Uit de pers
Op zoek naar Nederland
Dat is de titel van een onlangs verschenen boek van Aad Nuis, waarin hij zijn eigen ervaringen beschrijft: opgegroeid in het Nederlandse zuilenland van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, maar zich nu afvragend: wat is Nederland eigenlijk vandaag nog, nu bijna alle zuilen ten oiïder zijn gegaan. Nuis werd in 1933 in Sliedrecht geboren in een gereformeerd gezin, raakte tijdens zijn studie aan de Universiteit van Amsterdam los van het geloof der vaderen en werd één van de oprichters van D66. Voor die partij werd hij in 1981 lid van de Tweede Kamer en was in het eerste kabinet- Kok staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Hij was in zijn leven recensent voor enkele dagen weekbladen, schreef diverse poëzie- en essaybundels. In zijn onlangs verschenen boek Op zoek naar Nederland probeert hij er achter te komen wat Nederland maakt tot wat het is. Wat onderscheidt Nederlanders van anderen, maar juist niet van elkaar? Hoe word je een Nederlander? Vragen die in een tijd van inburgeringscursussen actueel zijn, maar ook voor een generatie die in een niet-verzuild land is opgegroeid. Wie weet, geboren ongeveer begin zeventiger jaren, nog wat we bedoelen met 'ons verzuilde vaderland? '
In het Vlaams-Nederlands cultureel tijdschrift Ons Erfdeel (47e jaargang nummer 2, april 2004) staat een voorpublicatie te lezen van, naar ik vermoed, het eerste hoofdstuk. Voor lezers geboren en opgegroeid in de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw, een zeer herkenbaar beeld, dat bij deze en gene wellicht nostalgische gevoelens kan oproepen.
'In het jaar dat ik voor het eerst naar school ging, was Nederland een zuilenland, en Rotterdam een zuilenstad. Je kon ze niet zien, die zuilen. Je had deftige singels, volkswijken en buurten ertussenin, maar aan zulke onderscheidingen gingen ze voorbij. De aanvoerders, ook van socialisten en mannenbroeders, vond je in deftige huizen, de volgelingen, ook van de burgerheren, woonden overal in de stad door elkaar. Nergens domineerde een zuil, zoals in veel provinciesteden en in uitgestrektegebieden op het platteland. Toch speelde het leven van de meeste Rotterdammers zich grotendeels af binnen de eigen zuil. Je kon een protestants, katholiek, socialistisch, liberaal Rotterdam als transparanten over elkaar leggen om het complete beeld te krijgen. Weinigen deden die moeite.
Het was dus een school op gereformeerde grondslag tvaar ik binnenstapte op een vroege septemberdag in 1939. Een nieuwe, houten school, een lage barak eigenlijk, geurend naar verf en krijtjes en genoemd naar het kleine prinsesje, Beatrix. Een eindje verderop stonden er zo nog een paar, tvaarin katholieke en openbare kinderen huisden. Noodschoten in een nieuwe wijk, tijdelijk bedoeld
maar nog heel lang gebleven. Zes jaar later, toen het net weer vrede was, ging ik over naar de Eerste Christelijke Hogere Burgerschool, die samen met het gereformeerde Marnixgymnasium gevestigd was in een monumentaal en nog steeds dienstdoend schoolgebouw aan het Henegouwerplein. In mijn tijd kwamen de meisjes er met hoofddoekjes naar school als het buiten jris werd. Nu dragen ze die ook in de klas, het hele jaar door. De scholengemeenschap heet nog steeds christelijk, maar de wijk is allochtoon geworden en de scholieren ook.
Behalve de school was er de kerk - twee keer per zondag - en vooral het verenigingsleven. Knapenvereniging, jongelingsvereniging, meisjesvereniging, alles op gereformeerde grondslag en elke zondag vergaderend in kerkzaaltjes, waar ook de catechisatie werd gehouden.'
Het was een overzichtelijke wereld, keurig in vakjes verdeeld. Je wist, als je kerkelijk werd opgevoed, wie er wel en wie er niet deugden. Met dat 'niet-deugen' bedoel ik dan het antwoord op de vraag wie er wel of niet in aanmerking konden komen ooit 'naar de hemel te zullen gaan'.
