De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van wie is een grafsteen?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van wie is een grafsteen?

KERK EN WERELD RECHTENS [3]

8 minuten leestijd

In de vorige bijdrage - over het burgerlijk en kerkelijk huwelijk - zagen we dat de opvattingen van de overheid en die van de kerk in het verleden min of meer parallel liepen, doch langzamerhand verder uiteenlopen. Thans besteden we aandacht aan een zaak waarbij niet van een botsing tussen kerk en staat sprake is, maar waarbij zich wel zeer onverwacht een tegenstelling openbaarde tussen de wereldlijke rechter en de opvattingen die onder veel kerkmensen - maar niet alléén onder hen - bestaan. Wij doelen nu op het verrassende antwoord dat de rechter (de Hoge Raad) heeft gegeven op de vraag wie verantwoordelijk is voor een grafkelder of grafmonument. Een zaak die ook van groot belang is voor alle beheerders van (onder andere kerkelijke) begraafplaatsen.

Men vraagt zich misschien af hoe deze zaak aan het rollen kwam. In 1989 werd de driejarige Angel op een begraafplaats getroffen door een steen, die omviel toen haar oma daar tegen leunde. Het grafteken was blijkbaar niet goed onderhouden en de vraag rees wie aansprakelijk gesteld moest worden voor de schade, de ziekenhuiskosten voor het kleinkind. Het voorval vond plaats in het westelijk deel van de provincie Noord-Brabant. Zodoende kwamen de ouders van het kind en de eigenaar van de begraafplaats bij de rechtbank van Breda terecht. Die oordeelde in 1993 dat de eigenaar van de begraafplaats eigenaar van de grond én het daarbij behorende grafteken was, en daarom - volgens het Burgerlijk Wetboek vóór 1992, artikel 1405 oud - aansprakelijk was voor de geleden schade.

Deze uitspraak oogstte veel onbegrip, eigenlijk bij iedereen maar natuurlijk het meest bij de eigenaar/beheerder van de begraafplaats én bij vele nabestaanden.

Eigen graf

Een van de wetten die daarop betrekking heeft, is de Wet op de lijkbezorging van 1991 (Wlb}. Grafrechten worden uitgegeven in de vorm van een eigen graf of een algemeen graf. Het eerste wordt door de wet (artikel 28) aangeduid als het 'uitsluitend recht op een graf'. De minimumduur van zo'n exclusief grafrecht is volgens de wet 20 jaar. Het recht kan na deze termijn voor telkens tien jaar worden verlengd.

Kenmerk van het eigen graf is dat de rechthebbende, dat is de persoon aan wie het grafrecht is verleend, een exclusief recht heeft tot het bijzetten van een lichaam.

Van deze exclusiviteit is geen sprake bij de tweede vorm; een algemeen graf. Dit is een plaats die bestemd is voor het begraven van lichamen van diverse personen. De wet geeft daarvoor geen regeling. In de praktijk vindt de uitgifte van een algemeen graf plaats voor een periode van 10 tot 20 jaar, waarna het geruimd wordt. Als de nabestaanden niet opteren voor herbegraving, in een ander graf op dezelfde of een andere begraafplaats, worden de resten overgebracht naar een verzamelgraf.

De eerste vorm van grafrechten noemt men, behalve eigen graf, ook wel gereserveerd graf, koopgraf of familiegraf. Een algemeen graf heet in de volksmond ook wel huurgraf. De Wlb is verder uitgewerkt in reglementen die door de beheerder van de begraafplaats worden vastgesteld. De Vereniging Nederlandse gemeenten heeft een modelreglement - eigenlijk algemene voorwaarden - voor gemeentelijke begraafplaatsen opgesteld. Ook de Hervormde Kerk heeft zo'n model voor hervormd-kerkelijke begraafplaatsen. Verder onderscheidt een begraafplaats zich niet van ieder ander erf en is het gewone burgerlijke recht van toepassing. De Wlb zwijgt over de eigendom van grafmonumenten. Wel wordt de onderhoudsplicht bij de rechthebbende van het grafrecht gelegd. De wet laat de mogelijkheid dat het onderhoud berust bij de beheerder, maar dit ziet op de veel voorkomende praktijk dat de beheerder het onderhoud tegen betaling door de rechthebbende overneemt. In de genoemde reglementen werd tot voor kort bepaald dat de graftekens eigendom waren van de rechthebbende van het grafrecht. Dat vond iedereen normaal. En dus ontstond er nogal wat opschudding over de hierboven genoemde uitspraak van de rechtbank Breda.

Onroerend goed

Het gebeuren in 1989 vond plaats op een rooms-katholieke begraafplaats. De Rooms-Katholieke Kerk stelde zich de vraag of ook hogere rechters de beslissing van de rechtbank Breda zouden goedkeuren. Men wilde een uitspraak van de Hoge Raad en ging daartoe een proefprocedure aan. In oktober 2002 deed de Hoge Raad uitspraak. Inmiddels was in 1992 het nieuwe Burgerlijk Wetboek van kracht geworden en gelden nieuwe wettelijke regels wat betreft de eigendom van onroerende zaken; dat zijn dwingende regels.

