Uw aangezicht...
'Verberg Uw aangezicht niet voor mij.' [Psalm 27:9]
De psalmist verlangt vurig naar de tempel. Hij wordt vervolgd, naar het leven gestaan en vals beschuldigd: een afschuwelijke ervaring, vooral als je niet zo goed voor jezelf op kunt komen. Hij weet echter: in de tempel ben ik veilig. Zo is het asielrecht in Israël. Er is een hartstochtelijk verlangen bij deze vluchteling en een vast vertrouwen dat God hem tóch zal beschermen. Hij is ver bij de tempel vandaan, maar hij vertrouwt er niettemin zeker op dat hij daar komen zal!
Nu gaat het lied van vertrouwen over in een klacht, een smeekgebed. Dat kunnen wij niet zo goed rijmen. Wij voelen dat als tegenstrijdig. Wanneer vertrouwen en klacht elkaar zo snel afwisselen, zijn wij geneigd om te denken: ben je soms ziek in je geest? Vergeet de situatie echter niet! Deze psalmdichter zit niet rustig in een kerkbank te luisteren naar een preek. Hij wordt naar het leven gestaan, hij is op de vlucht voor doodsvijanden! Dat is een situatie waarin heel veel los komt. In diepe nood kan het er ineens zijn. Je was vol vertrouwen, maar plotseling sta je met volkomen lege handen; je weet het niet meer. Ineens sidder je van angst, overspoeld door golven van paniek. En plotseling zijn er allerlei dingen die als film aan je voorbij trekken... Schuldgevoelens die er niets mee te maken leken te hebben; radeloosheid die nergens op lijkt te slaan... Alles loopt door elkaar heen, alles vliegt je aan, overal is gevaar. En daartussen dit mensenkind: zo klein, zo klein...
Hier is een schreeuw die omhoog klimt uit de diepte. De schreeuw van een bedreigd mensenkind. Zo basaal als de eerste levensschreeuw van een pasgeboren kind. Bidden is meer dan meditatie. De dichter is niet wat stilletjes in zichzelf aan het peinzen, aan het denken. Hij werpt zich op God. Het lijkt wel of hij een antwoord probeert te forceren. Het maakt hem niet uit hoe God antwoordt. Of het nu door de donder en de bliksem is; of in het suizen van een zachte stilte! Teder. Beheerst. Diep. Krachtig. Overweldigend. Als er maar antwoord is..., want er is niets erger dan een koperen hemel. Als er in je nood niemand meer is die je helpt, wat heeft het dan allemaal nog voor zin? Door zulke twijfels word je toch overvallen? Als ook God niet meer antwoordt, waar leef ik dan nog voor?
Dan doet de psalmdichter een rechtstreeks beroep op God. Het lijkt bijna onbeschaamd. Toch zegt hij: Heere, U hebt zelf gesproken 'zoek Mijn aangezicht'? ! U hebt zelf gezegd dat ik met alles naar U toe moest komen. Daarom doe ik het nu ook. Ik zoek Uw aan-, gezicht! Ik zoek het, want het ergste dat mij zou kunnen overkomen, is: dat Uw aangezicht mij afwijzen zou.
Afwijzing is zo iets verschrikkelijks.
Mensen vechten er hun leven lang mee, als ze in hun jeugd afgewezen zijn. Jij betekent niets; jij had er beter niet kunnen zijn... Een allesverlammend gevoel is het. Samengebald in één gebaar soms. Mensen keren elkaar de nek toe, willen elkaar niet zien. Geen punt? Maar als degene die ons het meest dierbaar is dat zou doen? Onze eigen man of vrouw; onze beste vriend of vriendin...? De psalmist Iaat blijken: het is het allerergste, wanneer God dat zou doen. Stel je toch voor: het allerergste! Wat is het allerergste dat je zou kunnen overkomen? Als ik Gods aangezicht zou zoeken en Hij zou het verbergen! Onbeschrijflijke pijn. Ik kan het niet verkroppen, als er iets tussen ons in zou staan! Dat is het diepste motief. Ik kan er niet mee leven, als er iets tussen God en mij in zou staan. Als God Zijn aangezicht verbergt, kan ik niet meer leven...
In de synagoge wordt Psalm 27 gelezen samen met Genesis 32 in de aanloop naar het Loofhuttenfeest: over de worsteling van Jakob aan de Jabbok met God. Daar was Jakob alleen. Het werd het 'point of no return' in zijn leven; het beslissende moment. Daarna zou het nooit meer zijn als vroeger. In deze grenssituatie komen voor Jakob de dingen van vroeger terug. Lot en schuld. Angst en bedrog. De confrontatie met zijn tweelingbroer Ezau betekent dat hij ook met zichzelf geconfronteerd wordt. Ezau is niet alleen zijn broer, maar ook zijn andere helft, de duistere kant van zijn wezen. Ontzettende benauwdheid waarin hij het alleen moet uitvechten; moment van dodelijke eenzaamheid...! Zelfs de allernaasten zijn er niet bij, als hij God ziet van aangezicht tot aangezicht. Pniël: heel zijn leven in het licht van Gods aangezicht! 'Zoek Mijn aangezicht', heeft de dichter van Psalm 27 gehoord. Het moment is aangebroken! Wie overleeft dat? Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, zegt Jakob, en... Hij heeft mij het verderf niet in gejaagd! Ik heb God gezien en mijn ziel is gered geweest!
En toch, mijn God, uan 't lot der stervelingen is niets mij ureemd. Ach, hoor mij daarom aan! Ontferm U ouer mij, uril mij uerstaan en geef mij antiuoord! Dag aan dag omringen mij list en angst, al blijf ik op U bouwen, al klinkt diep in mijn hart Uiu uaste stem: 'Zoek naar Mijn aangezicht en ^ij zult schouwen het brandend hart uan Mijn Jeruzalem!'
Ja, God, ik zoek Uw aanschijn alle dagen; verberg het niet uoor mij en wend als straj
uoor al mijn kwaad Uw blik niet uan mij af; uerstoot Uw dienaar niet, verhoor zijn klagen, tuant zijt Gij niet mijn hulp geweest, mijn leuen? Gij zijt het nog, ik weet het: al verliet mijn uader mij, al wees mijn moeder euen vertoornd mij af- Gij, God, verlaat mij niet. (Gabriël Smit, XL Psalmen)
L. WÜLLSCHLEGER, VLISSINGEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's