'Mijn moeder was presidente van de gereformeerde vrouwenvereniging in de wijk, mijn vader was geen verenigingsmens, maar betaalde trouw zijn contributie voor de christelijke vakbond en de christelijke radiovereniging. Misschien ook voor de antirevolutionaire partij, maar dat weet ik niet zeker. Hij stemde AR zonder geestdrift. Colijn, zei hij dan hoofdschuddend, was niet goed geweest voor de arbeiders. Maar van socialisten moest hij niets hebben, die stonden in een reuk van goddeloosheid en de gruwelen van de Russische Revolutie. Er werden ook geen boodschappen gedaan bij de winkel van de Coöperatie. Die was te rood, al werd er verder weinig aandacht geschonken aan de levensbeschouwing van bakker, slager of melkboer. Dat was meer iets voor de provincie, waar iedereen alles van elkaar wist. Het was vooral het wijdvertakte verenigingsleven, waaraan vrijwel niemand zich toen helemaal wist te onttrekken, dat ook in de grote stad de zuilgenoten sociaal bij elkaar hield. Daar kwamen ze elkaar tegen, daar ontstonden de banden die ook in het informele verkeer onderhouden werden. Wat vroeger het eigen dorp was geweest, dat was nu, onzichtbaar midden in de grote stad, de eigen zuil.
Natuurlijk waren er ook andere sociale contacten. Collega's van mijn vader, kantoor-
vriendinnen van mijn oudere zus, buren in de straat. Ik kwam wel eens bij vriendjes over de vloer waar tot mijn bevreemding een kruis werd geslagen bij het bidden, of waar zelfs helemaal niet werd gebeden voor het eten. Terwijl het verder toch gewone, harte-, lijkc mensen waren. Dat zulke contacten vrijwel altijd oppervlakkiger bleven dan die met zuilgenoten, zeljs tijdens de bezetting die veel mensen dichter bij elkaar bracht, kwam doordat zuilen niet alleen sociale, maar ook culturele verschijnselen waren. Ze brachten je een wereldbeeld bij, en een daarbij passend taalgebruik. Als je elke zondag in de kerk hoorde dat de katholieke buurman de gruwelijke paapse afgoderij bedreef en je wilde geen ruzie op de trap, wat kon je dan anders doen dan beleefd groeten en de conversatie niet dieper laten gaan dan het weer en de kwaliteit van de aardappelen? '
Nuis gaat ook in op de manier waarop de taal functioneerde in die dagen. Elke zuil kende immers ook zijn eigen taalgebruik, woordkeus, leescultuur al was het alleen maar het dagelijks bijbellezen aan tafel na de maaltijd.
'Zo was de cultuur waarin ik als kind werd ondergedompeld weliswaar de Nederlandse cultuur, maar op onweersproken gereformeerde grondslag. De taal die ik leerde, had twee verdiepingen. Op de begane grond hoorde ik thuis, op straat en op school het algemeen gangbare Nederlands, meestal met een Rotterdamse klankkleur die zelfbewust afweek van de aanstellerig geachte spreektrant van deftige mensen. Daarboven lag de taal die mijn vader plotseling begon te spreken als hij aan tafel voorging in gebed of voorlas uit de bijbel, de taal die je op zondag in de kerk hoorde en meezong en die je ook al een beetje oefende op de knapenvereniging als daar een bijbels onderwerp aan de orde was. Het was een soort Nederlands, zeker, maar het lag een stuk dichter bij de hemel.
Voor een taalgevoelig kind was er veel geheimzinnig en onbegrijpelijk in, een rijke bron van creatief misverstand. Maarten 't Hart geeft het voorbeeld dat de versregels "Ik zal mij buigen op Uw eis / Naar Uw paleis" hem steeds een gebogen, snel schaatsend figuurtje op weg naar de kerk voor ogen brachten. Zejf heb ik slechte herinneringen aan de regels "De Heer zal mij steeds gadeslaan / Hij kent mijn zitten en mijn staan". Niet alleen had zo'n alziend oog iets ongemakkelijks; ik wist, als beginnend kerkganger, ook niet goed het verschil tussen gadeslaan en gaten slaan.'
