De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

P rinses Juliana was onder het volk van tijd tot tijd een gewone vrouw. Cokky van Limpt, Trouw-journaliste, ontmoette haar tijdens een conferentie en vertelt ervan:

'(...) Af en toe zie je de grijze hoofden naar elkaar buigen. Haar vriendin moet ueel herhalen; prinses Juliana (bijna 86) hoort niet meer zo best. In de koffiepauze blijft de oude koningin in de zaal. Een vrouw van eind vijftig spreekt haar aan: "Mag ik u een handgeuen? " "Natuurlijk mag dat. Ken ik u? "

"Nee, u kent mij niet. Maar ik u weI, u bent namelijk heel lang mijn koningin geweest. Ik vind het een voorrecht u nu een hand te kunnen geuen en u te kunnen bedanken, want ik uond u altijd zo'n ontzettend fijne, lieue koningin." "Ach, wat aardig van u om dat te zeggen. Hoe vindt u eigenlijk mijn dochter? "

"Uw dochter vind ik een heel goede, fantastische koningin. Ze is een echte kanjer." "Ja, dat vind ik nu ook, maar het is zo gek om dat van je eigen kind te zeggen. Waarom vindt u haar eigenlijk zo goed? "

"Ze is altijd optimaal op de hoogte. Waar ze ook heen gaat, over elk land is ze even goed geïnformeerd en ze houdt ook zulke intelligente, genuanceerde toespraken."

"Ja, dat vind ik ook. Ach, in mijn tijd kon ik niet half wat zij nu aankan. Ze is zo dynamisch. Die dynamiek, die heeft ze van mijn man."

Voordat de koffiepauze om is, grijp ook ik mijn kans om de oude koningin de hand te schudden. Ze pakt die met beide handen vast. Ik zeg haar dat ik het leuk uind haar op dit symposium te treffen. "U bent, geloof ik, erg geïnteresseerd in dit soort onderwerpen? " "O ja, mijn hele leuen al."

Ineens dringt tot de prinses door dat ze met een journalist staat te praten. Ze legt haar beide handen op mijn schouders, kijkt mij met haar oude ogen doordringend aan en smeekt: "O, meurouw, zou u alstublieft niet in uw blad willen zetten dat ik hier vandaag ben? Dan gaan al die journalisten weer over mij schrijven, dat ik dit ben of dat ik dat ben, en dan kan ik weer nergens meer naartoe, terwijl ik het zo fijn uind om af en toe naarzo'n mooie bijeenkomst te gaan." "Als u het echt zo erg uindt, dan beloof ik u dat ik niet in de krant zal zetten dat u bij dit symposium was."

"O mevrouw, zou u mij alstublieft dat plezier willen doen? U weet niet hoe erg dat is met die journalisten. Wespen, wespen zijn het."

Voorzichtig maak ik haar erop attent dat ik natuurlijk ook een journalist ben. "Maar ik ben geen wesp, hoor."

De prinses haalt haar handen van mijn schouders, doet twee stappen achteruit, neemt mij - het hoofd een beetje scheef - van top tot teen op en zegt: "Nee, een vlinder!"

In de lunchpauze komen we naast elkaar in de rij terecht.

"Waarom staan we hier eigenlijk? ", vraagt ze mij. "We wachten hier voor de ruimte waar de lunch kan worden gebruikt."

"Ja natuurlijk, de lunch. Eigen eten of eten van hier? "

"Er wordt hier een lunch geserveerd, maar u kunt natuurlijk ook zelfmeegebracht eten hier opeten. Hebt u soms uw eigen eten bij u? ", flap ik eruit. "Ja", antwoordt de prinses gedecideerd. Daarop scharrelt ze de zaal in, laat zich op de eerste de beste stoel zakken en zet haargrote zwarte lakleren tas op haar schoot. Er komt een banaan uit, gevolgd door twee geplette krentenbollen. De koningin-moeder zet royaal haar tanden in de eerste bol.'

D ezer dagen kreeg ik ten geschenke het fraaie boek De Laurens in ons midden ('Uit de geschiedenis van de Grote Kerk van Rotterdam', Backhuys Publishers, Leiden). Daarin schreef prof. dr. F. A. van Lieburg een artikel 'Publieke gereformeerde eredienst in de grote Hollandse stadskerk (zestiende tot negentiende eeuw)'. Hieruit de volgende passage:

'Fijngeuoelige kerkgangers konden aan de manier van bidden door de voorganger al horen, welk geestelijk vlees zij in de kuip hadden. Een jonge piëtist, zelf toekomstig predikant, getuigde eens over een rond 1725 wellicht in de Laurenskerk gehouden dienst: "De oude heilige te Rotterdam weeten met mij, hoe nat besweet de zalige Van Strijen op den predikstoel kwam, maar ze hebben zelden zulk bidden gehoort". De zweetdruppels van Jacobus van Strijen attenderen ons op een heel lichamelijke eigenschap van stadsdominees. Heden ten dage kunnen we ons nauwelijks voorstellen hoeveel energie het kostte om zonder elektronische geluidsversterking verstaanbaar te blijven. Voor predikers in een grote kerkruimte was het bezit van een krachtige stem een primair vereiste eigenschap. Al in 1574 zocht men in Rotterdam speciaal naar "mannen die van den Heere met stereken voys ende ander ghaven, eenen predicant van noode, behavet zijn". De kansel in de Sint-Laurens was eigenlijk alleen bestemd voor preektijgers, die erin getraind waren een grote schare aan te spreken, zonder in schreeuwen te vervallen. We lezen over Jacobus Borstius, predikant alhier van 1654 tot 1680: "Sijn uitspraak was helder, seer onderscheiden en genoegsaam om de grootste kerken van ons land te voeden, gelijk in die van Dordrecht, Rotterdam en Haarlem is gebleken. (...) Onder 't prediken sprak hij maar en hielt sijn stem daardoor in toom, sonder oit te roepen, dat niet anders is als sig maar veeltijts onverstaanlijk en onaangenaam te maken".

Hoe de inhoud en vorm van de prediking met elkaar verweven konden zijn, zien we bij Wilhelmus a Brakel, die van 1683 tot 1711 in Rotterdam stond en als spreker en schrijver grote populariteit genoot. Hij was "begiftigt met eene wakkere, verre doorslaande stem, gemengt met eene aangename bevalligheid en geschiktheit naar de zaken, om dan als een Boanerges te donderen, dan als een Barnabas te troosten, dan als een Paulus te onderwijzen, dan als een Johannes lieflijk te streelen en te lokken; de stijl onopgepronkt en nogtans kragtig, schriftuurlijk, deftig; zodat men zien en hooren kon dat hij uit het hooft niet alleen, maar ook uit het herte predikte". Dat uit-het-hoof-preken was in die zin algemeen gebruikelijk, dat domineees hun sermoenen in de studeerkamer uitschreven en die in hun geheugen prentten, om ze op de kansel hoogstens met behulp van een schets voor te dragen. Pas in de late achttiende eeuw kwam het lezend preken in zwang, al kwam vóór- en nadien ook het improviserend preken voor, niet het minst juist weer bij ervaren en begaafde stadspredikanten.'

v.d.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's