De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Waarden en normen

Ik kan me voorstellen als u deze rubriek opslaat, dat u dan denkt: was er niets anders of actuelers te vinden in de pers? Zo snel lijkt een thema alweer achterhaald door de voortsnellende actualiteit. Wat het thema 'Waarden en normen' betreft heeft dat waarschijnlijk ook wel te maken met wat heet het postmoderne levensgevoel: ieder stelt zijn eigen waarden- en normenpakket samen, daar heeft een ander niets mee te maken. Toch is het niet zonder reden dat breed in maatschappij en onder gelovigen het gesprek over dit thema op de agenda werd geplaatst. Het blad Wapenveld (juni 2004, jg. 54 nr. 3) kent de laatste jaren een zogeheten jaarserie. Dit jaar is het thema: In een nieuw godzalig leven wandelen. De redactie zoekt naar wegen om de 'ontwikkelingen in kerk en samenleving van commentaar te voorzien'. In de hier geciteerde aflevering komt het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid aan de orde: Waarden, normen en de last van het gedrag. Er is een samenvatting van dit rapport integraal opgenomen. Er heerst de laatste jaren onbehagen in onze cultuur. Waar komt dat vandaan en wat zijn daar de achtergronden van? Dat is nog niet zo makkelijk onder woorden te brengen. Wie over dit onderwerp de laatste jaren verschillende publicaties en artikelen heeft gelezen, zal dat beamen. En wie de gesprekken in de Tweede Kamer hierover heeft gevolgd, zal gedacht hebben: waar gaat deze woordenbrij eigenlijk over en wat schieten we er allemaal mee op.

De redactie van Wapenveld laat dr. Govert Buijs (verbonden aan de faculteit van de wijsbegeerte van de VU) in een heel lang en diepgravend essay aan het woord, waarin hij onder andere de rol van de kerk in het waardenen normendebat op de korrel neemt. Voor de gemiddelde lezer van ons blad bevat deze geleerde bijdrage te veel van de 'Tale Kanaans der wetenschap'. Toch vind ik het de moeite waard om twee fragmenten eruit te lichten en door te geven. In het eerste fragment gaat dr. Buijs in-op de vraag of het vandaag nu eigenlijk wel zoveel erger is dan voorheen wat betreft de nalej j ving van bepaalde waarden en normen? Verloedert de samenleving nu werkelijk zo snel? Of zit het bij ons tussen de oren en zijn we veel gevoeliger geworden voor verschijnselen waarvan we vroeger wisten dat ze er gewoon bij hoorden, bij het leven van alledag.

'Was het eerder beter? Ik geef maar eens wat impressies, voor wat ze waard zijn. In de stad waar ik voor een deel van mijn kindertijd opgroeide, had de eenvoudige Christelijke Gereformeerde kerk waar mijn vader predikant was, gemeend een pastorie te moeten kopen in een chique buurt. En daar woonden we, ajkomstig uit een milieu van kleine beurtschippers en tuinders en tot dan toe altijd dorpsgewijze gewoond hebbend, onder de rook van Rotterdam, te midden van WDwethouders, architecten, Shell-toplui en V& D-directeuren (slechts een kleine greep). Op een kleine honderdvijftig meter liep een drukke verkeersweg. Daarachter bevond zich een andere wereld. We wisten: dat waren de achterbuurten. Daar woonden de "schoffies". Schoffies waren - net als christenen, maar dan anders - herkenbaar aan hun gelaat, hun gewaad, hun gepraat en hun daad: aan hun onverzorgde uiterlijk, hun grove taalgebruik, hun erg los zittende handjes. Liep je daar als klein jochie in je eentje doorheen, had je zomaar een dreun te pakken. Shelltoplui en V& D-directeuren waren overigens ook herkenbaar aan hun gelaat (strak in de plooi, maar woedend als er een bal in hun tuin kwam), aan hun deftige gewaad, misschien ook aan hun gepraat (maar ze gaven ons nooit de gelegenheid ons daarvan nader op de hoogte te stellen) maar vooral ook aan hun auto-maat, hun omvangrijke bolides. Als we termen van het huidige waarden- en normendebat terugprojecteren naar toen zou men in onze eigen woonwijk van gebrekkige sociale cohesie kunnen spreken, bij de schqfïes van ernstig onaangepast gedrag. Toen al, eindjaren zestig, beginjaren zeventig. En moeiteloos kan men in de schoffieswijk de opvolger zien uan de ellendig verpauperde proletariaatswijken uan het einde uan de negentiende eeuw en in onze eigen wijk de opuolgers van de gezeten notabelen, die zich weinig aantrokken van de paupers.