Van dit soort misverstane teksten uit oude vertalingen en berijmingen zijn legio voorbeelden meer te geven. Vorig jaar las ik er één van de hand van ds. J. het Lam (Wezep) in de Harderwijker kerkbode, waar ik dagen om heb moeten lachen. Er was in een dienst gezongen: Kom tot uw Heiland, toef langer niet. Eén van de jongeren dacht dat hij gezongen had: Kom tot je Heiland, maar het hoeft eigenlijk niet. Interessant en zeer herkenbaar is wat Nuis verder schrijft over de relatie die min of meer werd gelegd in het geschiedenisonderwijs tussen het volk Israël van de bijbel en het Nederland van de zestiende eeuw.
'Op de Prinses Beatrixschool werden ons de beginselen bijgebracht van twee soorten geschiedenis, vaderlandse en bijbelse, de ene wat heiliger dan de andere, net als de twee soorten Nederlands. Bij elke soort werd een eigen landkaart ontrold. De ene stelde de Nederlanden tijdens de Tachtigjarige Oorlog voor, de andere het oude Israël - het nieuwe bestond nog niet. De laatste kaart leek een gewijde versie van de eerste. Op beide kaarten zag je een ongeveer even groot land, met grillige oostgrenzen en dezelfde, licht welvende kustlijn in het westen. Alleen de Jordaan liep, zoals het een heilige rivier blijkbaar betaamde, de verkeerde kant uit, niet naar zee maar de woestijn in.
Misschien zou de gelijkenis niet zo zijn opgevallen als de grote verhalen die erbij hoorden geen overeenkomst hadden getoond. Maar dat deden ze wel. Er was sprake van een volk, dapper en godvrezend, dat door vreemde en goddeloze heersers wreed werd onderdrukt. Er was sprake van een prins die het onder het heersende bewind ver had gebracht, maar die geheel vrijwillig, zij het na een goddelijke vingerwijzing, de kant van de onderdrukten had gekozen. Na lange jaren (veertig, tachtig) van strijd en offers was de prins - althans zijn opvolgers, want zelf mocht hij het niet meer meemaken - er ten slotte in geslaagd het volk zijn eigen vrije land te bezorgen, waar het nog lang en gelukkig leefde, zolang het tenminste trouw bleef aan de bijzondere goddelijke leiding en haar speciale dienaren. Zodra het daarvan afweek, ging het meteen mis. Zo uitgesproken als hier werd de gelijkenis ons niet voogehouden. Rationeel leerden we de twee geschiedenissen, de heilige en de gewone, heel goed te onderscheiden, maar voor het gevoel en de verbeelding vloeiden zegemakkelijk in elkaar over. Het volk van Israël, in de tale Kanaans het volk van het
Oude Verbond genoemd, spiegelde daar het nieuwe verbondsvolk - de Nederlandse natie, althans voorzover die na de Reformatie op het rechte pad desgeloojs was gebleven. Veel later heb ik begrepen dat de parallel terugging op bewuste, zestiende-eeuwse oorlogspropaganda van de kant van de rebellen tegen Spanje, die diep in de taal was gaan zitten. Toen ik een jaar of tien was, wist ik dat niet. Het verband sprak vanzei/, het was een nauwelijks bewust onderdeel van een overzichtelijk wereldbeeld.
We leerden alles over de wakkere watergeuzen die op 1 april 1568 Den Briel hadden veroverd, maar niets over de martelaren van Gorkum, de priesters die een paar weken later door dezelfde wrede watergeuzen waren opgehangen. Daarvoor moest je op het katholieke schooltje naast het onze zijn. Op onze mentale wereldkaart lagen Nederlands- Indië, Zuid-Afrika en bepaalde streken van Noord-Amerika dichterbij dan België, al was het maar omdat je er ook gereformeerde kerken had. We hoorden en lazen over dappere zendelingen onder de woeste Bataks en Papoea's, over de aartsvaderlijke boeren die zich een eeuw geleden aan het juk van de Britse overheersers onttrokken en hun beloofde land op de Zoeloes bevochten, over de vrome Nederlandse landarbeiders die zich omwille van hetgeloo/in dezelfde tijd in de wouden van Michigan hadden gevestigd om er een nieuw bestaan inclusief kerken en scholen op te bouwen. Taal en rekenen zullen op alle Nederlandse scholen in die tijd wel ongeveer op dezelfde manier onderwezen zijn. Geschiedenis en aardrijkskunde niet.'
