De eer van God centraal
Gedachten rond het aanknopingspunt [6]
Theologische harmonie
De leer van de drie-eenheid van God en de totale verdorvenheid van de mens door de zonde sporen dus geheel met elkaar inzake het zuiver houden van het genadekarakter van de genade. Dit hangt verder ook nog weer samen met de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze en de uitverkiezing. Immers, de rechtvaardiging van de goddeloze heeft ook als diepste intentie het genadekarakter van de genade te onderstrepen. Geen gelovige mensen die zich opkrikken in hun gelovigheid worden gerechtvaardigd, maar goddelozen. Dat wil zeggen dat het gaat om mensen met lege handen die alles missen. Tegelijk houden ze hun handen gelovig naar God uitgestrekt om alles van Hem te ontvangen. Zo leven ze uit genade alleen.
Met de leer van de uitverkiezing is het niet anders. Niet zij die als gelovigen reeds een eind de goede weg op zijn gegaan, worden uitverkoren. Uitverkiezing wil zeggen dat God onderscheid maakt waar geen onderscheid is. Er is enkel uitverkiezing tot geloof en niet om ons geloof. Gods liefde gaat uit tot hen die geen liefde waardig zijn.
Er is dus harmonie tussen de leer van de drie-eenheid Gods en de leer van de totale verdorvenheid van de mens door de zonde. Tevens is er harmonie met de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze en de leer van de uitverkiezing.
Deze viervoudige harmonie is aan de ene kant de smalle weg 'waarin er niets van ons bij kan'. Tegelijk is het een weg die zo ruim en wijd is dat er hoop mag zijn voor ieder zondaar. God zet Zijn genade-deur niet op een kier, maar daarentegen wagenwijd
open. We zien die wijde ruimte echter pas, wanneer we in het geloof door de enge poort zijn heengegaan.
Lege handen
Daarom is het afwijzen van een aanknopingspunt in de mens voor de genade van God, ook geen negatieve zaak. Het wil ons niet verlammend neerdrukken tot diep in de put. Het is daarentegen positief. Het wil immers de volle rijkdom van Gods genade in Christus door de Heilige Geest in het volle daglicht stellen. Vandaar ook dat het armoe is in de kerk en grote ellende, wanneer de theologische verbanden tussen de leer van Gods drie-eenheid, de totale verdorvenheid van de mens door de zonde, samen met de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze en de uitverkiezing, niet zuiver worden verstaan. Want dan functioneren ze niet in dat wat de kerk leert en in dat wat geloofspraktijk dient te zijn in de gemeente.
Een ramp die ook de gereformeerde gezindte in haar volle breedte bedreigt. Het blokkeert de heerlijke gloed van het levende geloof waarin de genade van God stralend naar buiten treedt, ook naar hen toe die aan God noch gebod doen. Wat wij daarom brood- en broodnodig hebben in de kerk, is 'legehanden-geloof'.
Geloof dus dat enkel roemt in dat wat de inhoud is van die lege handen, namelijk genade alleen. Dan zal de Heere God Zijn tot de nok gevulde voorraadschuren van genade ook kunnen leegmaken in onze lege handen. En zullen wij handen te kort komen om die volheid van genade aan te vatten. Het stroomt over in een overvloed die niet verborgen kan blijven.
De eer van God centraal
Ondertussen is het uitermate onterend voor God wanneer wij de paradijszonde gaan herhalen door de mens op een voetstuk te zetten en hem een inbreng toe te kennen tot het zalig worden. Immers, dan halen we God van al Zijn terecht hoge voetstukken af. We erkennen Hem niet als Enige die in Christus door de Heilige Geest onze Verlosser kan en wil zijn. En we miskennen dat God in Christus werkelijk alles volbracht heeft, zelfs zo volkomen dat wij er niets aan toe kunnen en hoeven te doen.
Wie daarom de eer van God centraal stelt, zoals Calvijn gedaan heeft, zal alleen al daarom elke vorm van aanknopingspunt willen afwijzen. Bovendien zal hij er niet aan willen meedoen om mensen te bedriegen voor de eeuwigheid. Immers, wie de mens nog enig vermogen toekent om bij te dragen aan eigen redding, bouwt zijn levenshuis op zand. Hier geldt namelijk alles of niets. Christus heeft alles volbracht. Wij kunnen, hoeven en mogen dus zelf niets meer te volbrengen. Bovendien kunnen we het gerust totaal aan de Heilige Geest overlaten om de genade van Christus ons leven in te dragen. De Geest kan die taak geheel aan. Calvijn zegt ervan: 'Het Woord van God is wel als een zon, die toestraalt allen, aan wie het gepredikt wordt; maar het is zonder enige vrucht te midden van blinden. En wij zijn allen van nature in dit opzicht blind; daarom kan het in ons hart niet doordringen, tenzij de inwendige leermeester, de Geest, door zijn verlichting, de toegang bereidt'.
Vrije wil ten goede
Als er al ooit van enig aanknopingspunt gesproken kan worden, dan zou dat hooguit de gehele mens dienen te zijn in zijn totale verdorvenheid door de zonde. Aanknopen bij iets goeds in de mens is er dus niet bij. Dat betekent ook dat er geen sprake kan zijn van een vrije wil ten goede, in de mens overgebleven na de zondeval. Dat heeft Luther ons in de discussie met Erasmus wel zo glashelder uit de doeken gedaan dat er we nooit meer omheen kunnen.