Was het eerder beter? Onlangs hoorde ik van iemand die afkomstig was van het goede Zeeuwse land, een gemengd katholiek-prote-' stants dorp. In zijn jeugd, eindjaren veertig, was hij als protestants jongetje drie keer in elkaar geslagen door bendes katholieke jongetjes. Dat enig pedagogisch geweld soms best effectief is, wist ook Augustinus al,

maar het effect is niet altijd het gewenste: zijn protestantse geloof was de man inmiddels inderdaad wel kwijt, maar katholiek was hij door de pakken slaag nu ook weer niet geworden. Deze incidenten zullen niet voltrekt uniek geweest zijn, gelet op de vaak gespannen relaties tussen de diverse zuilen. In de politiestatistieken van destijds zijn ze echter niet terug te vinden. En ouders toen? Zouden ze genoegdoening gevraagd hebben van de andere ouders? Misschien als er een winkelhaak in de boezeroen gekomen was, maar dat blauwe oog... het hoort er bij, je wordt er hard van.

Was het eerder beter? Ik herinner me dat een oude Fries me vertelde hoe hij begin jaren dertig als jongeman 's avonds laat tussen Leeuwarden en Dokkum een bende jongelui uit een bepaald dorp tegenkwam die hem ernstig bedreigde. Zo laat nog op pad, dan moest hij vast wel vrijen met een van de meisjes uit de eigen omgeving, terwijl hij helemaal van boven Dokkum afkomstig was. Dat kon zomaar niet. Terwijl de sfeer buitengewoon dreigend was, getrokken messen, riep er ineens iemand uit de groep "Bisto dat, Einte? " (Ben jij het, Einte? - kennelijk iemand die hij ooit eens in ander verband ontmoet had.) "Ja, ik ben "'et'", antwoordde Einte, waarop het midden in het donker klonk "Lit 'em doch mar gaen, jongens, it is Einte". (Laat hem toch maar gaan jongens, het is Einte - wonderlijke motivatie.) Dit soort bendes trokken in de weekenden wel meer door het Friese land, op weg van de ene naar een volgende drinkgelegenheid. Nog maar een generatie eerder was er sprake van erbarmelijke leefomstandigheden en dito moraal. Alcoholisme had velen in de greep. Predikanten die later uit het Westen naar Friesland kwamen, lieten bij hun intrededienst dan ook steevast psalm 122 : 14 (Oude Berijming) zingen: "En, waar men ooit de wildste volken vond..." In hetzelfde couplet ook nog "God heerst, zover de blindste heid'nen wonen, tot Hem bekeerd". De verhoudingen tussen Holland en Friesland waren dan direct duidelijk gemarkeerd (een verwijzing naar de moord op Bonifatius in 754 bij Dokkum ontbrak natuurlijk niet). Inderdaad, Dokkum. Een alleraardigst stadje, op enkele kilometers waarvan ik een ander deel van mijn jeugd doorbracht (zo zie je nog eens wat van de wereld). 1250 jaar na genoemde gebeurtenis was het stadje niet langer een ijkpunt meer van 's lands morele verloedering. Maar toch, midden in de jaren '70 vond hier zomaar op een zaterdagavond, in de Zambezi-bar, een moord plaats. Niet met voorbedachten rade, maar gewoon: ruzie, messengetrek, watsteken, dood. Nu wist men in de stad en in alle ommelanden dat in de Zambezi-bar alleen het allerruimste volk elkaar trof. Een vechtpartijtje hoorde bij de inventaris. De gebeurtenis veroorzaakte natuurlijk een zekere afschuw bij de bevolking, maar bracht in Dokkum geen massaal rouwbeklag teweeg. Er lagen geen bloemen bij de Zambezi, toen ik daar enkele dagen later in een vrij schooluur langsjietste (met bonzend hart). Geen massale stille tocht kanaliseerde de emoties. Brave Burgers wisten: "In de Zambezi, daar moet je ook niet zijn. Daar komt alleen het ruige volk".