De Hoge Raad vindt dat de eigendom van graftekens, nu bijzondere (afwijkende) wetgeving op dit stuk ontbreekt, beoordeeld moet worden op grond van de in het Burgerlijk Wetboek opgenomen bepalingen inzake eigendom(sverkrijging). Bijzondere wetgeving, bijvoorbeeld de genoemde Wlb bepaalt niets omtrent de eigendom van graven; die kent alleen het recht om te begraven, het grafrecht. Die wet bepaalt evenmin iets omtrent de eigendom van op 'eigen graven' geplaatste graftekens. De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat een grafteken, dat op zichzelf een roerende zaak is, een onroerende zaak wordt, zodra deze op het graf is geplaatst. Volgens artikel 3:3 BW zijn onroerend: de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen (gewassen, bomen et.), alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Artikel 5:20 zegt dat de eigendom van de grond o.a. mede omvat: gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Men noemt dit onroerend door natrekking; het gebouw of werk is dan bestanddeel van de grond.

In deze benadering is het begrijpelijk dat de Hoge Raad concludeerde dat een grafteken een onroerende zaak is dat in eigendom toebehoort aan de eigenaar van de grond, de begraafplaats.

Verkeersopvatting

Dat de Hoge Raad deze redenering zou kunnen hanteren, wisten de procederende partijen al uit de uitspraak van de rechtbank Breda. Zij hadden uiteraard goede argumenten, die een andere conclusie zouden kunnen rechtvaardigen. Zij betwistten dat een grafkelder duurzaam met de grond is verenigd, aangezien een grafrecht wel lang maar niet 'eeuwig' kan duren en graftekens bovendien gemakkelijk kunnen worden verplaatst of weggenomen, omdat ze beperkt of in het geheel niet zijn gefundeerd. De Hoge Raad verwierp dit argument, omdat het recht op een 'eigen graf voor onbepaalde tijd kan worden gevestigd. Verder beriep men zich op punt 3:4 BW dat zegt dat al hetgeen volgens heersende verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel is van die zaak. Die verkeersopvatting, zoals neergelegd in het reglement ('graftekens zijn eigendom van de rechthebbende'), zouden de natrekkingsregel van artikel 5:20 en 3:3 doorbreken. Bovendien zouden, zo stelde men, de verkeersopvatting zich ertegen verzetten dat graftekens als duurzaam met de grond verenigd moeten worden beschouwd.

De Hoge Raad verwierp deze stellingen, omdat (1) de verkeersopvattingen niet kunnen worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is; noch voor de vraag aan wie de eigendom van een bepaalde zaak toekomt en (2) verkeersopvattingen alleen in aanmerking kunnen worden genomen bij het antwoord op de vraag of een object duurzaam met de grond verenigd is wanneer daarover onzekerheid bestaat; een grafteken heeft gezien aard en inrichting de voor ieder kenbare bedoeling en bestemming om een duurzaam herinneringsteken te zijn.

Bestanddeel van de grond

De Hoge Raad heeft de sinds 1992 geldende bepalingen toegepast en geïnterpreteerd. Onder het oude BW (vóór 1992) gold als maatstaf voor onroerend goed, voor zover een zaak niet uitdrukkelijk door wetsbepaling dit kenmerk kreeg, dat iets aard- en nagelvast met een erf (of met een gebouw) verbonden moest zijn (artikel 562 BW). Het gaat dan om zaken die niet zonder beschadiging losgemaakt kunnen worden van de grond of het gebouw. Sinds 1992 is het criterium dat de zaak 'duurzaam met de grond verenigd' moet zijn.

Het is een merkwaardige zaak dat door een subtiele wetswijziging allerlei zaken van roerend onroerend worden én daardoor van eigenaar verwisselen. Het grafrecht is door deze wijziging gaan behoren tot de eigendom van de grond. Het is bestanddeel van de grond. Eigenaar van het gedenkteken is derhalve de grondeigenaar. Dit betekent ook dat de grondeigenaar ex artikel 6:174 BW uit dien hoofde aansprakelijk is voor schade die derden lijden als gevolg van gebreken van het grafteken. In de regel zal de aansprakelijke grondeigenaar echter een regresrecht hebben op de rechthebbende op het 'eigen graf'. In de voorwaarden op grond van het reglement, die deel uitmaken van de rechtsverhouding tussen de begraafplaats en de rechthebbende, zal doorgaans zijn bepaald dat de verplichting tot onderhoud rust op de rechthebbende. Indien het gebrek dat heeft geleid tot schade is veroorzaakt door onvoldoende onderhoud, zal de eigenaar die aansprakelijk is gesteld zich vervolgens op de rechthebbende kunnen verhalen, omdat deze in gebreke is gebleven bij de nakoming van zijn onderhoudsverplichting. Dit geldt uiteraard niet als de begraafplaatshouder het onder-houd op zich genomen heeft. Ook op een ander punt kunnen de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad ondervangen worden. Bij het einde van het recht op het 'eigen graf' blijft het grafteken tot de eigendom van de grondeigenaar behoren. Partijen kunnen echter wel in de overeenkomst waarbij het grafrecht wordt gevestigd, bepalen dat de rechthebbende gerechtigd is bij het einde van het recht het gedenkteken weg te nemen.

Eindconclusie is dat de wetgever in 1992 en de Hoge Raad in 2002 er geen rekening mee hebben gehouden dat het voor het gevoel van nabestaanden onbegrijpelijk is dat een door hen op een 'eigen graf' geplaatste grafsteen eigendom van de begraafplaatseigenaar is. Gezien de uitleg en toepassing van de wet door de Hoge Raad kan de discrepantie tussen wat het recht zegt en het algemeen gevoelen van nabestaanden alleen worden opgeheven door de wetgever. Die zal een uitzondering op de natrekkingsregel moeten maken.

G. Holdijk, Apeldoorn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Van wie is een grafsteen?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's