De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Bescheidenheid

Ik las een opmerkelijke bijbelstudie over een opmerkelijk wóórd in de bijbel in het blad Opbouw (20 februari) van de hand van ds. H. de Jong (Zeist). Hij stuitte bij zijn bijbellezing aan tafel op een regel uit de profetie van Joël (2 : 13, 14) waar staat: 'En scheurt uw hart en niet uw kleren en bekeert u tot de Heere, uw God, want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en berouw hebbende over het kwade, wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten...'.

'Wie weet...', wat een opmerkelijke zinswending, aldus ds. De Jong. Hij ging zoeken in de Schrift en vond nog andere plaatsen in de bijbel waar je een dergelijk woordgebruik tegenkomt en waar het is of Gods genade onder een voorbehoud geplaatst wordt: wie weet... of ook: misschien. Ze staan alleen in het Oude Testament: Exodus 32 : 30, Klaagliederen 3 : 29, Amos 5 : 15, Joël 2 : 14 en Zefanja 2:3. Ook in het boekje Jona komt genoemd woordgebruik tweemaal voor maar dan in de mond van de heidenen. Die waren gewend aan de willekeur van hun goden. Ds. De Jong schrijft: 'Ik vind het nogal wat dat de bijbel bij zijn aansporing om de Here te zoeken in gebed en verootmoediging niet royaal zegt dat de Here God zich dan onder alle omstandigheden laat vinden, maar dat hij situaties kent waarin het zuinig klinkt: wie weet... of: misschien'. Er zit een stuk onzekerheid in en dat juist in belangrijke momenten. Ds. De Jong licht de teksten toe.

'Eerst Mozes die na de zonde met het gouden kalf voor zijn volk de voorbede doet. We horen hem zeggen: "Gij hebt een grote zonde begaan, maar nu zal ik opklimmen tot de Here, misschien zal ik voor uw zonde verzoening bewerken". Misschien. Nu moet u niet meteen zeggen dat Mozes weliswaar een groot voorbidder was, maar dat zijn gebed niet in de schaduw kan staan uan dat van Christus die voor ons pleit. En dat dit de reden is waarom we deze misschien-teksten in het Nieuwe Testament niet vinden en wij er dus niets meer mee te maken hebben. Nee, dat is te vlug. Kijk liever naar het volk Israël dat na zijn zonde met dat gouden kalf onder een hoedje te vangen is en het helemaal niet vanzelfsprekend vindt dat Mozes daarboven iets bereikt. Een dubbeltje op z'n kant, hebben ze gedacht. Dat misschien van Mozes was hun uit het hart gegrepen. Het sloot' naadloos aan bij hun eigen gevoel. En terecht, want het was ook vreselijk wat ze gedaan hadden: tijdens het/eest van de verbondssluiting een afgodsbeeld gaan maken. Overspel op de trouwdag, zo zou je het goed kunnen typeren. En de vergeving die Mozes bij de Here gedaan kreeg was dan ook een voorlopige: "Goed, mijn engel zal voor u uitgaan, maar ten dage van mijn bezoeking zal Ik aan hen hun zonde bezoeken" (Exodus 32 : 34). Wij kunnen het bij God zo bont maken dat de vergeving iets totaal onvanzeljsprekends wordt. En dat God ons daarover zeljs een poosje in het onzekere laat. Het Oude Testament waarin de misschien-teksten staan gaat aan het Nieuwe vooraf om ons van het bijzondere van de vergeving te doordringen. Omgekeerd, wanneer we het Nieuwe Testament van het Oude loshaken, dan komt de vergeving die wij uit kracht van Christus' offer ontvangen in een frivool licht te staan. Dan wordt het een lachtertje.'

