Christelijk onderwijs heeft toekomst
Identiteit, een levend begrip
)e Nederlandse Grondwet, bestaande lit acht hoofdstukken, bevat basisre- ; els over de overheidsorganisatie en iver de verhouding tussen burger en iverheid. Uit de geschiedenis van de ïrondwet blijkt dat de grondrechten, jenoemd in hoofdstuk 1, niet iets van ille tijden zijn. Zo werd in 1848 het jrondrechtenbestand uitgebreid met iet recht tot vergadering en vereniging. 1oor het onderwijs was dat eveneens ; en cruciaal jaar. De vrijheid van onlerwijs kreeg toen haar grondwettelijke verankering. Ook werd in de Grondwet de waarborg opgenomen lat overal in het land van overheidsvege voldoende openbaar lager ondervijs werd gegeven, dat met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen door de wet werd geregeld. In [917 werd het onderwijsartikel aanzienlijk uitgebreid; onder meer legde ie grondwetgever de financiële gelijkitelling tussen openbaar en bijzonder mderwijs vast. Sindsdien zijn de neeste grondrechtbepalingen gewijzigd, en zijn nieuwe grondrechten toegevoegd. Het onderwijsartikel is inloudelijk ongewijzigd gebleven. Zo jleef het onder meer buiten de grote grondwetsherziening van 1983. '11 de huidige tekst van artikel 23 van ^ ie Grondwet herkennen we de grondgedachte dat Nederland een land is rai2 minderheden met uiteenlopende opvattingen over onderwijs en opvoeïing, waarbij de rijksoverheid de eerst- 'erantwoordelijke is om een samenlangend stelsel van onderwijsvoorzieningen in stand te houden. Tot op de dag van vandaag vormt het grondwetsartikel de kern van het onderwijsbestel. Eerst bij belangrijke kwesties in onderwijsbeleid en - wetgeving, waarbij de marges opgezocht worden, treedt artikel 23 van de Grondwet op de voorgrond in zijn hoedanigheid als waarborg van fundamentele rechten voor de ontwikkeling van personen en de positie van groepen op het gebied van het onderwijs.
Vrijheid binnen het bijzonder onderwijs
Het klassieke grondrecht betreffende de vrijheid van onderwijs staat garant voor geestelijke pluriformiteit door bescherming te verlenen aan de verschillende stromingen binnen het bijzonder onderwijs. Op grond hiervan kan in private organisaties zonder overheidsinmenging een eigen visie op mens en samenleving tot uitdrukking worden gebracht. Deze vrijheid van onderwijs wordt al sinds de tweede helft van de negentiende eeuw onderscheiden in drie deelvrijheden: de vrijheid van schoolstichting, de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. De vrijheid van richting is de vrijheid om in het onderwijs uit te gaan van een eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke visie op mens en samenleving. Deze visie kan doorwerken in het onderwijs als zodanig en in het personeelsbeleid. Daarnaast omvat de vrijheid van richting onder meer ook de vrijheid om op basis van richtingsmaatstaven leerlingen te selecteren, en de organisatie conform de principes van de richting gestalte te geven.
Veranderde maatschappij
Het is duidelijk dat de maatschappij van 2004 een wezenlijk andere is dan die ten tijde van de totstandkoming van de grondwettekst in 1917. Enkele maatschappelijke veranderingen zijn: - Ontzuiling en secularisatie; dit komt o.a. tot uitdrukking in een dalend aantal leden van een kerkgenootschap en door het opgaan van levensbeschouwelijk georiënteerde instellingen in algemene organisaties.
- Toename van het aantal allochtone leerlingen, veelal met onderwijsachterstanden. - Grotere pluriformiteit; we nemen groeiende verschillen in waarden- en normenpatronen waar. - Emancipatie van bevolkingsgroepen. - Internationalisering. - Kennisintensivering: 'een leven lang leren.; - Invloed van informatie- en communicatietechnologie; er vinden nieuwe technische ontwikkelingen plaats, zoals de grootschalige invoering van ICT. - Individualisering en flexibilisering.
Invloed van de overheid
De vrijheid van onderwijs wordt in stelling gebracht telkens wanneer de overheid de keuzevrijheid van ouders en de vrijheid van het bijzonder onderwijs dreigt te beperken. Vrijheid van onderwijs en recht op onderwijs zeggen beide iets over de taak en de bevoegdheid van de overheid en over de rechten van burgers en maatschappelijke organisaties op het terrein van het onderwijs.
