Globaal bekken
U it het boek De Kaap: Goede halverwege Hoop Indiè' (uitgave Verloren, Hilversum; zie Boekbespreking) een fragment uit het eerste Nederlandse gedicht op de Kaap (J. J. Wissink):
Dat blijkt aan deze tocht, men doet vol Goede Hope De Kaap van Goede Hoop, als zonder zorgen aan, En schoon daar duizenden van menseneters lope: Zij eten slechts malkaar, wij zijn gereed tot slaan. Ik zie het ingewand der hoge bergen zoeken, Op hoop van puik metaal. Den Hottento uerbaast,
Die siddert ende lilt, ja schijnt de tijd te vloeken Omdat ons donderbus tot lof uan Holland raast. Men trekt te landwaarts in, doorsnuflend alle hoeken, Men i/indt een beter aard van mensen, stel u schrap. Manmoedig Neerlands volk, gij vindt door lang te zoeken, Gij hebt u 's Heren wens, dat's puik uan koopmanschap.
• Hier volgt uit hetzelfde boek ook een fragment, geschreven door 'een belezen thuisblijver' over de zeden van het volk zoals men die bij de ontdekking van de Kaap aantrof:
'Haarlieden eten is kruiden, vee, wild gedierte en uis. Alle gedierte eten zij met het ingewand met al op. De darmen alleen wat uitgeschut zonder wassen zoals het geslacht of geuonden is, eten zij rauw met nellen met al op. De Strandlopers omtrent de Tafelbaai, eten ook de stinkende azen der uissen, die zij bij gebrek uan de strand opzoeken: die welke van de zee opgeworpen worden, doordien zij niet en weten dat de levendige vissen te uangen zijn. Zij zuigen of drinken ende eten ook veel tabak en brandewijn zo zij die maar krijgen konnen, alwaar zij zeer graag naar zijn. Zij slapen in 't ueld met malkanderen, mannen en urouwen, met de benen al naar en over malkanderen om de warmte wil.
Wat haar kleding belangt, zo hebben zjj meest altemaal niet anders als een kleen welleken uoor haar schamelheid, omtrent een handbreed en pas een span langs en uoorders zijn ze geheel naakt, zo mannen als urouwen. Andere hebben een leren riem om haar middel, daar een gewilde i/osse- of kattensteert ofte diergelijke aan vast, voor haar schamelheid is nederhangende. Sommige hebben een mantel uan ossen-, herten-, bokken- of diergelijke wellen om het bovenlijf, met het haar naar binnen toegekeerd, die zij uoor onder de kinne toebinden en alzo als een mantel gerond zijnde tot aan de billen toe laten afhangen. Voor schoenen hebben zij twee dobbelde vellen ofte lappen van een huid en sommige berdekens onder de voeten gelijk de minnebroederszolen.' (...)
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's