Met passie predikant zijn
Dertien jonge dominees over wat hen beweegt
Het geestelijk klimaat in een kerk u; ordt natuurlijk niet alleen bepaald door wat haar dominees geloven en verkondigen. Toch treffen we in datgene wat predikanten beweegt en bezielt, doorgaans wel een scherpe spiegel aan van hoe het er in geestelijk opzicht met een kerk voorstaat. Enerzijds komen predikanten immers uit de kerkelijke gemeenschap voort, zijn ze er veelal van jongs af aan in groot geworden. Anderzijds beïnvloeden ze via hun preken en hun opstelling het geloven en leven van de kerk.
Daarom is het een goede zaak dat onlangs een bundel verscheen, waarin een aantal jonge predikanten die werkzaam zijn binnen de Protestantse Kerk in Nederland vertelt over wat hen drijft in hun werk. Theo Hettema en Desiree Berendsen - zelf overigens geen van beiden (meer) predikant, maar werkzaam in het academisch circuit - legden dertien van hun generatiegenoten en collega-theologen de volgende vragen voor:
- Waar loop je warm voor in kerk en theologie? - Wat zijn je inspiratiebronnen? Wie zijn je theologische, kerkelijke of pastorale leermeesters (m/v)? - Wie of wat heeft je beïnvloed in hoe je nu in je werk en in het leven staat? Wat zijn belangrijke gebeurtenissen geweest die je iets meegeven in je theologische en pastorale biografie?
Helder portret
Dat zijn stuk voor stuk wezenlijke vragen, aan de hand waarvan een helder portret kan ontstaan van hoe iemand als predikant in de kerk en in het leven staat. En het moet gezegd worden dat alle auteurs zich ook grondig op hun antwoorden bezonnen en van hun taak gekweten hebben. Het resultaat is een zeer leesbaar boekje, waarin zij openhartig vertellen hoe ze geworden zijn wie ze zijn. We mogen de redacteuren dankbaar zijn voor de momentopname die op deze manier is ontstaan van wat predikanten op de drempel van een nieuw tijdperk - het begin van de Protestantse Kerk in Nederland - drijft en bezighoudt. Zij hebben vele toekomstige (kerk)historici aan zich verplicht met dit stukje 'kleine geschiedenis' dat zij vastgelegd hebben.
Het is mij intussen niet geheel duidelijk hoe Hettema en Berendsen hun
auteurs precies geselecteerd hebben.
Ze schrijven dat ze mensen zochten, opgegroeid in of na de jaren zestig, die stuk voor stuk een eigen visie hebben, 'zonder zich te verschuilen achter grote woorden of groeperingen' (p. 8). Waarschijnlijk betekende dat voor hen dat predikanten die aangesloten zijn bij een modaliteitsorganisatie als de Gereformeerde Bond bij voorbaat niet in aanmerking kwamen. Wellicht gold hetzelfde voor predikanten die affiniteit hebben met bijvoorbeeld de Confessionele Vereniging of de evangelische vleugel in de Protestantse Kerk.
Wel doet iemand mee die aan de wieg stond van Op goed gerucht (ds. Hofstra). Het boekje levert dan ook bepaald geen dwarsdoorsnede van de PKN, en voert die pretentie ook niet. Dat neemt niet weg dat de bundel waarschijnlijk wel een goed beeld geeft van hoe er, globaal gesproken, in het 'midden' van de kerk en links daarvan gedacht en geloofd wordt.
Midden van de kerk
Tijdens de presentatie van het boek op Hydepark werden de auteurs zelfs met zoveel woorden tot het 'midden' van de PKN gerekend. Dat is echter een lastig begrip, want terwijl men doorgaans heel goed kan aanduiden wat zich dan 'rechts' van dat midden bevindt (de vaak zo gehate 'orthodoxie' met haar 'vaststaande waarheden'), blijft veel onduidelijker wat dan onderscheidend is ten opzichte van wat zich links ervan bevindt. De grenzen zijn hier veel vloeiender, en het verdient daarom m.i. aanbeveling dat iedereen die pretendeert tot het 'midden' van de kerk te behoren, aangeeft wat hij of zij daarmee precies bedoelt.
