De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

7 minuten leestijd

John Byl De ultieme uitdaging. Over God, mgterie, geest en getal. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen; blz.; € 29, 90. \\J. Kronenburg Episcopus Oecumenicus. Bouwstenen voor een theologie van het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk. Uitg. Meinema, Zoetermeer; 587 blz.; € 49.90.

John Byl De ultieme uitdaging. Over God, mgterie, geest en getal. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen; blz.; € 29, 90. \\

Boeken diejager (bijna) alles gaan, vertrouw ik nooft^erttygJgM meestal nergens echt over. F^ftèoek overffjod, materiè, geest en getal' dat ook nog eèïtS »a'fl' Amerikaanse herkomst leek, kon bij mij dan ook bij voorbaat op enige scepsis rekenen. Dat het door een christen geschreven was, veranderde daar niet veel aan: ik vermoedde dat het wel weer een fundamentalistische verdediging van het gelijk van de Bijbel a la Werner Keiler zou zijn, waarbij men in evangelicaal enthousiasme oppervlakkig over de problemen heenwalst. Ik moet mijn (voor)oordeel echter herzien. Weliswaar gaat dit boek inderdaad over heel veel grote vragen tegelijk, en gaat de schrijver m.i. hier en daar wat te kort door de bocht. Maar John Byl - hoogleraar wiskunde, overigens niet aan een Amerikaanse maar aan een Canadese universiteit - schrijft wel met veel kennis van zaken, en weet ingewikkelde thema's toegankelijk te maken, zonder ze te versimpelen. Hij blijkt overigens niet evangelisch te zijn, maar reformatorisch, en wel in de traditie van de indertijd zeer bekende Amerikaanse apologeet Cornelius van Til. Hij deelt ook wel enigszins diens sterke zwart-wit denken. Maar hij lijkt op een bepaalde manier toch wat bescheidener, zich bewust van het feit dat ook christenen de laatste antwoorden op de vragen waarvoor het heelal ons plaatst, niet zomaar kunnen geven.

Byls voornaamste doelstelling in dit boek is intussen te laten zien dat de belangrijkste niet-christelijke wereldbeschouwingen (het naturalisme en het postmodernisme) rationeel onverdedigbaar zijn, terwijl vanuit het christelijk geloof allerlei zaken wel op hun plaats vallen. Ik vind niet dat hij daar helemaal in slaagt, doordat hij (evenals Van Til indertijd) te sterk denkt vanuit uooronderstellingen van de diverse wereldbeschouwingen, en daaraan consequenties verbindt die de aanhangers ervan zelf vaak niet voor hun rekening nemen (zie bijv. p. 374). Hij zou sterker staan, als hij meer doorging op wat die aanhangers zelf zeggen i.p.v. hun opvattingen zo extreem mogelijk neer te zetten. Daarmee zou hij het zich natuurlijk ook moeilijker maken. Nu ademt het boek m.i. te veel vanzelfsprekendheid - alsof wie z'n verstand maar goed genoeg gebruikt, eigenlijk vanzelf wel bij het christendom uit moet komen. Terwijl daarvoor toch echt het licht van de Heilige Geest nodig is. Niettemin ben ik zoals gezegd wel van dit boek onder de indruk gekomen, en meen ik ook dat er veel uit te leren valt. De auteur beschikt nl. over grote kennis van wat er in de recente literatuur over geloof en wetenschap aan de orde is, en weet daar op allerlei onderdelen ook terzake uit te citeren en op te reageren. Daardoor komt men gaandeweg heel wat aan de weet over bijv. de stand van zaken in de kwantummechanica en in het neodarwinisme (elders discussieerde Byl met Michael Ruse, een van de grootste voorvechters daarvan), alsook in wijsgerige discussies over de verhouding tussen lichaam en geest, de vrije dan wel voorbepaalde wil van de mens, de aard van Gods voorwetenschap, etc. Opvallend is dat dit boek eerst in het Ne-

derlands is verschenen, en bij mijn weten nog altijd niet in het Engels, terwijl Byl het wel in het Engels schreef. De vertaler heeft over het algemeen goed leesbaar werk geleverd, maar een enkele keer gaat hij de mist in, bijvoorbeeld als hij op p. 371 'ontwikkelingstheologie' schrijft voor wat ongetwijfeld 'proces-theologie' moet zijn. We bevelen dit boek vooral aan aan (béta-)studenten en anderen die geïnteresseerd zijn in de vragen van geloof en wetenschap.

G. VAN DEN BRINK, WOERDEN

J. Kronenburg Episcopus Oecumenicus. Bouwstenen voor een theologie van het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk. Uitg. Meinema, Zoetermeer; 587 blz.; € 49.90.

