De leeftijd van het Lam
'Zijn leven en levensduur is eeuwig'
De Lijdende Knecht
Wie door de Heilige Geest, Die Jezus door Zijn kruis en opstanding verworven heeft voor heel Zijn gemeente, op Pasen de Schriften laat spreken, zal om Jesaja 53 niet heen willen en niet heen kunnen. Het is alsof de Godsman zelf aan de voet van het kruis gezeten heeft en, opblikkend naar de Man van Smarten, steeds een nieuwe trek ontdekt en toevoegt aan de schildering van de Knecht des Heeren voor de ogen van die Hem zien in Zijn diepe vernedering en heerlijke verhoging. Dit hoofdstuk is ook wel gezien als het vierde en laatste lied over de Knecht van God. Bij het licht van het Nieuwe Testament zien we Deze in Jezus Christus gekomen en optreden. Op een enkele zinsnede daarvan vestigen we uw aandacht, namelijk op die van hoofdstuk 53 vers 8: 'en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? ' De verklaring van deze zinsnede hangt af van de betekenis van een woordje!
Het ene woord
Voor het woord dat vertaald is met 'leeftijd' staat het Hebreeuwse woord 'dor', en dat heeft als betekenissen volgens het woordenboek: 'geslacht, ouderdom van de mens, generatie, aanduidend zowel de periode als de daarin levende mensen, maar bijzonder van toepassing op een door bepaalde eigenschappen gekenmerkte generatie, daarom ook wel een zekere klasse of groep van mensen, zoals goddelozen of vromen'. U ziet, mogelijkheden te over om uit te kiezen. Dat maakt nu juist de uitleg van de zinsnede zo heel erg moeilijk.
Het zou te ver voeren om alle mogelijke en ook gekozen interpretaties weer te geven, maar enkele onthouden we u niet. Daarbij kunnen we twee lijnen trekken, en wel dat woord betrekking te laten hebben op de Verlosser Zelf of op degenen die van Hem zijn en bij Hem behoren als Zijn geslacht.
De Eerste Lijn: De Knecht Zelf
De oud-christelijke Kerk
De patres kozen voor de vertaling 'generatie' of 'geslacht' en lieten deze slaan op de afkomst van de Knecht des Heeren. Daarbij werd dus teruggezien op het verleden, de oorsprong van Hem. In de tijd daarna kreeg de opvatting dat Zijn goddelijkheid, Zijn hoge komaf, alsook Zijn nederige, onbegrijpelijke menswording steeds meer plaats en aandacht in prediking en geschriften. En inderdaad, beide Zijn met ons verstand niet te vatten. Hoe heerlijk, ja, goddelijk is de afkomst van de Levensvorst van Pasen. Maar hoe diep kwam Hij ook op als een rijsje en een scheut aan de afgehouwen tronk van Isai in Zijn menswording. 'Hij bleef wat Hij was en is geworden wat Hij nooit geweest is', is wel eens terecht zo uitgedrukt!
De Reformatoren
Luther zowel als Calvijn trekt de zinsnede 'en wie zal Zijn leeftijd uitspreken' bij het voorafgaande 'Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen', en menen dat deze zoveel betekent als: 'Wie kan verklaren (of openbaren) de lengte van zijn leven daarna? ' Beiden verbinden het element van de toekomst met de messiaanse opvatting van de Knecht van God.
Luther zegt dan ook ter verklaring: 'Zijn leven en levensduur is eeuwig'. Calvijn merkt bij deze woorden op: Het antwoord op die vraag 'wie kan Zijn leeftijd uitspreken' is: 'niemand'! Christus is na Zijn opstanding ook lichamelijk onsterfelijk. Bij Hem kan er geen sprake meer zijn van een binnen zekere grenzen beperkte levenstijd. Met de apostel Paulus weten en belijden we immers 'dat Christus, opgewekt zijnde, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem'. En omdat de Kerk onafscheidelijk verbonden is met de Verlosser Zelf, zo mogen wij met volle recht hieruit opmaken dat ook de ware Kerk nooit verloren zal gaan'.
De boodschap van Pasen
De betreffende zinsnede wordt zo bij de Hervormers een echte boodschap van Pasen. Heerlijk is de verhoging van de Knecht voor Hem Zelf, als het loon op Zijn werk. Maar niet minder is deze zeer troostrijk voor allen die van
Hem zijn en bij Hem behoren. Hij maakt Zich een met hen in en door Zijn kruisdood en opstanding... En de woorden 'wie zal uitspreken (of: verklaren)' geven dan weer de blijde, verwonderde en prijzende aandacht voor de Koning van Pasen, die Hij ten volle verdient. Is deze er ook bij ons? Zijn wij zo ook echte 'kinderen van de Reformatie'?
Wel is het de exegetische vraag of, gelet op het tekstverband, in dit achtste vers reeds, in een tussenzinnetje dus, gesproken kan worden van de verhoging van de lijdende Knecht des Heeren. Die komt toch pas in het slot van dit hoofdstuk, in de verzen n en vooral 12 naar voren? !
