Loopt er nog een Filippus rond?
Geding om bijbelvertalingen
Minder streng
Slechts één keer heb ik hem bij mijn weten ontmoet, of liever, gezien: broeder L. M. P. Scholten. Dat was toen we nog in Nieuwerkerk aan den IJssel woonden en mijn vrouw en ik onze gebruikelijke zondagmiddagwandeling maakten en hem in 'het kerkje aan de 's Gravenweg' (zoals het in de volksmond heet) ter kerke zagen gaan. 'k Weet nog wat ik dacht: hij oogt minder streng dan op de foto's in de krant.
Ik vertel dit omdat het aansluit bij het beeld dat van broeder Scholten geschetst wordt in de vriendenbundel, die hij enkele maanden geleden ontving bij zijn vertrek als directeur van de Gereformeerde Bijbelstichting. Met sympathie en waardering wordt hij door meer dan één scribent getekend. Naast zijn afscheidswoord, een curriculum vitae en een interview treffen we in het kloeke formaat boek veertien artikelen aan en ruim zeventig felicitatiebrieven, met als een van de langste die van dr. ir. J. van der Graaf. Het boek staat grotendeels in het teken van het werk van de GBS en de bijdrage van dhr. Scholten daaraan. De liefde voor de Statenvertaling en het besef dat God destijds in deze vertaling een groot geschenk aan ons volk gaf, doortrekken het. Sommige artikelen zijn geschreven in de aparte stijl die dit gedeelte van de Kerk kenmerkt en bijna iets heeft van een esoterische (= voor ingewijden) taal. Daartegenover staat een brief van Scholtens zuster: 'Beste Bert, Bedenk een eigen recept voor een appeltaart. Bedenk en maak een interessante webpagina. Neem het ervan. Geniet van het goede leven.'
De tsaar en de komma
Een interessant artikel is dat van de antiquair drs. Ton Bolland over de Bijbel van tsaar Peter de Grote. Toen deze rond 1700 in Nederland was om zich te laten informeren over de moderne scheepsbouw, maakte hij ook kennis met de Statenvertaling. Hij nam vervolgens het initiatief om een parallelbijbel te drukken: in de rechterkolom de Statenvertaling, in de linker- de Russische. Zo kon men enigszins vertrouwd raken met de Nederlandse taal en werd het mogelijk ook andere Nederlandse werken te raadplegen, o.a. over scheepsbouw.
Lezenswaardig is wat ds. Tj. de Jong schrijft over 1 Johannes 5:7, de tekst die in diverse belangrijke Griekse handschriften van het Nieuwe Testament niet voorkomt, in vaktaal Comma Johanneum geheten. Ds. De Jong gaat na in welke vertalingen dat doorwerkt. Hij haalt Calvijn aan, die in zijn exegese eerlijk aangeeft dat hij hierin niets zekers durft te zeggen, maar gaarne aanneemt dat deze woorden gezien het verband er thuishoren. Daar laat Calvijn het bij. Ds. De Jong gaat een stap verder met een betoog dat als strekking heeft dat de Heilige Geest door Zijn inwendig getuigenis ons bevindelijk doet ervaren dat deze woorden in de Schrift thuishoren. - Ik zou zeggen: dat God de drie-enige is en dat wij dat onder meer weten 'uit de werkingen die wij in ons gevoelen' (art. 9 NGB), is waar. Opmerkelijk echter dat Calvijn, bij wie toch de gedachtegang over het inwendig getuigenis van de Heilige Geest vandaan komt, in deze kwestie daar niet op terugvalt!
Horzel
Het artikel van dr. C. S. L. Janse is mijns inziens de horzel in de pels van dit boek én van de GBS. Nuchter geeft hij aan dat de huidige GBS-editie toch ook niet de originele Statenvertaling van 1637 is met woorden als 'wijf' en 'ende' en zonder hoofdletters voor de goddelijke personen. Voetnoten en woordenlijsten zullen op den duur onvoldoende zijn om - wat hij noemt - 'de uiterlijke verstaanbaarheid' van de Statenvertaling niet in het gedrang te laten komen. Ook legt hij de vinger bij de gemiddelde leeftijd van de bestuursleden van de GBS: die is tamelijk hoog en hij vervolgt: 'Gemakkelijk leidt dat er toe dat het probleem van de verstaanbaarheid van de Statenvertaling voor hen minder weegt. Maar laten we aan onze kleinkinderen denken.' Janse waarschuwt voor 'schadelijk conservatisme.' Letterlijk zegt hij: 'Ook rond de Bijbel kan er sprake zijn van een zinloos vasthouden aan het oude.' Als hoofdredacteur van het RD moest hij soms, wanneer hij in het voorpaginacommentaar een bijbeltekst citeerde, zijn toevlucht nemen tot parafrase, wilde dat commentaar ook voor een niet-reformatorische krantenlezer begrijpelijk zijn. Op een goede en indringende wijze vraagt hij aandacht voor allerlei kloven, die zich ook in de gereformeerde gezindte hoe langer hoe meer openbaren.
