De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Functioneren in de praktijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Functioneren in de praktijk

De kerkelijk werker [II]

9 minuten leestijd

DE KERKELIJK WERKER [II]

Landelijk onderzoek onder kerkelijk werkers

In het voorjaar van 2003 heb ik in het kader van mijn afstudeerproject en in samenwerking met de Christelijke Hogeschool Ede een groot onderzoek uitgevoerd onder kerkelijk werkers in de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland. De enquête is verzonden aan 655 adressen. Deze waren aangeleverd door het LDC van de SoW-kerken. Dit betreft alle kerkelijk werkers die als zodanig stonden ingeschreven in het Register voor Kerkelijk Werkers per 1 januari 2003. De respons bedroeg in totaal 359. Dit is bijna 55% van de verstuurde enquêteformulieren. We spreken dus over een representatief onderzoek. Lang niet iedereen die in het register staat ingeschreven, is ook werkzaam als kerkelijk werker. Dit geldt voor veertig procent. Evenveel mensen zijn werkzaam bij een aan de kerk gelieerde organisatie. Daarnaast is een vrij groot aantal ingeschrevenen werkzaam in de zorgsector. Een minderheid is werkzaam in een gemeente van orthodoxe signatuur - zo'n twintig procent.

Voldoening

Uit de enquête blijkt zeker niet een ongunstig beeld van de situatie van de kerkelijk werkers. De uitkomsten geven aan dat we hier te maken hebben met een beroepsgroep die een grote mate van voldoening ervaart in het werk. De kerkelijk werkers zijn voor een belangrijk deel tevreden over het uitkomen van hun verwachtingen. Tegelijkertijd stel ik vast dat de situatie (nog) verre van ideaal is. Bijna de helft van de kerkelijk werkers ziet in de kerk niet voldoende toekomstige ontplooiingsmogelijkheden en bijna veertig procent vindt dat de gemeente op het terrein van de arbeidsvoorwaarden geen goede werkgever is. Als de kerkelijk werker in teamverband samenwerkt met de kerkenraad, blijkt dit een zeer positieve invloed op zijn functioneren te hebben. Hoe beter de samenwerking met de kerkenraad, des te beter de waardering die de kerkelijk werker ervaart. Kennelijk ook, des te beter functioneert de kerkelijk werker in de praktijk. De samenwerking met de kerkenraad is een belangrijke voorwaarde voor een goed functioneren in de gemeente. Dan is het wel een punt van zorg dat niet meer dan ruim vijftig procent van de kerkelijk werkers positief gestemd is over de samenwerking met de kerkenraad.

Predikant

Belangrijk is daarnaast hoe de kwaliteit van de relatie met de predikant is. Ervaart de kerkelijk werker de relatie met de predikant als collegiaal? Als de relatie met de predikant goed is, wordt de specifieke deskundigheid van de kerkelijk werker beter gebruikt en gewaardeerd. De kerkelijk werker ervaart dan dat hij meer gelijkwaardig aan de predikant functioneert.

De betekenis van de relatie met de predikant strekt zich echter verder uit. Zij heeft invloed op de relatie met de gemeente. Die onderkent de kwaliteiten van de kerkelijk werker eerder bij een goede relatie. Uit de enquête blijkt dat de relatie met de predikant grote invloed heeft op de mate waarin de kerkelijk werker tevreden is met zijn werk en met zijn ontplooiingsmogelijkheden. Bijna zeventig procent van de kerkelijk werkers ervaart de relatie met de predikant als collegiaal en dus ruim dertig procent niet.

Kerkelijk ambt en bediening

Een van de stellingen betreft de vraag of de kerkelijk werker het als een beperking ervaart dat hij geen kerkelijk ambt vervult. Er is een positieve relatie met de beantwoording van diverse andere stellingen. Het komt erop neer dat hoe meer deze beperking wordt ervaren, des te meer men zichzelf ziet als de klusjesman/vrouw van de kerkenraad en des te eerder men zelfstandig wil werkzaam zijn in een gemeente. De beperking wordt ook ervaren in het ontbreken van de preekbevoegdheid.