Ook de leer van de Rooms-Katholieke Kerk, namelijk dat de mens bij de zondeval de bovennatuur weliswaar is verloren, doch de natuur hoewel verzwakt, heeft overgehouden, wordt hiermee afgewezen. Volgens Rome zou deze natuur ontvankelijk gebleven zijn voor het bovennatuurlijke van Gods genade. Het zou een soort aanknopingspunt vormen voor die genade. We wijzen dit echter geheel af. En ook al is het schema van natuur en bovennatuur momenteel in de rooms-katholieke theologie wat naar de achtergrond gedrongen, de optimistische mensvisie is er gebleven. Nog steeds wordt geleerd dat genade bijna harmonisch ingaat in de menselijke natuur. Bij alle verschillen die er nog steeds zijn tussen Rome en Reformatie, zoals de visie op ambt, kerk en sacramenten, is het me steeds meer een raadsel hoe het mogelijk is dat het gigantische verschil in mensvisie niet als het hoofdprobleem gezien wordt. Of komt dat mogelijk omdat wij als mensen van de Reformatie al zozeer van onze reformatorische wortels zijn weggegroeid dat we de antenne voor dit archimedisch punt zijn kwijtgeraakt? Weten we nog wat het betekent dat Calvijn de eer van God centraal stelde?
'Aanknoping' bij de zondige mens
In elk geval, als er al van enig aanknopingspunt sprake kan zijn, dan hooguit de hele mens in zijn totale verdorvenheid door de zonde. Een visie waar 'Rome' nooit mee zal kunnen leven zolang ze 'Rome' blijft. Een visie tevens waar elke theologie die de mens meer of minder 'op eigen benen zet', zoals bij voorbeeld de remonstrantse en vrijzinnige theologie, een afkeer
van zal blijven houden. Weliswaar moeten we belijden dat ook onze eigen oude mens 'er niet aan wil'. De 'paap' leeft immers ook in ons eigen hart. Ondertussen is het wel zaak er voortdurend hartgrondig strijd tegen te voeren.
Het is dan ook veelzeggend dat iemand als Comrie, van wie we weten dat hij allergisch was voor remonstrantisme, met kracht stelt dat de Heilige Geest wanneer die bij ons binnenkomt, enkel onze verdorven aard vindt. Een verdorven aard die hij typeert als een synagoge des satans, waar de Geest voor Zichzelf en voor Christus een tempel als woonstede wil bouwen. Verder verwerpt hij ook elke vorm van voorbereidende genade als zijnde pelagiaans en contra de leer van vrije genade. Hiermee is Comrie geheel in de lijn van Calvijn. Die leert toch dat de barmhartigheid van God ons in de prediking zichzelf een landingsplaats verschaft voor Gods genade. Want waar de Geest der genade de mens onder het oordeel brengt in zelfkennis, daar schept de genade zichzelf een plaats waar ze juist als genade wordt verheerlijkt en heiligend op de natuur inwerkt.
Augustinus,
Ook Calvijn heeft het niet zelfbedacht. Reeds Augustinus zette het goede spoor uit. Immers, in tegenstelling tot de latere rooms-katholieke theologie, zag Augustinus de menselijke natuur niet als in zichzelf rustend, los van de bovennatuur. Hij kende enkel de menselijke natuur en zag die als goed geschapen en op God aangelegd, maar evenzeer als door de zonde geheel verdorven en dus voorwerp van Gods genade. Immers, het is eigen aan de zonde om op de totale schepping van God te parasiteren. Zo is de gehele mens bij God in het vizier om genade te verlenen. Het is de mens in zijn door de zonde verduisterd verstand, in zijn aan de zonde gebonden wil, in zijn voor God gesloten hart, in zijn foutief afgestelde geweten, in zijn op afgoden gericht godsbesef en in zijn geperverteerd verlangen naar geluk. Deze gehele mens is dus bij God voorwerp van genade.
Bij S. Gerssen vonden we dat deze visie geheel in de waarheid van de Schrift geworteld is. In zijn boek Grensverkeer zegt hij dat het fout is te denken dat wij mensen ergens een soort top zouden kunnen hebben waar de Heilige Geest op zou kunnen landen. Er is bij ons geen ongerept eilandje in de oceaan der zonde. Wie dat wel beweert, denkt meer platoons dan paulinisch.
Gerssen koppelt dan terug op het zeer bijbelse begrip voor wat zonde is, namelijk 'vlees'. Hij zegt dat we sarks, dat is vlees zijn. En dat de Heilige Geest dat vlees aangrijpt om Zich daar woning te maken. Dat wil zeggen dat de Geest dat geheel door de zonde aangetaste bestaan reddend aangrijpt. En we ontdekken in deze opmerkingen van Gerssen dat terecht gezegd is dat hij invloed van Kohlbrugge heeft ondergaan. Gerssen wijst daarin ook af dat het herscheppende werk van de Geest een psychologisch gegeven zou inschakelen om Zich ruim baan te verschaffen. Hij legt daarentegen relatie met de vleeswording van het Woord en trekt dat voor gelovigen door, zelfs ook naar hun lichamelijke vernieuwing.
Ook collega ds. W. Dekker denkt in deze richting wanneer hij in de Waarheidsvriend van 26-5-94 stelt dat wij van nature dood zijn in zonden en in misdaden en dat er een nieuwe scheppingsdaad van God aan te pas moet komen om ons levend te maken. Hij verwijst daarbij naar Joh. 5 : 25 waar staat dat Christus ook heden nog doden tot leven roept. Tot slot zegt hij dat de belijdenis van de levendmakende Geest alle arminianisme, pelagianisme en synergisme (God en mens doen het samen) bij de wortel afsnijdt en dat deze belijdenis juist in een tijd van kerkverlating hoop geeft. Geen enkele vorm van aanknopingspunt dus, en tóch hoop.
R. H. Kieskamp, Lienden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's