De politici in ons land zijn verdeeld over het bijzonder onderwijs. Onze onderwijsvrijheid staat voortdurend onder druk. Dat merken we onder meer aan recente uitspraken van WD'er Zalm en PvdA-voorman Bos. We hebben het gemerkt aan de discussies die gevoerd zijn over de controle op het godsdienstonderwijs. Zalm is ervan overtuigd dat islamitische scholen slecht zijn voor de integratie van islamitische leerlingen. In de grote steden zijn er problemen op de zogenaamde zwarte scholen. Volgens de politici Bos en Zalm, maar al eerder de D66'er De Graaf en SP'er Marijnissen, staat de vrijheid van onderwijs zoals we die nu kennen oplossingen voor genoemde problemen in de weg. De oorzaak van de zwartescholenpro- •blematiek is niet de vrijheid van onderwijs (het recht van stichting, richting en inrichting van scholen). Niet de vrijheid van het bijzonder onderwijs om leerlingen te selecteren op basis van godsdienstige achtergrond is de hoofdoorzaak van de problemen. De tweedeling van witte en zwarte scho-
len vloeit voort uit de bevolkingssamenstelling van een stadswijk en de schoolkeuze van de ouders. Het aantasten van het grondwettelijke recht van de vrijheid van onderwijs is daarvoor dus niet de oplossing. Over het bestaan van witte en zwarte scholen wordt door eerdergenoemde politici artikel 23 van de Grondwet niet eenduidig uitgelegd. Hun opvattingen komen erop neer dat de vrijheid van onderwijs (mede) toekomt aan de onderwijsconsumenten (ouders en leerlingen). Zij zouden op elke school van hun gading - met respect voor de grondslag ervan - als leerling moeten kunnen worden toegelaten. Het levensbeschouwelijke karakter van het onderwijs mag wel leiden tot het selecteren van leerkrachten, maar niet tot het selecteren van leerlingen. Het stellen van toelatingseisen voor leerlingen op grond van de levensbeschouwelijke identiteit van de school (bijvoorbeeld het onderschrijven van de grondslag van de school) zou moeten worden verboden. Deze opvatting wordt niet door onderwijsjuristen en ook niet door de Onderwijsraad gedeeld. De Onderwijsraad stelt dat het bijzonder onderwijs op grond van artikel 23 toelatingseisen voor leerlingen mag stellen. Het is mogelijk om een leerling af te wijzen op denominatieve gronden, maar dan alleen wanneer een dergelijke selectie consequent en consistent wordt toegepast.
Alertheid geboden
De terugkerende aanvallen van politici op de vrijheid van onderwijs baart ons zorgen. Het vraagt om alertheid, ook van politici die staan voor het grondwettelijke recht op de vrijheid van onderwijs. Dit vraagt ook alertheid van de medewerkers van de scholen, de ouders en alle betrokkenen bij het bijzonder onderwijs. Het is mijns inziens niet nodig een zogenaamd 'waakhondcollege' in te stellen om de belangen van het bijzonder onderwijs te bewaken. Juist de werkers in de scholen en de direct betrokkenen moeten aangeven wat 'de meerwaarde' is van het bijzonder onderwijs. Geeft de Bijbel ons inspiratie en is dat de bron waaruit we dagelijks invulling geven aan de levensbeschouwelijke identiteit? Dat zijn belangrijke vragen om binnen de school - eventueel met externe deskundigheid - te bespreken om op die manier helder te krijgen vanuit welke levensbeschouwelijke uitgangspunten we onderwijs geven. Het is van zeer groot belang om in de school met de levensbeschouwelijke identiteit bezig te zijn. Zijn we ons voldoende bewust van het belang van de praktisering van de identiteit van de school in de praktijk van elke schooldag? Identiteit moet concreet zijn. De levensbeschouwelijke identiteit moet niet alleen bij het vak godsdienst tot uiting komen. De manier waarop inhoud wordt gegeven aan de leerinhouden is van groot belang.
Motivatie
Het is belangrijk dat identiteit een agendapunt is bij diverse vormen van overleg in de school. Dat kan plaatsvinden bij het overleg binnen het bestuur, de directie, de sectoren en de vakgroepen. De directie van de school moet weten wat er rond dit onderwerp in de school leeft. Wat is de innerlijke motivatie van de medewerkers om binnen het christelijke onderwijs te werken? De overheid biedt juist nu meer ruimte in het bepalen van de lesinhouden. Blijkt uit de manier waarop we binnen de school met elkaar omgaan, dat we een christelijke school zijn? Laten we merken wat ons hierbij inspireert?
Rond het schoolklimaat in algèmene zin kunnen we ons afvragen hoe we daar op een positieve manier onze levensbeschouwelijke identiteit vertalen. Bij de dagopeningen, de vieringen, maar ook in het beleid rond belonen en straffen en in ons bezig zijn met zorg voor de individuele leerling. Zet identiteit op de agenda!
Dat geldt ook voor bijeenkomsten met ouders, bestuursvergaderingen en allerlei vormen van overleg waar mensen samenkomen die zich betrokken voelen bij en zich verantwoordelijk weten voor het christelijk onderwijs.
Toekomst
Er is toekomst voor het christelijk onderwijs, ondanks het veranderende politieke klimaat, waarbij we ons terdege bewust moeten zijn van onze verantwoordelijkheid. Er moet helder gecommuniceerd worden - zowel intern als extern - wat de betekenis van het christelijk onderwijs is. Een goede invulling van de levensbeschouwelijke identiteit van de school staat of valt met de intrinsieke motivatie van leidinggevenden in de school, de ouders, de leerlingen en zeker oolc met de man of vrouw voor de klas.
Identiteit is een eis van kwaliteit, waarop je aangesproken mag worden. Het is te lang alleen maar een afscherming naar buiten geweest. Identiteit is een levend begrip, waarover gesproken wordt en wat de moeite waard is naar buiten te brengen. Zet identiteit maar op de agenda!
A. A. Korevaar, Bergambacht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 2004
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 2004
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's