Op 26 november jl. promoveerde de vroegere predikant van de Utrechtse Domkerk J. Kronenburg aan de theologische faculteit van Utrecht op het onderwerp Episcopus oecumenicus. Bouwstenen uoor de theologie uan het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk. Het thema is in de laatste tijd opnieuw aan de orde, met name in de nu tot stand gekomen Protestantse Kerk in Nederland. In de Gereformeerde Kerken is het vooral dr. M. Gosker, die zich uitspreekt voor het instellen van het bisschopsambt. In de Ned. Hervormde Kerk volgt Kronenburg nu haar spoor.

Bij Gosker zijn het vooral twee motieven die haar hiertoe brengen. Aan de ene kant de aansluiting bij de oecumene van de wereldkerk, die voor twee derde het bisschopsambt kent. Aan de andere kant gaat het haar om een tegenwicht te bieden tegen de devaluering van het ambt, die nu in de kerk is te constateren. Het ambt is zozeer gefiinctionaliseerd dat het zijn geestelijk en kerkelijk gezag aan het verliezen is. Iets wat vooral daarin naar voren komt, dat men met het grootste gemak het ambt neerlegt wanneer het vaak om pragmatische redenen moeilijk wordt om het te combineren met andere zaken. Daartegen een dam opwerpen, theologisch en praktisch, daar is veel voor te zeggen. Maar of het streven naar het bisschopsambt dan de juiste remedie biedt, komt bij mij minder overtuigend over.

Bij Kronenburg zijn het ook concrete motieven die hem de ogen hebben geopend voor de waarde en noodzakelijkheid van de bisschop. Hij noemt er vier: een pastoraal, ecclesiologisch, oecumenisch en cultureel motief. Met name het eerste motief maakt hij heel concreet. Uit eigen ervaring weet hij, hoe hij in een moeilijke periode van zijn loopbaan verlegen was om een pastorale begeleiding van iemand die het geestelijk en kerkelijk gezag droeg, waaraan hij houvast kon vinden.

Opmerkelijk is dat Kronenburg vooral teruggrijpt op de Vroege kerk, de 'ecclesia primitiva'. Daarmee bedoelt hij niet de kerk zoals zij in het Nieuwe Testament al voorkomt, maar de kerk van de eerste eeuwen daarna. Daarbij staan Ignatius van Antiochië, Irenaeus van Lyon en Cyprianus van Cathago model. Toen waren de bis-, schoppen nog niet de pompeuze kerkvorsten van later, maar de charismatische leiders, bij wie hun werk voor de kerk soms gepaard ging met lijden en sterven voor de kerk. Door daarop terug te grijpen bouwt Kronenburg een interne kritiek in op het empirische bisschopsambt, zoals dit met name in de kerk van Rome gestalte krijgt. Het gaat hem om een vernieuwing van het bisschopsambt, dat niet van bovenaf aan de kerk wordt opgelegd, maar uit de kerk zelf opkomt en daaraan zijn gezag ontleent. Belangrijk is echter de vraag, in hoeverre de Schrift deze weg naar het bisschopsambt opent. Dat hier een zwakke plek in zijn studie te constateren is, voelt Kronenburg zelf aan, als hij (pas) in zijn systematische bezinning aan de vraag toekomt: 'Waar blijft Gods Woord? ' Daar wijdt hij dan vijf bladzijden aan. Dat zegt wel iets. Blijkbaar zijn de Schriftgegevens voor hem niet grondleggend. Ze zijn zelfs minimaal verwerkt, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat bevredigt niet, mij althans niet.

Het is echter wel vanuit Kronenburgs hermeneutische methode te verklaren. Bij hem gaat het niet om de reformatorische grondpositie van het sola scriptura, alleen de Schrift. Hij erkent dat 'het bisschopsambt (min of meer toevallig) historisch is gegroeid, het laat zich niet exegetisch funderen'. (474) Voor Kronenburg is dit echter niet doorslaggevend. Zijn uitgangspositie wordt gevormd door wat hij noemt de 'normendriehoek' voor het kerkzijn: de Schrift, de geloofsregel (belijdenistraditie) en het ambt van de bisschop. Die drie 'in hun onderlinge samenhang'.

Het ligt voor de hand dat het hem niet zo gemakkelijk valt om deze structuur in te passen in de bestaande presbyteriale kerk van de Reformatie. Kronenburg probeert daarvoor wel handreikingen te doen, geconcretiseerd in een overzicht van vier ordinatieliturgieën van buitenlandse kerken. Hij ziet het dus al concreet voor zich, hoe het zou kunnen.

Feit is dat onze Protestantse Kerk steeds meer, wat men noemt, top-down wordt gestructureerd, niet alleen ambtelijk maar ook in de praktijk van het kerkelijke handelen. Of dat een tendens aangeeft in de richting van de bisschop? In ieder geval zijn de reacties daarop op het grondvlak van de kerk niet onverdeeld positief. En als ik eerlijk ben: mede door deze ervaring herken ik het verlangen van Kronenburg niet bij mezelf. Wel verlang ik naar een bijbelse herbezinning van wat het ambt in de kerk betekent en zou moeten en kunnen betekenen.

C. Graafland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's