Utrecht. Leiden, Kampen
THEOLOGIE STUDEREN IN DE PKN [l]
Tot de vele vragen die sinds 1 mei op ons afkomen, behoort ook de vraag hoe het nu na het ontstaan van de PKN verder gaat met de bestaande opleidingen tot predikant. Ook de overgang die momenteel aan alle universiteiten en hogescholen plaatsvindt naar het Angelsaksische systeem van bachelor- en master-opleidingen, roept in dit verband vragen op. Wat verandert er eigenlijk en wat blijft er gelijk? Waar moet iemand op letten die binnenkort theologie wil gaan studeren, maar nog niet precies weet waar? Te denken valt aan jongeren die juist van de middelbare school afkomen, maar ook aan zogeheten 'late roepingen'.
In twee artikelen willen we op verzoek van de eindredacteur een beknopt overzicht proberen te geven van de huidige stand van zaken, en van wat in het verlengde daarvan aandachtspunten zijn voor een goede afweging. Het is natuurlijk best moeilijk om zoiets vol-strekt objectief te doen, zeker wanneer men zoals ondergetekende zelfbij de predikantsopleiding betrokken is; maar we zullen proberen zo eerlijk mogelijk recht te doen aan de overigens best complexe situatie zoals die momenteel voorligt. We schrijven deze artikelen met opzet ook juist in deze tijd van het jaar, waarin velen weer beslissingen nemen over een studie die ze vanaf september a.s. willen gaan volgen. Voor sommigen zal dat immers een studie theologie zijn. De vraag waar die studie eigenlijk het beste gevolgd kan worden, dringt zich dan natuurlijk meteen op.
Drie aangewezen instellingen
Ons uitgangspunt nemen we in een belangrijk besluit aangaande de predikantsopleidingen dat de triosynode indertijd heeft genomen, en waaraan men voor de toekomst nadrukkelijk wil vasthouden. Dat besluit houdt in dat de opleiding en vorming tot predikant binnen de PKN plaatsvindt aan of bij een drietal instellingen. In alfabetische volgorde zijn dit de Theologische Universiteit te Kampen, de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht (vgl. ord.i3-2-2a van de nieuwe kerkorde). Het betreffende besluit was, en is trouwens nog steeds, met name pijnlijk voor de theologische faculteiten van de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit en de Rijksuniversiteit Groningen. De daar gevestigde op-
leidingen mogen immers niet langer predikanten aanleveren voor de in de PKN verenigde kerken. De achtergrond van dit herstructureringsbesluit lag in een verzoek van de minister aan de betreffende kerken om het aantal predikantsopleidingen te beperken. Met name de Vrije Universiteit heeft zich overigens niet zomaar bij dit besluit neergelegd. Via een onlangs gesloten overeenkomst met de opleiding te Kampen wil men proberen een status te herwinnen die in de praktijk min of meer gelijkwaardig is aan die van de drie 'aangewezen' universiteiten. Nu moet gezegd worden dat de VU-opleiding kwalitatief niet onderdoet voor de andere opleidingen, terwijl de theologische wind die er momenteel waait opvallend genoeg heel wat opbouwender is dan in het tijdperk-Kuitert. Hoeveel begrip we echter ook voor de VU kunnen opbrengen, we moeten toch vaststellen dat de weg die de beide van huis uit gereformeerde opleidingen (VU en Kampen) nu uitgevonden hebben, in het licht van het genoemde besluit van de triosynode geen koninklijke, voluit kerkelijke weg is. Daarom raden we studenten niet aan deze weg te gaan, en beperken we ons in het onderstaande tot de door de kerk aangewezen instellingen en de kerkelijke opleidingen die daaraan verbonden zijn.