Het volgende citaat waar hij kort op ingaat zijn de woorden uit Klaagliederen 3 : 27-29. Woorden gesproken op een absoluut dieptepunt van Israëls geschiedenis: 'Het is goed dat men hope en stil zij op het heil des Heeren. Het is goed voor een man dat hij het juk in zijn jeugd draagt. Hij zitte eenzaam en zwijge stil, zeggende: Misschien is er verwachting'. In een zo aangrijpende en uitzichtloze situatie is het profetisch advies:

'Laat het je verhouding met God niet verstoren, dat is wat we hier horen. Want: misschien is er hoop, wie weet laat de Here weer een andere tijd aanbreken. Het misschienzinnetje heeft hier een positieve strekking, anders dan bij Mozes zit er meer hoop in, maar ook nu is dat moment van onzekerheid er niet uit weg. En het gaat hier toch maar eventjes over de toekomst van Gods koninkrijk. Ik moest bij deze passage denken aan Abraham van wie de Schrift zegt dat hij tegen hoop op hoop geloofd heeft dat hij een vader van vele volken zou worden, zoals zijn naam zei (Romeinen 4 : 18). Dat was ook een hopen in de misschien-vorm.'

IETS VOOR DE GEBEDSGENEZERS?

'Ja, maar, zegt u, Abraham had toch de belofte van God zelf dat hij zou uitgroeien tot een grote volkerenfamilie? Dan geeft dat tegen hoop op hoop toch geen pas? En wij ook, wij staan toch niet zonder beloften in het leven? Ook onze jongelui niet, al staan ze in een tijd van neergang en afbraak? Zeker. En toch behoort het tot de bescheidenheid van ons geloof dat we situaties onderkennen waarin we niet verder komen dan: Misschien is er hoop. Abraham was negenennegentig jaar toen hij de belofte van een zoon kreeg. Niet zo vreemd dus, dat tegen hoop op hoop. En wat denkt u van de ernstig zieke die om genezing bidt: Misschien is er hoop. Iets voor de gebedsgenezers? Ik moet eerlijk zeggen dat ik bij dat vijf maal misschien van de bijbel aan hen gedacht heb. Laten ze die toon van bescheidenheid maar eens wat meer voeren. Misschien..., wie weet... Dan hoeven ze ook niet, als de Here de genezing niet geeft, met de wreedheid aan te komen dat de zieke dan zeker zonder geloof gebeden heeft. Dit misschien van de bescheidenheid, dat wens ik mijn broeders en zusters van de gebedsgenezing toe. Maar, werpt u tegen, er staat toch ook geschreven dat we moeten bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, "want wie twijfelt gelijkt op een bare der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt..." (Jakobus 1: 6-7)? Zeker, dat staat er en ik laat mij graag aan deze tekst herinneren. Want als we bidden om wijsheid (zoals Jakobus hier doet) of om een gedrag dat past bij Gods koninkrijk, dan mogen we geen zweem van twijfel in ons binnenste toelaten. Maar daarnaast zijn er zoveel wensen en verlangens, waarvan het heel mooi zou zijn als God ze inwilligde, maar waarvan we toch niet kunnen zeggen dat wij daar als kinderen van God op mogen rekenen. Ook een sterk willen van die zaken moeten we dan vergezeld laten gaan van die notie van bescheidenheid. Anders wordt bidden dwingen en dat kan nooit de bedoeling zijn. Hebben we niet gezien dat zelfs bij de bede om vergeving, op welk gebied de beloften van de Here God toch op z'n sterkst zijn, het woordje misschien niet misstaat? Hoeveel te meer dan als het om onze wensen en verlangens gaat'

Bescheidenheid, ja juist in de meest tere en soms diepingrijpende situaties in ons persoonlijk en kerkelijk leven. Rechtzinnige gelovigen roepen soms luid dat ze rechteloos zijn. Ze bedoelen: tegenover de heilige en grote God kunnen we geen rechten laten gelden. Zijn doen is majesteit. Maar dat roepen of dat ook beleven en laten gelden als alles anders gaat dan we hadden gehoopt? Dat is, naar het lijkt, toch nog weer wat anders. De 'misschienteksten' en de 'wie-weet-woorden' uit de Schrift brengen ons klemmend onder ogen dat we in ons bidden en spreken weieens wat meer bescheidenheid aan de dag mogen leggen.