Het zou niet moeilijk zijn datgene wat de dertien predikanten te berde brengen langs de meetlat van de gereformeerde belijdenis te leggen, en vervolgens krachtig te veroordelen. Het is immers duidelijk dat velen van hen geestelijk ver bij die belijdenis vandaan staan. Sommigen geven ook onomwonden aan niet meer te geloven in 'waarheden' over 'verzoening door voldoening' et cetera. Toch zouden we dit boekje geen recht doen wanneer we zouden volstaan met ferme kritiek op de auteurs. In de eerste plaats stellen ze zich daarvoor te eerlijk en kwetsbaar op, hetgeen respect verdient. In de tweede plaats maakt dit boekje volop duidelijk dat dominees ook maar mensen zijn, die op allerlei manieren gestempeld zijn door hun omgeving en door het klimaat waarin ze groot geworden zijn. En in de derde plaats maken diverse auteurs ook zeer behartigenswaardige opmerkingen, die we ons (waar dan ook in de kerk: links, rechts, of in het midden) mogen aantrekken.
Grootouders
Zo troffen mij het pleidooi van dr. W. Reedijk (Boxtel) voor een volhardende, gedisciplineerde persoonlijk-meditatieve omgang met de Bijbel, de serieuze pogingen van ds. A. van der Deijl (Oost-Souburg) om op Schouwen- Duiveland buitenkerkelijken te bereiken, en de wijze waarop dr. S. de Jong (Eibergen) de centrale plaats van het kruis van Christus in het geloof herontdekte. Het meest indrukwekkend vond ik intussen het originele - zij het helaas niet steeds eenvoudige - opstel van dr. U. Doedens (Zuid-Beijerland). Met veel warmte vertelt hij over het geloof van zijn grootmoeder (ook bij andere predikanten uit de bundel blijkt het geloof van grootouders een beslissende rol gespeeld te hebben in hun ontwikkeling!), een jonge oorlogsweduwe met twee kleine kinderen die naderhand nooit meer is hertrouwd.
Hoewel ook Doedens zeer persoonlijk schrijft, weet hij het wat beperkte perspectief van een ego-document te overstijgen. Hij groepeert zijn overwegingen rond het op het eerste gezicht oppervlakkige, maar bij nader inzien theologisch diepgaand uitgewerkte thema 'gezelligheid'. Eigenlijk als enige auteur in de bundel legt Doedens de nadruk op de levensveranderende kracht van het geloof. Waar andere auteurs uit en te na benadrukken dat in de kerk vooral iedereen welkom is en mag zijn wie hij of zij is, graaft Doedens dieper als hij schrijft:
De boodschap is: ja, God neemt je aan zoals je bent, maar laat niet datje vreugde zijn. Hij verandert je in een broeder van Christus, en eerst daarover kun je je verheugen. (...) Laat de theologie daarom opnieuw aandacht vragen voor het levensveranderende aspect van het geloof. Laat zij woorden als 'roeping', 'bekering', 'offer' en toch ook 'zonde', 'verzoening' en 'vergeving' uit de mottenballen halen. (P.85V.)
Ik meen dat Doedens hier de spijker op de kop slaat. Hij verwoordt er overigens wel een tegendraads geluid mee, dat de clichés van de gangbare theologie doorbreekt - hetgeen overigens niet verwondert als we bedenken dat Doedens diepgaand in de leer geweest is bij de zeer tegendraadse christen-denker Kierkegaard.
Hang naar spiritualiteit
Die gemeenplaatsen van de gangbare theologie komen we in Met passie intussen ook volop tegen - het is bepaald niet alleen de orthodoxie die aan platgetreden paadjes lijdt, zo werd me weer eens duidelijk. Het kost Hettema aan het eind van het boek weinig moeite om temidden van alle eigenheid de rode draden en kernbegrippen op te pakken die voortdurend terugkomen. Behalve om een afkeer van 'grote woorden' gaat het dan om een hang naar spiritualiteit en een voorliefde voor veelkleurigheid. De spiritualiteit moet vooral authentiek zijn (Marcel Sarot schreef eens dat 'Gij zult authentiek zijn' in onze cultuur zo ongeveer als het elfde gebod is gaan gelden), en zij moet, zo lijkt het, vooral ook vaag en oningevuld blijven. Heel raak typeert Hettema de kern ervan als 'een onbenoemd en onbenoembaar verlangen' (148). En wat de veelkleurigheid betreft, deze wordt haast als doel in zichzelf gezien. Zeer typerend voor al deze accenten is de slotzin waarin ds. Maat (Burum/Munnekezijl) haar opstel 'Een passie voor veelkleurigheid' samenvat: 'Een kerk waarin mensen welkom zijn, zo verschillend als ze zijn, een kerk waarin theologische vragen worden gesteld en besproken, een
kerk waarin hoop en verlangen ons verbinden, dat is de kerk waarvoor ik warmloop en waarin ik wil werken' (118).