Vier kerkelijke opleidingen
Wat die kerkelijke opleidingen betreft: die vallen niet helemaal samen met de drie genoemde universiteiten. In Kampen is dat wel het geval, maar in Utrecht functioneren zowel de vanouds hervormde kerkelijke opleiding als het kleine Evangelisch Luthers Seminarium (ELS). De PKN heeft hier dus strikt genomen twee parallelle opleidingen onder haar verantwoordelijkheid. Daarnaast is er nog de vanouds hervormde opleiding te Leiden, die samen met die uit Utrecht het zogeheten Theologisch Wetenschappelijk Instituut vormt (ThWI, voorheen HTWI).
Voor al deze kerkelijke opleidingen geldt dat studenten uit het geheel van de PKN er welkom zijn. Er is dus geen noodzaak meer voor studenten uit de synodaal-gereformeerde kerken om in Kampen te gaan studeren, of voor hervormde studenten om hun keuze tot Leiden of Utrecht te beperken. Alle opleidingen krijgen in dit opzicht een 'gemengd' karakter, al laat zich aanzien dat de gegroeide tradities nog wel geruime tijd een duchtig woordje zullen blijven meespreken. In de praktijk zullen van huis uit gereformeerde studenten wel een zekere voorkeur blijven houden voor Kampen, lutherse voor Utrecht, en hervormde voor Leiden en Utrecht. Qua theologische 'ligging' en geestelijke sfeer zullen de betrokken instellingen daardoor vooralsnog waarschijnlijk weinig veranderen in vergelijking met de huidige situatie.
Verschil tussen simplex en duplex
Het bijzondere van de opleiding te Kampen in vergelijking met de overige is haar zogeheten simplex ordo-karakter. Dat houdt in dat alle theologische vakken, zeg maar van godsdienstwetenschap tot dogmatiek, bestudeerd worden in één doorgaande route onder verantwoordelijkheid van één en dezelfde instelling. De opleidingen in Leiden en Utrecht daarentegen kennen een duplex ordo-structuur. De vakken die de wetgever ooit voor 'neutraal' hield - de studie van OT en NT, kerkgeschiedenis, filosofie, andere godsdiensten, etc. - worden verzorgd door de betreffende staatsfaculteiten, terwijl niet-neutraal geachte vakken als dogmatiek, christelijke ethiek en praktische theologie in dezelfde lokalen door de kerk verzorgd worden (zij het overigens wel bekostigd door de overheid). Het zal duidelijk zijn dat binnen de duplex ordo een nauwe afstemming en goede samenwerking is vereist tussen een faculteit en de daaraan verbonden kerkelijke opleiding(en). In de praktijk schort het daar nog wel eens aan - in het verleden vooral in Leiden, momenteel juist in Utrecht. Gelukkig hebben studenten hier echter slechts zelden last van.
Wie aan een duplex ordo-opleiding studeert, dus in Leiden of Utrecht, zal in het algemeen pas in de tweede helft van de opleiding voluit te maken krijgen met de genoemde kerkelijke vakken. Voorwaarde om deze vakken te mogen volgen is namelijk, dat men de driejarige beginopleiding in de theologie, de zogeheten bachelor-opleiding, heeft voltooid, of in elk geval het grootste deel ervan. Niet verplicht, maar wel gewenst is daarnaast dat men ook dedaarop volgende éénjarige master-opleiding goeddeels heeft afgerond. Dan vormen de twee jaar waarin men zoals dat heet 'z'n kerkelijk doet' dus min of meer de afronding van de theologische studie. In de praktijk is het overigens wel mogelijk om reeds in de bachelor- en masteropleidingen voluit kennis te maken met kerkelijke disciplines en docenten, namelijk door door hen aangeboden keuzevakken te volgen.
Daarnaast is het natuurlijk zo dat wie in Leiden of Utrecht studeert, kan profiteren van de brede universitaire inbedding die de opleidingen daar hebben. Men kan er desgewenst bijvoorbeeld ook vakken volgen die door een andere faculteit verzorgd worden (en die tot op zekere hoogte ook laten 'meetellen'), en deelnemen aan christelijke studentenverenigingen met studenten uit allerlei faculteiten. Er heerst, kortom, een voluit academische atmosfeer.
