Jezus ziet een mens
En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte aj. Johannes 9:1
Een bedelaar moet het van de voorbijgangers hebben. Maar helaas, de meesten gaan voorbij, zonder een hand uit te steken. Het zou in Israël niet nodig moeten zijn dat blinden en mensen met een andere handicap, de bedelhand moesten ophouden. De HEERE, de God van Israël, heeft immers nadrukkelijk geboden dat in Zijn volk de gehandicapte geen tweederangs plaats zou hebben. De dove, de blinde, de kreupele, zij worden allen beschermd door Zijn sociale geboden: 'Gij zult de dove niet vloeken en voor de blinde geen aanstoot zetten, maar gij zult voor uw God vrezen; Ik ben de HEERE!' (Leviticus 19)
In onze tijd en in ons land is het eigenlijk nog net zo. Niet dat mensen met een handicap aan de bedelstaf vervallen zijn, maar hoe vaak moeten zij de hand niet ophouden? Worden van het ene loket naar het andere doorverwezen en hebben soms het gevoel, zoals iemand mij eens vertelde: 'Mijn handicap wordt nog wel gezien, maar wie ziet mij? '
De discipelen van de Heere Jezus zien een man op hun weg, die blind is van zijn geboorte af. Zij zien de man zelf eigenlijk niet. Zij zien een theologisch kwestie: de vraag waar Farizeën destijds graag over discussieerden: 'Wie heeft er gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren zou worden? ' En dan is het ook nog zo dat zij niet mét hem spreken. Nee zij praten óver hem.
Calvijn zegt het prachtig en zeer duidelijk: 'Als mijn broeder tegenspoed treft, zie ik daarin spoedig een oordeel Gods, maar als God mij met een zwaardere roede slaat, zie ik mijn zonden door de vingers'. De reformator bedoelt te zeggen: die vraag mag je niet stellen. Dat zal ook Jezus straks ten antwoord geven. De vraag is, in de ontmoeting met een medemens, die lijdt: Waarom kreeg ik geen zwaarder kruis? De ander is nooit groter zondaar dan ikzelf.
Daarom concludeert Calvijn terecht drie dingen. Ten eerste: Je moet eerst naar jezelf kijken. Ten tweede: Je eigen zonden niet verkleinen, door die van anderen te vergroten. En ten derde: Niet ieder kruis is een straf. De sterkste mensen oefent God, door hen een kruis te geven.
Niet alleen de discipelen zijn voorbijgangers, die geen hand uitsteken naar de blinde man. De buren zijn niet anders. Als hij straks genezen thuis komt, komen zij niet verder dan de discussie of het wel werkelijk dezelfde man is. Als hij dan dankbaar vertelt hoe Christus hem de ogen opende, weten zij niet beter te doen dan hem naar de Farizeën te brengen. In plaats van met de man blij en dankbaar te zijn, zijn zij zeer achterdochtig! En kwetsen zij de man, door het wonder te ontkennen.
Zelfs de ouders van de man zijn ook voorbijgangers. Zij nemen het niet op voor hun zoon en zijn Redder, maar verschuilen zich op de achtergrond en laten hun kind alleen staan.
De vrome Farizeën zijn nog erger! Ook zij lopen voorbij zonder een hand uit te steken. Wat nog erger is, zij geven de man en Zijn Weldoener, een trap na: 'Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hem uit.'( Joh. 9: 34) Met een banvloek wordt de man uitgesloten uit de gemeenschap. Erger kan het niet. Rechtlijnige vergeldingsleer kan mensen geestelijk verpletteren.
Van Jezus staat in onze tekst echter heel nadrukkelijk dat Hij de man zag. Er staat zelfs niet dat hij de blinde zag. Nee, 'een mens', staat er, 'blind van zijn geboorte af'. Christus ziet eerst de man zelf en dan zijn handicap. Ieder mens is voor Hem uniek. Geen geval, maar een persoon. Een mens op weg naar de eeuwigheid. De anderen die de blinde man tegenkomt, hebben over hem gepraat en hem toen bekeken. Jezus heeft hem eerst gezien en toen met hem gesproken.
God gaf de mens ook twee ogen, twee oren en één mond. Als die organen functioneren, moeten wij die ook in die verhouding gebruiken. Wat is dat zien van Jezus? Hij ziet mensen, zoals een moeder haar kind ziet, vol liefde en hulpvaardigheid. Hij ziet ons mensen in onze reddeloosheid en verlorenheid. Zijn blik is reddende en verlossend.
Jezus antwoordt zijn discipelen nu zo dat zij moeten voelen: Die vraag hadden wij niet mogen stellen. Wij hadden moeten vragen: 'Meester, wilt U zich over deze man ontfermen? Wilt U de werken van God ook aan hem doen? ' Niemand is gebaad bij eindeloze vrome discussies, maar voorbede is tot zegen. Het is de roeping van de gemeente van de Heere Jezus Christus ook in deze tijd hen die lijden, te dragen in de voorbede. Niemand buiten sluiten, maar samen op de knieën. Na Pinksteren heeft Petrus het ook beter begrepen. Dan loopt hij met Johannes naar de tempel en ziet een kreupele bedelaar. 'En', staat er dan, 'Petrus sterk op hem ziende, zeide...Wat ik heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus, sta op en wandel! En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op.'( Hand. 3: 6 en 7) Dat heeft Petrus van de Meester mogen leren. Een gemeente die leven mag van het kruis van haar Heere, ziet om naar elkaar. En ziet juist hen die met een handicap, een kruis, door het leven moeten gaan.
Wat die liefdevolle Zaligmaker met hem doet, kan de man het best zelf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 2004
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 2004
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's