Was het eerder beter? Godsdienstig geweld onder kinderen in Zeeland, communaal geweld in Noord-OostFriesland, "zinloos geweld" in een uitgaansgelegenheid in Dokkum, grove taal en verloedering in een achterstandswijk bij Rotterdam - was het vroeger beter? Welk vroeger dan, wanneer, waar? '

Dr. Buijs probeert analyses te vinden om tot een beantwoording van de vraag te komen: was het vroeger beter? Hij schrijft: Statistisch lijkt het moeilijk om echt in beeld te krijgen of Nederland de laatste jaren verloedert. Toch is er wel degelijk sprake van een forse, objectieve stijging van criminali-

teit: een waarschijnlijke vertienvoudiging sinds de jaren zestig. Maar delicten zijn niet slechts in aantal toegenomen, maar ook 'kwalitatief verhard'. Als dr. Buijs probeert het al genoemde gevoel van verloedering inhoudelijk te duiden, dan schrijft hij:

'Een derde element in het gevoel van verloedering komen we op het spoor als we letten op enkele overeenkomsten in de door mij gegeven impressies. In alle gevallen ging het hier om normloos gedrag dat duidelijk aan bepaalde sociale categorieën gebonden was: schoffies, dorpsjeugd, protestants-katholiek, een moord in het uitgaanscircuit etc. Gedrag liet zich vrij duidelijk koppelen aan een bepaalde sociale laag of een bepaalde setting. Het zou wel eens kunnen zijn dat wat we nu als waarden- en normenprobleem aanduiden voor een deel ook te maken heeft met het gegeven dat de voorspelbaarheid van gedrag een volstrekte sociologische warboel is geworden. Grof taalgebruik en jijsieke ruivheid zijn een stijgend cultuurgoed geworden, dat men tot in de hoogste kringen aantreft. Materialisme, ostentatief gedrag in grote bolides, gekoppeld aan ivoede over een bal in de eigen tuin, is een dalend cultuurgoed geworden. Had vroeger alleen een bepaalde toplaag de mogelijkheid het eigen huis als een kasteel af te schermen en een privé-paradijsje te scheppen, nu claimt iedereen dat recht, my home is my castle. Niet langer is helder welke gedragsregels behoren bij ivelke sociale groep, sterker nog, sociale groepen zelf zijn haast niet meer te markeren. Dat brengt grote onzekerheid met zich mee. Op het alleronverwachtste moment blijkt iemand die er netjes uitziet, zich heel hufterig te uiten. Iemand met een prachtige auto blijkt ineens vol onbeheersbare (althans onbeheerste) agressie te zitten ivaarmee hij de stijlvolle limousine tot een rondrazend moordwapen opgast. Zelf kan ik nog steeds een gevoel van vervreemding niet onderdrukken als ik topvoetballen, die ik zo af en toe op een veld bezig zie, tierend, een tegenstander zonder gêne onderuit schoffelend en als het even kan diens achillespees voor minstens een maand of drie aan gort trappend, even later in een welgesneden driedelig Armani-kostuum met

bijbehorende fijnzinnige das zie rondlopen. In lagere kringen ivas het vele jaren volstrekt normaal dat men in het informele circuit eens een graantje meepikte en dat niet direct aan de belasting opgaf of zich in natura liet terugbetalen (in dorpen iverden zo hele huizen gebouwd). In de hogere kringen hoefde dat niet, omdat men hier royalere inkomens had en zich tegelijk gebonden wist aan morele codes. Men sprak dan ook vaak van een honorarium. Maar de mentaliteit van het "een graantje meepikken" heeft zich inmiddels ook tot de hoogste kringen verspreid. Artsen, apothekers, managers, Europarlementariërs - niemand tuil een dief van de eigen portemonnee zijn.'

De kern van Buijs' betoog is dat in de geschiedenis steeds de fundamentele krachten van de amor sui en de amor Dei (Augustinus) tegenover elkaar staan: eigenliefde tegenover de liefde tot God. In elke tijd neemt deze tegenstelling een andere gedaante aan, aldus Herman Oevermans, die in een redactioneel het artikel van dr. Buijs bij de lezer introduceert. In onze tijd is de amor sui (= de eigenliefde) vooral zichtbaar in de dominantie (de overheersing) van het marktdenken op alle terreinen van het leven. Wat kan hierin nog een taak van de kerk zijn in onze samenleving? Niet zozeer het profetisch spreken, maar veeleer pastoraal handelen. Het 'ik', zo gevoelig voor de amor sui, dient gevormd te worden, opgeleid en opgevoed. Vormende gemeenschappen, aldus dr. Buijs, zijn uitnemende plaatsen waar het 'ik' beteugeld kan worden: cultuurpastoraat. 'Men kan zo zoeken naar vormen die een vriendelijk en creatief soort rebellie belichamen tegen het levenspatroon van de amor sui.' Een geleerd en diep doordachte bijdrage aan de discussie over waarden en normen in de 21e eeuw.

J. Maasland

P.S. Wie informatie wil over het hier geciteerde artikel: www.wapenveIdonIine.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 2004

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's