Nuis vindt dat de zuilencultuur in ons land er toe geleid heeft dat we daardoor geleerd hebben vreedzaam met elkaar om te gaan in dit kleine land. We hebben hier nooit Ierse toestanden gekregen en betrekkelijk weinig sociale onrust. Zuilen hielden elkaar in balans. Iedereen wist dat hij nooit de meerderheid kon behalen en daarom moest er wel onderhandeld worden over de verdeling van de macht. Maar voor Nuis is er een nog veel belangrijker oorzaak dat het er in 'zuilenland' zo vreedzaam aan toe ging: alle Nederlanders hadden veel meer met elkaar gemeen dat ze vermoedden.
'Hadden we beter kunnen heenkijken over de schuttingen die ons verdeeld hielden, dan zouden we tot onze verbazing hebben gemerkt dat het er aan de andere kant heel vertrouwd uitzag. Dezelfde ingetogen levens-
stijl, de huiselijkheid, de spaarzaamheid, de stroeve, urijmel nooit in uitbundigheid ontaardende omgangsvormen. Een tamelijk koel respect uoor vreemden dat samenhing met zelfrespect. Het ietivat houterige Jatsoen en het ontbreken van de zwierige arrogantie van een hofcultuur, ook in de betere kringen. De vanzelfsprekende aanvaarding van de rechtsstaat en de democratische zeden, alsof die hier altijd hadden bestaan. Een standsbesef dat weliswaar sterk was, maar zich veel subtieler uitte dan in omringende landen, en door buitenstaanders vaak onopgemerkt bleef.
Een taal die ons, als ons aller moedertaal, in alle nuances vertrouivd was, zodat we niet
alleen verstonden wat een ander zei, maar ook wat hij eigenlijk bedoelde, en vaak ook ivat zijn sociale, regionale en levensbeschouwelijke achtergrond was. Een taal met een brede en diepe literaire traditie, waaruit bovendien bleek dat we een beter oor hadden . uoor de volkeren om ons heen dan zij voor ons - o/voor elkaar. Een taal als een huis, niet alleen als een eventueel verwisselbaar communicatiemiddel.'
Ik denk dat Nuis gelijk heeft als zijn slotconclusie luidt dat de emancipatie van het Nederlandse volk zich via de zuilen voltrok, niet bij toverslag, maar het gebeurde wel. Echt helemaal nieuw is het niet wat hij te berde brengt. Concluderend valt over zijn boek te zeggen: hij laat aan de hand van wat hemzelf in zijn leven overkomen is (van gereformeerde jongen naar progressief D66'er) zien hoe ons land in de voorbije vijftig jaar is veranderd. Maar tegelijk is er ook de andere kant: Nederland is in wezen aan zichzelf gelijk gebleven.
J. Maasland
P.S. 1. Ons Erfüeei: www.onserfiieeI.be 2. Aad Nuis, Op zoek naar Nederland, uitg. Augustus, € 16, 95.
Soldariteit: zorg voor de arme en ontspoorde
Te midden van eigenbelang, zelfverwerkelijking en verrijking worden we geroepen zorg en aandacht te geven voor de ontspoorden, ontheemden en ontwortelden. Je kunt de kwaliteit van een samenleving afmeten aan haar zorg voor de zwakke. Dat betekent grondige studie en grondige antwoorden als het gaat om het migranten- en minderhedenbeleid. Met name als het gaat om de moslimminderheden zal elk gebrek aan bezinning en communicatie zich vroeg of laat tegen ons keren. In Europees verband moeten we niet alleen nadenken over criminaliteitsbestrijding, maar ook over de begeleiding van ontspoorde gezinnen en de opvang van jongeren ter voorkoming van misdaad. Samengevat: solidariteit als antwoord op een cultuur van egoïsme en geweld.
