsnijden was veelal kinderarbeid. Als de stenen zo'n twee dagen hadden liggen drogen, dan moesten ze op hun kant gezet worden. Alleen kleine voeten konden tussen de vlak naast elkaar geplaatste rijen stenen lopen. De rug was altijd gebogen. Een opsnijder: "Ik zette 8000 stenen per uur op zijn kant. Dus je stond uoortdurend voorovergebogen. Maar als je vroeger zei: '"Ik heb rugpijn'", dan zei een ander: '"Och jullie hebben nog geen rug. Jullie hebben een haakje met een kont eraan'".'

Dagblad Trouw bracht een collage van 'grappen' die (in het verleden) werden gemaakt over vrouwelijke politici:

'In de Nederlandse politiek zijn talrijke voorbeelden te vinden van grappen die mannen zich over vrouwelijke collega's veroorloofden. In de jaren zestig feliciteerde de liberale minister Polak het vrouwelijk kamerlid Haars in de Kamer met haar maidenspeech en voegde daaraan toe: "Naar ik heb begrepen in de dubbele betekenis van het woord". Haars was, na freule Wttwaall van Stoetwegen, de tweede vrouw in de CHfractie van die dagen. Toen haar kandidatuur bekend werd, reageerden de heren: "Nog een vrouw? We hebben er toch al een? " Polak maakte zijn boutade nog openlijk. Over de eerste vrouwelijke PvdA-minister Irene Vorrink werden kort na haar aantreden verhalen ingestoken, waaruit moest blijken dat zij een dom blondje was. Het beruchtste voorbeeld is het verhaal dat ze Amerikaanse gasten rondleidt in de Nieuwe Kerk in Delft en zegt: "And here we bury our oranges".'

v.d.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's