Huisbezoek

In De Wekker staat elke week een column te lezen, geschreven door prof. Maris en door ds. Schenau bij toerbeurt. Ds. Schenau schrijft veelal ludiek en met een vlotte pen, waardoor hij gewichtige zaken soms heel treffend weet te relativeren. En dat kan geen kwaad in de soms dodelijke ernst waarmee we in de kerken praten en preken. Dit keer heeft ds. Schenau het over het wekelijkse huisbezoek, dat ook in zijn kerken (de Christelijke Gereformeerde Kerken) nog een duidelijke plaats heeft.

HELP, WE KRIJGEN HUISBEZOEK!

'Ergens aan de eettafel in een christelijk-gereformeerd gezin. "Jullie hebben er toch wel aan gedacht, dat we vanavond huisbezoek krijgen? De ouderling vroeg, of jullie er ook een poosje bij konden zijn." Zoonlief reageert geschokt: "Wat? Wij moeten zaterdag tegen de bovenste en als ik vanavond niet kom trainen, zit ik mooi op de reservebank! Daog!" De dochter: "Kom dezelfde weer? Mag ik dan mijn antwoorden schriftelijk indienen? Ga ik graag naar de kerk? Soms. Vind ik het leuk op jv? Ja. En op catechisatie? Zelden".

Pa probeert de gemoederen tot bedaren te brengen: "Jongens, dat kun je niet maken. Ik kan ook niet zeggen, dat ik er veel zin in

heb maar die man doet het vast ook niet voor z'n lol. 't Is ivaar, vorige keer - een jaar of drie geleden - is hij vooral zelf aan het ivoord geweest. Maar hij zei ook ivel een paar zinnige dingen. Toch, mam? " "Dat iveet ik niet meer, hoor. Ik iveet alleen, dat ik aan het eind ook nog een vraag kreeg: En is onze zuster het met dit alles eens? " Pa weer: "Weetje wat, we zetten hem op die stoel. Die zit nogal hard. En je biedt hem een keer kofpe aan. En laten we even ajspreken, waar we in elk geval niét over beginnen. En als hij terug wil komen op die kwestie met de Kwaadsteniet, dan houden we ons ook op de vlakte. Na een uurtje zeg jij, mam, dat we zijn bezoek bijzonder op prijs stellen, maar dat we vanavond ook nog andere verplichten hebben..."

HELP, IK GA OP HUISBEZOEK!

'Op datzelfde moment zitten elders in de stad broeder Zeldenthuis en zijn vrouw aan de piepers. "Nou moet ik toch vanavond op huisbezoek bij de Van der Vlaktes... Ik zie er vreselijk tegenop. De vorige keer was het ook al duwen en trekken om er een geestelijk woord uit te krijgen. Er lag wél een lijstje met kritiekpunten klaar. De ajgelopen twee jaar hebben ze een ajspraak voor huisbezoek steeds op de lange baan geschoven."

Zuster Zeldenthuis begrijpt, dat haar man wel een bemoediging kan gebruiken: "Je Iaat niet over je heenlopen, Piet! Kom nou, zeg... 'kZie hem elke zondag met een uitgestreken tronie uit zijn megamobiel stappen. Alleen 's morgens natuurlijk... En vraag die kinderen maar eens, waarom ze in de kerk hun klep niet kunnen houden. Je houdt het maar een beetje kort. Na een uurtje zegje, datje 't een jïjn gesprek hebt gevonden maar datje vanavond ook nog andere verplichtingen hebt. En weetje wat? Dan leg ik een kroketje voor je klaar en dan zet ik om half tien het vet vast aan. Kun je lekker in je luie stoel naar het Journaal kijken".'

Ik denk voor vele broeders huisbezoekers een levensecht .portret. Zo gaat het vaak en zo is de ervaring regelmatig. Je kunt er als ouderling soms misschien onder gebukt gaan. Teleurstellingen zijn er genoeg. Maar laat dan het lezen van dit humoristische stukje een troost zijn: het komt overal voor. En juist die ontspanning geeft weer inspiratie om met dit mooie werk voort te gaan.

J. MAASLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's