De kerkorde biedt de mogelijkheid dat de kerkelijk werker in een bediening wordt gesteld. We kunnen uit de enquête concluderen dat het in een bediening gesteld worden een belangrijk facet is van de positie en het functioneren van de kerkelijk werker. Degenen die formeel in een bediening zijn gesteld, ervaren minder de beperking van het niet staan in een kerkelijk ambt dan degenen die niet in een bediening zijn gesteld. Dit zou erop kunnen duiden dat het in een bediening gesteld worden, functioneert als een pseudo-ambtsbevestiging. Tenminste geven de uitkomsten de indruk dat het in een bediening gesteld worden de kerkelijk werker een officiële status verschaft, die zijn functioneren en zijn welbevinden ten goede komen.

Een van de stellingen heeft betrekking op de preekbevoegdheid. Het niet hebben daarvan betekent voor een groot deel van de respondenten dat zij worden beperkt in hun functioneren. Het instituut van het preekconsent lijkt niet te voldoen. Van de kerkelijk werkers gaat bijna tachtig procent voor in diensten, terwijl 35 procent over een preekconsent beschikt. Te meer zijn de cijfers opvallend, omdat slechts ruim 25 procent werkt in een gemeente zonder predikant.

Bijdrage aan het gemeenteleven

'De beantwoording van de stellingen geeft de indruk dat de samenwerking tussen kerkelijk werker enerzijds en predikant en kerkenraad anderzijds nog verbeterd kan worden. In gemeenten waar een predikant werk-

zaam is, werkt de kerkelijk werker lang niet altijd met hem samen. Het in een bediening gesteld worden geeft de kerkelijk werker een formele erkenning binnen de gemeente. Ik heb de indruk dat dit het functioneren ten goede komt. Dat ruim 25 procent niet formeel in een bediening is gesteld, is een opvallend verschil met ambtsdragers. Dit duidt wellicht op een onderwaardering van de kerkelijk werker of van het instituut van de bediening.

Opvallend zijn enige andere uitkomsten. Ruim twaalf procent heeft geen functiebeschrijving of werkinstructie. Dit roept de vraag op hoe men dan tot een verantwoorde beoordeling van het functioneren van de kerkelijk werker kan komen. Kennelijk gebeurt dit op basis van mondelinge afspraken. Nog hoger is het percentage, 33 procent, van de kerkelijk werkers dat niet periodiek met de kerkenraad de werkzaamheden bespreekt. De vraag dringt zich op hoe de kerkenraad als werkgever dan zijn verantwoordelijkheid als werkgever kan waarmaken. Een begeleidingscommissie kan met oog op de voortgaande professionalisering van de kerkelijk werker heel positief zijn. Toch ontbreekt deze in ruim 65 procent van de gevallen.

Een dikke veertig procent van de kerkelijk werkers heeft een taak op het gebied van beleidsadvisering van de kerkenraad. Dit duidt op een behoorlijke waardering voor het opleidings- en ervaringsniveau van de kerkelijk werker. Tegelijkertijd constateer ik dat dit percentage ook hoger zou kunnen zijn. Er leeft bij predikanten en kerkenraad kennelijk nog wel eens het idee dat zij er zijn voor het beleid en de kerkelijk werker er is voor de uitvoering. Dit duidt op een onderwaardering van het opleidingsniveau van de kerkelijk werker - namelijk het hbo-niveau.

Verbetering algehele situatie

Als ik mijn onderzoek vergelijk met onderzoeken uit de jaren negentig, dan constateer ik een verbetering. Uit mijn enquête blijkt dat in de praktijk een goede samenwerking mogelijk is tussen predikant, ouderlingen, diakenen, vrijwilligers en kerkelijk werker. Daarbij is de ervaring dat een taakverdeling tussen predikant en kerkelijk werker op de terreinen van vorming, toerusting en gemeenteopbouw heel goed mogelijk is vanwege de gespecialiseerde opleiding van de kerkelijk werker. Tevens blijkt dat de kerkelijk werker taken die traditioneel behoren tot het werkterrein van de predikant tot tevredenheid van kerkenraad en gemeente kan uitvoeren. Dit betreft onder meer pastoraat, evangelisatie, catechese - en zelfs voorgaan in kerkdiensten.