Ik moet eerlijk zeggen dat een dergelijke zinnetje - dat overigens ook typerend is voor andere bijdragen - mij treurig en sceptisch stemt. Want: zijn in de kerk echt mensen welkom zo verschillend als ze zijn - bijvoorbeeld ook fortuynianen, of fascisten? Dat kan ook Maat toch niet menen? Of ze moet met Doedens bedoelen: ja, mensen zijn welkom zoals ze zijn, maar het gaat erom dat zij vernieuwd worden naar het evenbeeld van Christus. Dan zal de kerk zich echter ook daarop moeten richten. Dat mensen vandaag niet meer naar bekering en verzoening vragen, zoals Maat constateert, is toch niet bepalend voor de boodschap die zij te brengen heeft? Het evangelie geeft ons niet zozeer antwoorden op al onze vragen, maar leert ons ook om eerst eens de goede vragen te stellen. Wanneer de kerk zich laat bepalen door wat mensen graag willen horen, ontstaat een u- vraagt-en-wij-draaien mentaliteit die haar bij voorbaat ongeloofwaardig maakt. En wat het 'stellen en bespreken van theologische vragen' betreft: dat kan toch geen doel op zichzelf zijn? Een kerk is toch meer dan een praatclub? Ook de onbestemde spiritualiteit blijkt heel duidelijk uit bovenstaand citaat. Want waarop of op wie zijn 'de hoop en het verlangen [die] ons verbinden' eigenlijk gericht? Wanneer dat oningevuld blijft, hoe kunnen ze dan verbindend werken?
In het opstel van Maat is evenals elders in de bundel de problematiek van de ontkerkelijking op de achtergrond scherp voelbaar. Sommige auteurs leggen zich er bij voorbaat bij neer dat de Protestantse Kerk een steeds verder slinkende kerk zal zijn (bijv. ds. Bouw). Anderen stellen zich daarjuist moedig tegen teweer - om in de weerbarstige praktijk tegen teleurstellingen aan te lopen (ds. Van der Deijl), en weer anderen proberen hun stemming er gewoon niet door te laten bederven (ds. Maat). Maar zou het niet kunnen zijn dat de voortgaande ontkerkelijking mede samenhangt met de vage en oningevulde spiritualiteit die de meeste auteurs voorstaan?
Passie voor Christus
Prof. H. W. de Knijff heeft: er onlangs op gewezen, dat spiritualiteit altijd een duidelijk voorwerp nodig heeft. Wie het daarvan losmaakt, houdt uiteindelijk niets over - zoals een musicus die z'n aandacht al spelende verlegt van de muziek naar z'n instrument al gauw de uitvoering om zeep helpt. De meest spirituele en inspirerende figuren uit de kerkgeschiedenis hadden het dan ook niet altijd over spiritualiteit, zij hadden het over God. Of nog preciezer: over de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en over de ervaring van hun daden van oordeel en genade. Misschien moeten we het ook vandaag weer aandurven om het vooral daarover te hebben in de kerk. Misschien zou de Protestantse Kerk in ons land een gouden toekomst tegemoet gaan, wanneer de passie van haar predikanten voor alles een passie voor Jezus Christus was.
G. VAN DEN BRINK, WOERDEN
N.a.v. Desiree Berendsen & Theo Hettema (red.) Met passie. Jong, theoloog en predikant: 13 portretten. Uitg. Kok, Kampen; 149 blz.; € 14, 90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 2004
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 2004
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's