Soberheid
Soberheid is misschien daarbij nog het meest wezenlijke en gevoelige punt. Het profetische spreken betreffende de economisering van de samenleving is in het vorige artikel al uitvoeriger aan de orde geweest. Met deze punten bewegen we ons van de Tien Geboden naar de bergrede, waar Jezus het gebed, de aalmoezen en het vasten noemt (Matth. 6) als gestalten van het Koninkrijk van God. Het is riskant om de bergrede te lezen als een politiek of maatschappelijk programma. En je kunt en mag met een beroep op de bergrede Romeinen 13 niet terzijde stellen. De woorden van Jezus ontmaskeren echter wel de lijfspreuken van de (West-)Europese mens: 'méér' en 'mijn' en 'materie'.
Samenwerking
Het zoeken van de 'Bijbelse overwegingen', van norm en inspiratiebron voor het profetisch getuigenis in de politiek, doet critici verachtelijk spreken over 'getuigenispolitiek'. Ik vind die verachting volslagen onterecht. Mijn vraag is juist: hoe kan het profetischer en radicaler? We mogen de vragen van rijkdom en armoede, milieuen migrantenproblemen niet aan de anti-globalisten en de milieufanatici overlaten. Laten SGP en CU in Europees verband het voortouw nemen en de handen ineenslaan met zendingsorganisaties zoals de GZB en ook Hulp Oost-Europa en komen met een politiek manifest over de minderheden
in Europa, of over de armoede, waar de profeet Micha zich over zou verwonderen! Meer offensief dan defensief, meer missionair dan restaurerend! Maar er is méér nodig. De rol van het heidendom in de geestelijke geschiedenis van Europa moet dieper worden gepeild. De bespreking brengt me opnieuw tot het uitspreken van een verlangen: dat krachten worden gebundeld om in bijbels licht te doordenken wat er met Europa gebeurt, met name in het Westen. De werkelijke oorzaak en ook de gevolgen van de secularisatie die ik hier in Vlaardingen dagelijks aan de lijve ondervind, hebben we nog nauwelijks doordacht. We hebben de hulp hierbij nodig van broeders die als christenen op eenzame posten in de Europese samenleving en politiek hun sporen hebben verdiend, zoals de staf van IFED in Padua, Henri Blocher en Paul Wells in Frankrijk, Pablo Martinez in Spanje, Miroslav Volf en Peter Kuzmic in het voormalig Joegoslavië.
Conclusie
In de moderne tijd heeft Europa de betekenis van de vooruitgang ontdekt, en die van de vrijheid en gelijkwaardigheid, die van de humaniteit en van de
gerechtigheid. Maar terecht stelt de publicatie dat deze Europese waarden ontworteld zijn geraakt. Daarom heeft West-Europa een reveil nodig, een'terugkeer tot de wortels van het Evangelie, tot de profetische stemmen van Oude en Nieuwe Testament. Is Europa het werk van de Heilige Geest? Zonder de verkondiging van het Evangelie is het ontstaan van Europa ondenkbaar. Maar in een ontkerstend Europa zullen we het woord 'vooruitgang' opnieuw moeten leren spellen. Niet als ongebreidelde economische groei, maar als groei van het leven uit de verwachting van het Rijk Gods. Hetzelfde geldt voor de woorden 'vrijheid' en 'gelijkwaardigheid'. Die ligt niet in het beleven van individualisme en zelfbeschikking, maar in de terugkeer van de verloren vader! 'Humaniteit' zal pas bloeien als de afgod van het Zelf ontmaskerd is en we onze Schepper erkennen, die de hemel en de aarde gemaakt heeft.
N. M. Tramper, Vlaardingen
N.a.v. Ir. L. van der Waal e.a. Boodschap aan Europa. SGP-visie op de Europese Unie. Uitg. Guido de Brès-stichting, Den Haag; 185 blz.; € 12, 75 (ine. porto € 14, 63).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's