De kerkelijk werker is onder de hervormde en de protestantse kerkorde geen ambtsdrager. Uit de waardering in de praktijk voor de kerkelijk werker kan de conclusie getrokken worden dat hij bepaalde taken even goed of soms zelfs beter dan de predikant kan uitvoeren. De kerkelijk werker doet het werk van een ambtsdrager, zonder ambtsdrager te zijn. Hij doet soms het werk van een predikant, zonder predikant te zijn. Eigenlijk is het niet goed uit te leggen naar de gemeente toe dat een kerkelijk werker het werk van een ambtsdrager doet, zonder die verantwoordelijkheid te hebben. En in het onderscheid met een predikant is het niet goed uit te leggen dat van deze twee beroepskrachten de ene een ambtsdrager is en de andere een werknemer, waarbij er sprake is van een groot verschil in bevoegdheden. Dit leidt onwillekeurig tot het stellen van de vraag wat het bijzondere is van het bijzondere ambt.

De huidige situatie waarin de kerkelijk werker als vervanger en/of collega van de predikant optreedt, stimuleert de ontwikkeling van de functionele benadering. Deze houdt kort gezegd in dat de kerk wordt gezien als elke andere organisatie, waarbij het werk dat er is te doen wordt verdeeld over functies en banen.

Het bijzondere ambt wordt in deze benadering tot een functie. Een predikant is een soort werknemer, een ambtstaak is een variant van een vrijwilligers taak en de ambtsdrager is een officiële vrijwilliger. Als deze trend doorzet, kan de situatie ontstaan dat het onderscheid ambtsdrager/nietambtsdrager een achterhaalde zaak wordt, zo niet formeel dan toch zeker in de praktijk. Dan ziet de kerk het predikantschap als een beroep zoals iemand agrariër of accountant kan zijn. De omstandigheid dat predikant en kerkelijk werker in hoge mate dezelfde werkzaamheden verrichten terwijl de een wel en de ander niet een ambtsdrager is, versterkt de functionele benadering.

Preekconsent onbevredigend

De regeling van het preekconsent in de Gereformeerde Kerken is in de kerkorde van de Protestantse Kerk gecontinueerd. In de praktijk voldoet deze regeling niet. Dit blijkt uit mijn onderzoek. De protestantse kerkorde biedt nauwelijks een structurele verbetering ten opzichte van de kerkorden van NHK en GKN. Formeel kan alleen in uitzonderingssituaties een kerkelijk werker preekconsent krijgen. Dit terwijl de behoefte aan vervuilers van preekbeurten aan de zijde van de gemeenten het aanbod van predikanten en bevoegde kerkelijk werkers verre lijkt te overtreffen. Een kerkelijk werker met preekconsent is bovendien geen gewenste situatie, omdat hij de ambtelijke positie en bevoegdheden van de predikant mist.

De enquête geeft sterk de indruk dat typerend voor de kerkelijke praktijk van de SoW-kerken is dat velen doen wat goed is in eigen oog. In tal van situaties gaat een niet-bevoegde kerkelijk werker voor in een dienst. De kerkordelijke bepalingen worden veelvuldig overtreden. Deels heeft dit te maken met de tijdgeest. Een kenmerk van onze tijd is de ongebondenheid aan formele voorschriften en regels. Toch is dit slechts één kant van de zaak. Kerkenraden hebben de verantwoordelijkheid te voorzien in een voorganger in een dienst. Als men geen predikant kan krijgen, wil men niet kiezen voor preeklezen maar vraagt men een kerkelijk werker.

H. A. POST, VEENENDAAL

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 2004

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Functioneren in de praktijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 2004

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's