Verschil tussen Leiden en Utrecht
De laatste jaren is er overigens ook enig verschil ontstaan tussen de staatsopleidingen te Utrecht en Leiden. De Utrechtse faculteit heeft zeer veel werk gemaakt van de verplichte overgang naar het nieuwe bachelormaster-systeem. In het kader daarvan is de traditionele disciplinaire indeling van de theologiestudie enigszins losgelaten: studenten volgen niet zozeer meer afzonderlijke vakken als Oude of Nieuwe Testament die als linten door het hele programma lopen, maar krijgen in eerste instantie vooral algemenere modules aangeboden. Deze luisteren naar namen als 'Christendom en theologie in mondiaal perspectief, ' 'Bijbel', 'Traditie en hermeneutiek', etc., en worden verzorgd door docenten uit diverse vakgebieden.
De gedachte is dat dit soort breed oriënterende vakken beter te volgen zijn voor studenten uit andere faculteiten, en zodoende bijdragen aan de gewenste 'ontschotting' tussen de diverse faculteiten. Daardoor (en doordat lang niet iedereen die theologie studeert uiteindelijk predikant wordt) staat het onderwijs in de klassieke talen er onder zekere druk. Van wie vanuit een andere faculteit een theologisch vak wil volgen, kan men immers niet vergen dat die eerst Grieks, Hebreeuws of Latijn leert. Op afzienbare termijn zal de theologische faculteit in Utrecht in het verlengde van de 'ontschotting' overigens zelfs geheel opgaan in een brede faculteit Geesteswe-
tenschappen. De Leidse faculteit heeft de afgelopen jaren een wat ander beleid gevolgd. Hier heeft: men bij de omschakeling naar de nieuwe bachelor-master-structuur het bestaande curriculum zoveel mogelijk intact gelaten. Daardoor behouden de afzonderlijke theologische vakken veel meer hun eigen profiel. Hoewel men ook in Utrecht echt nog wel een goede specialist kan worden in bijvoorbeeld het Oude Testament of de kerkgeschiedenis (mits men maar steeds zorgvuldig de juiste keuzes maakt), blijft het Leidse onderwijs daar meer van meet af aan op gericht. Ook wil men in Leiden niet inleveren op de studie van de grondtalen Grieks, Hebreeuws, en Latijn, omdat men daarmee de wetenschappelijke kwaliteit van de opleiding als geheel in gevaar ziet komen. Men kan er natuurlijk van mening over verschillen of dat inderdaad zo is (die discussie wordt momenteel weer met een zekere heftigheid gevoerd), maar zo kijkt men er in Leiden tot dusver in elk geval tegenaan.
Overigens bestaan er te Kampen en Utrecht ook officiële deeltijdopleidingen, met colleges resp. op donderdag en zaterdag. In Leiden is dat niet het geval, maar bestaat wel de mogelijkheid om hierover op persoonlijke maat gesneden afspraken te maken. Aan alle opleidingen zijn er dus ook mogelijkheden voor hen die hun studie willen of moeten combineren met een werkkring. De studie duurt dan uiteraard al met al wel een stuk langer, maar de praktijk heeft bewezen dat velen die voor een dergelijke route kiezen zo gemotiveerd zijn (en zozeer gesteund worden door hun eventuele achterban thuis, wat onmisbaar is!), dat ze het tot het eind toe vol kunnen houden.
In het tweede artikel willen we nog wat andere mogelijkheden bezien om de theologiestudie in te richten, en ook iets schrijven over hoe het gesteld is met de houding ten opzichte van en omgang met de Schrift aan de diverse opleidingen binnen de PKN. Ten slotte gaan we nog kort in op de problematiek van die hervormde theologiestudenten die als gevolg van hun positiekeuze in het SoW-debat buiten de PKN terecht dreigen te komen.
G. van den Brink, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's