In later tijd
Ook later hebben veel exegeten het woord 'dor' toegepast op de Persoon van de Knecht. Vooral sedert Drive dit in 1935 poneerde, is een hele reeks oudtestamentische geleerden hem daarin gevolgd, waarbij dat woord is verstaan in de zin van 'beperkte levensloop, droevig levenslot' met dus heel duidelijk een verwijzing naar de staat van Zijn vernedering. Dan is echter meer de Goede Vrijdag in beeld dan de morgen van Pasen. Of echter deze opvatting taalkundig mogelijk en te verantwoorden is, blijkt niet duidelijk «n is in elk geval omstreden. Vandaar dat ook 'tekstverbeteringen' zijn en worden voorgesteld.
De Tweede Lijn. De Generatie uan de Knecht De exegeten die deze tweede lijn volgen, betrekken het woord 'dor' niet op de Knecht maar op hen die met de Knecht in zulk een relatie staan dat ze 'Zijn geslacht of generatie' kunnen genoemd worden. Ook deze opvatting is oud en wordt al kort na de oud-christelijke Kerk verdedigd.
De Vulgata
Eigenlijk is de Vulgata, de Latijnse vertaling van de Bijbel, nog steeds hoog geacht in de Rooms-Katholieke Kerk, daarmee begonnen door het Hebreeuwse woord met 'generatio' te vertalen. Een van de meest moderne versies, die nog steeds op deze tweede lijn zit volgens de Vulgata, heeft dan ook de zinsnede weergegeven met 'who can speak of his descendants'? Met een beroep op de tekst Psalm 112 : 2: 'Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; het geslacht van de oprechten zal gezegend worden', blijkt deze uitleg in elk geval mogelijk te zijn. Daarbij wordt dus wel vastgehouden aan de opvatting dat aan de nakomelingen van de Knecht moet worden gedacht.
Twee bezwaren daartegen
Wel is een eerste bezwaar tegen deze lezing dat totnogtoe over de Knecht alleen en over Zijn eenzame weg, die Hij helemaal alleen gaat, is geprofeteerd. Pas in vers 10 wordt ondubbelzinnig Zijn geslacht of zaad aan de orde gesteld.
Bovendien blijkt uit onderzoek dat het woord 'dor' veel meer als aanduiding van iemands tijdgenoten wordt gebezigd dan als iemands afstammelingen. In ruimer zin neemt men dit woord dan ook wel, als men eronder wil verstaan 'de groep tot wie de Knecht behoort'.
Vooral wanneer de Knecht wordt gezien als de grote Zoon van David, ziet men het Hebreeuwse woord gebruikt voor allen die bij Hem behoren of Hem toegedaan zijn.
De historie
Wanneer koning Jojachin, die als laatste koning van Juda in de lijn van rechtstreekse erfopvolging uit het huis van David - koning Zedekia is niet zijn zoon immers - uit het zicht is verdwenen door zijn gevangenneming door koning Nebukadnezar, ziet zich de messiaanse verwachting van de vromen in Israël een zware slag toegebracht en lijkt deze totaal geknakt. Het huis van David speelt geen rol meer. En wat de profeet over de Knecht van God als de lijdende Knecht verkondigt, lijkt de belofte in 2 Samuël 7 wel geheel tegen te spreken. Niet alleen is de Knecht Zelf diep vernederd, ook Zijn kring, Zijn geslacht telt intussen niet meer mee.
De paasboodschap hiervan
Wie het Hebreeuwse woord op degenen die bij de Knecht behoren, wil betrekken, kan ook een heerlijke boodschap van Pasen eruit destilleren. Immers, gaat de Knecht de weg van lijden en dood door smaad en verachting heen, met Zijn volk is het niet anders gesteld. Om met de apostel Paulus te spreken, worden zij 'een plant met Hem in de gelijkmaking van Zijn dood, om daarna dat ook te kunnen zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding'. Hij neemt al de Zijnen met Zich mee, door lijden tot heerlijkheid en door de dood tot het leven.
En wordt de Heiland nog steeds door velen niet geloofd en geteld, ja, neemt het getal van de gelovigen af, ook Zijn ware volgelingen worden vaak niet gezien, veracht en zelfs vervolgd. We leggen in de wereld van vandaag zeker geen eer met Hem in. Maar wat nood, maakt Hij zelf het in alles niet meer dan goed voor allen die weten door Hem te zijn gekocht en betaald? Zijn de onderdanen van de Koning van Pasen niet gelukkig in en met en door Hem, nu al?
Wat staat hun nog te wachten als Hij hen komt ophalen, thuisbrengt en aan Zijn Vader voorstelt als Zijn bruid? Want eens gaan de graven open. Eens geeft ook de zee alle doden daarop gestorven weer. Dan zijn al Zijn onderdanen bij Hem. Hoe geestdriftig en blij zullen ze dan elkaar toe roepen: 'Wij hebben een Koning!'
Ja, want deze Koning, deze Koning van Pasen is ons van Israëls God gegeven! .
Is dat reeds onze paasbelijdenis?
W. Chr. Hovius, Apeldoorn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 2004
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 2004
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's