In een intellectueel ambt staan
De competentie van de dominee [3]
DE COMPETENTIE VAN DE DOMINEE [3]
Er moet dus oprechte aandacht voor de mens zijn. Een predikant kan niet goed functioneren wanneer hij die interesse onvoldoende ontwikkeld heeft. Het gaat niet alleen om het geloof als belijdenis, maar ook om de gestalte van het geloof in een mensenleven. En wie geen belang stelt in mensen, kan onmogelijk belang stellen in het geloof van mensen. Die menselijke factor maakt het beroep boeiend, maar ook zeer vermoeiend.
Sta me toe dat we kijken naar de rol van de persoon in het predikantschap. We zitten in een beroep waar het voortdurend aankomt op interactie en communicatie. Daarvoor is een redelijk ontwikkelde persoonlijkheid van belang. Laten we echter niet de gedachte koesteren dat het predikantschap alleen bekleed zou kunnen worden door 'ideale personen'. Dan staan we naast de werkelijkheid en negeren we de principiële en onontkoombare gebrokenheid van het bestaan. Ook predikanten worstelen met hun eenzijdigheden, met hun moeilijke kanten, met hun valkuilen waar ze altijd weer intrappen, met hun frustraties. Wie niet? Er lopen allerlei breuklijnen door het leven en die breuklijnen kunnen ons in ons werk opbreken.
Voortgang
Het gaat me ook niet om de aanvankelijke geschiktheid die nodig is om predikant te kunnen worden. Het gaat me nu in feite om de doorgroei in het predikantschap. En dan niet alleen de ontwikkeling die jonge predikanten in hun eerste gemeente doormaken, maar vooral ook de verdere voortgang. We maken een gang door het leven, is het niet? Ik wil niet beweren dat er altijd sprake is van vooruitgang, maar wel van voortgang. We komen voortdurend voor nieuwe situaties te staan. Dat komt bijvoorbeeld door de context waarin we werken, door de voortgang van de cultuur waarin we ons bevinden, door de mensen die ons pad kruisen. Dat zijn de externe factoren van ons werk.
Maar er is meer: de gang van ons eigen leven. Onze zegeningen en onze tegenslagen, ons verlangen en ons verdriet. Alle dingen die ons dicht op de huid zitten, onze gezinnen, onze families, ons sociale netwerk. Die existentiële kant van het leven is mede van invloed op de ontwikkeling van onze persoonlijkheid, én, als het goed is, speelt dat ook mee in onze theologische bezinning. We zijn als mens ook voortdurend in wording en in elke fase van ons leven zijn we ook de mens die we geworden zijn. Uit de ontwikkelingspsychologie weten we hoe bepalend de eerste jaren van een mens al zijn voor de ontwikkeling van de eigen identiteit. Afhankelijkheid en onafhankelijkheid, geborgenheid en verlatenheid, we leren het al in een heel pril stadium van het leven. Meer en meer worden we ons bewust dat het psychische leven van een mens vooral ook een psycho-sociaal leven is: in de sociale interactie vormt zich het menselijke zelf. Welnu, dat geldt natuurlijk ook voor predikanten. Mijn vraag is: kunnen we ook zo naar onze persoonlijke en theologische identiteit kijken? Niet als een vorm van navelstaren, maar om te zien of we wel in beweging zijn. Maken we ook nog ontwikkelingen door?
Kunnen we nog op uitdagingen ingaan? Laten we ons nog verrassen? Zijn we nog druk in de weer om zicht te krijgen op het heil en op het leven? Of weten we het allemaal al wel en bergen we alles wat we tegenkomen, snel op in voorgeprogrammeerde laatjes van ons bureau?
Contact met mensen
Voortgang is niet alleen een kwestie van theologie, maar ook van professionaliteit. Als de persoonlijkheid zo'n belangrijke rol speelt, dan moet ik ook in staat zijn om op mijn eigen functioneren te reflecteren. Dat reflexieve vermogen is een belangrijke competentie-eis. Het is van belang om zo nu en dan een zwakte-sterkte analyse te maken van je eigen biografische ontwikkeling. Ik noem enkele punten.
Wat gebeurt er op betrekkingsniveau als ik met mensen in contact treed? Ik moet daar onbevooroordeeld in kunnen stappen. Met een professionele distantie dus. Ik moet om kunnen gaan met mensen die kritiek op de kerk hebben, zonder dat ik zelf onmiddellijk partij word. Ik ontmoet mensen die hun geloof zijn kwijtgeraakt of mensen die er nauwelijks antenne voor hebben. Maar ook spreek ik met mensen die genade ondervinden in hun leven; die de vreugde en de aanvechting van het geloof kennen. Maar steeds zit ik zeifin het gesprek. Ook met mijn eigen opvattingen en emoties. Professionaliteit betekent niet dat we geen kleur zouden mogen bekennen. Integendeel! Maar we moeten het wel kunnen hanteren. Voorwaarde voor een communicatieve competentie is een reflexief vermogen. Dat slaat zowel op de theologische component als op het interactieproces. Daarin ontwikkelen we een stukje professionaliteit. Waar het eigenlijk ook steeds om gaat, is dit: schat ik de situatie goed in? Gaat het in het domineeswerk eigenlijk niet om het vermogen van de goede waarneming} Het gaat om een gezond realiteitsbewustzijn. Predikanten komen meestal in de problemen, als ze situaties niet juist beoordelen. En als je in een conflict betrokken raakt, is dat ook heel moeilijk. Wijze raad neem je dan vaak niet meer aan. Je verdenkt anderen van kwaadwilligheid. Vijandsbeelden zijn zo ontworpen, ook in de bredere kerkelijke verbanden. En als de eigen emotionaliteit toeneemt, kun je de dingen meestal niet meer in proportie zien.
De theologische competentie
De kerk heeft altijd een academische opleiding gevraagd. Het is evident dat de literaire studies daarin steeds een belangrijke rol gespeeld hebben. De klassieke talen als ingangseis hebben daar zeker aan bijgedragen. Toch ging het, ook in het verleden, echt niet alleen om een literaire competentie. De wijsgerige en systematische competentie heeft evenzeer bijgedragen aan de academische theologiebeoefening. Klassieke theologie aan de openbare universiteiten heeft voortdurend een godsdienstwetenschappelijke achtergrond gehad, waarbij godsdienstwijsbegeerte en godsdienstwetenschap als grondslag golden. Eigenlijk het paradigma van Schleiermacher! Andere aangewezen protestantse instellingen, de beide instellingen in Kampen en die in Apeldoorn, hadden deze structuur niet. Godsdienstwijsbegeerte en godsdienstwetenschap spelen daar een marginale rol. Als we het hebben over klassieke theologie, dan maakt het nogal verschil vanuit welke achtergrond we daarover spreken.
Waar het me nu echter om gaat, is dit: koesteren we als kerk en als gemeente nog wel de academische competentie? Of zijn we feitelijk tevreden met een professionele beroepsvorming? Of nog sterker: verlangen we heimelijk slechts praktische vaardigheden? Bij een academische competentie speelt het vermogen tot theoretische reflectie een belangrijke rol. Het onderscheid met het hoger beroepsonderwijs (hbo) kan verhelderend zijn. In de academische setting gaat het om de zelfstandige en beredeneerde oordeelsvorming. Natuurlijk gaat het ook in een academische setting om de ontwikkeling van beroepsvaardigheden, maar dat is niet het primaire doel. De beroepsvaardigheden staan in het kader van de academische vaardigheid van de zelfstandige theoretische doordenking. Wie geen zin in theoretische kennis heeft, hoort eigenlijk niet thuis op een universiteit. In het hbo ligt dat anders. Daar krijgt men inderdaad veel meer praktische training en toerusting met het oog op een concrete praktijk. De professionele inoefening speelt een grote rol. Hoe doe ik het? Hoe doe ik het zo adequaat mogelijk?
Blijven theologiseren
De vraag die ik zou willen stellen, is deze: is er onder ons wel een academisch klimaat? Hebben gemeenten en kerkenraden wel oog voor de academische professionaliteit? Of is het in feite zo dat er in feite een hbo-isering plaatsvindt? Ik heb begrip voor de vraag naar professionele vorming met het oog op de praktijk. In onze complexe samenleving zitten we vaak met de handen in het haar. In tal van gevallen zul je zeggen: hier ben ik niet op voorbereid. Hoe moet ik handelen in deze concrete situatie? Toch zul je op een zelfstandige wijze tot een oordeelsvorming moeten komen en tot situationeel en professioneel handelen. Zeker, dat kan heel goed gebeuren in ruggespraak met anderen, maar laten we eerlijk wezen, predikanten gaan niet altijd zo collegiaal met elkaar om. Het heeft soms zelfs iets weg van een concurrentiestrijd. Maar laten we wel
wezen, de theologie en ook de academische vorming is niet het bestuderen van een receptenboek.
Het gaat er dus om dat de dominee blijft theologiseren. Daarmee bedoel ik niet de kamergeleerde. Dat kan ook een vlucht zijn. Ik bedoel ook niet primair een promotiestudie. Maar het besef dat we in een intellectueel ambt staan. Dat we op geestelijk gebied leiding hebben te geven. De dominee hoort de traditie te kennen, de vragen van de cultuur te verstaan, het publieke debat aan te kunnen. Is het in onze postmoderne samenleving juist niet cruciaal dat de gedachtenis levend gehouden wordt? Het gaat om de voortgang en de vernieuwing van een respectabele geloofstraditie. Zijn we er op berekend om daar leidinggevend in te staan? Kunnen we dat: onafhankelijk zoeken naar het eigene, naar datgene wat ons op de been houdt en wat de kritiek van de tijdgeest doorstaat! We leven in een dynamische tijd: ontwikkelingen gaan snel. Het leven is vluchtig, de mensen vragen 'fast food', niet al te moeilijk, begrijpelijk, een kind moet het verstaan. Dat is de ene kant. Maar zit er ook niet een andere kant onder? Is er geen grote vraag naar houvast, naar verworteling, naar diepgang, naar structuur, naar echtheid?
F. G. IMMINK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 2004
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 2004
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's