Dhr. W. Büdgen, directeur van het Wartburg College in Rotterdam, heeft daar begin juni eveneens op gewezen bij de presentatie van de deeluitgave van de herziene Statenvertaling. Dat was een onthutsend verhaal! Menig docent aan een reformatorische scholengemeenschap beaamt de analyse van Büdgen, ten spijt van de opinie van sommige kerkleiders. Hier ligt een problematiek waarvoor we onze ogen niet mogen sluiten.
Met twee opmerkingen in het artikel van dhr. Janse heb ik enige moeite. Hij vindt dat men bij de Stichting Herziening Statenvertaling in de hertaling wel erg rigoureus te werk gaat. Hij waarschuwt voor vervreemding naar de oudere generatie toe. Op zichzelf een terechte vermaning. Alleen, heeft de stichting deze vermaning nodig? Van nabij weet ik hoe zorgvuldig met het oog op de verschillende doelgroepen de hertaalkeuzes gewikt en gewogen worden. Volgens mij had broeder Janse een andere conclusie uit zijn constatering moeten trekken, namelijk dat ook in de gereformeerde gezindte de taalvelden blijkbaar steeds meer uit elkaar groeien.
Mijn tweede punt betreft zijn kritiek op het Nederlands Bijbelgenootschap. Zoals bekend levert dat allerlei vertalingen; 'klantvriendelijk' noemt Janse dat. Hij wijst ook op de samenwerking met de (rooms-)Katholieke Bijbelstichting. Terecht zegt Janse dat het een bijbelgenootschap niet om het even mag zijn welke bijbelvertaling men verspreidt. Inderdaad, dat moet een betrouwbare vertaling zijn. Daarover heeft de Gereformeerde Bond terdege een geding met het genootschap in Haarlem. Denk aan verschillende hoofdstukken uit onze publicatie Kanttekeningen bij de Nieuwe Bijbelvertaling.
Maar gaat het aan op te merken: 'Ik kan dan ook niet begrijpen hoe hier en daar in bevindelijk gereformeerde kring mensen nog vertrouwen hebben in het NBG.'? In een dergelijke opmerking schuilt weinig katholieke geest. Het echt reformatorische is toch katholiek van aard? En geloven we niet in de kracht van het Woord?
Op een gegeven moment dacht ik wat ondeugend: schrijft broeder Janse deze zinsneden niet neer vanuit 'klantvriendelijkheid' ten opzichte van de GBS? Zijn artikel legt immers springlading onder de GBS in haar huidige gestalte?
Waarlijk gereformeerd
AI met al confronteert de vriendenbundel voor dhr. Scholten ons opnieuw met het belang van een vertaling die én betrouwbaar én verstaanbaar is. Wie zich daarvoor inzet, is waarlijk gereformeerd.
Het laatste zinnetje brengt wel iets paradoxaals met zich mee. Ik bedoel dit. Dhr. Scholten heeft in het verleden er in Standvastig meer dan eens op gewezen dat de Statenvertaling ten opzichte van haar voorlopers geen gemakkelijker vertaling is. Dat heeft te maken met een van de richdijnen van de Dordtse Synode: in de vertaling dient men zich zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de grondtalen van de Schrift, omdat de Heilige Geest daarvan gebruik heeft gemaakt bij het ontstaan van Gods Woord. Daardoor zijn er wel Kanttekeningen nodig, die óf een letterlijke vertaling bevatten indien de Statenvertaling 'vrij' is óf een verklaring geven indien de Statenvertaling moeilijk is. Terecht heeft Scholten daarom meer dan eens opgemerkt dat - ik zeg het in eigen woorden - een Statenvertaling zonder Kanttekeningen eigenlijk niet kan. Daardoor komt de verstaanbaarheid in het gedrang.
Onze gereformeerde vaderen hebben Luthers wijze van vertalen afgewezen. Marnix van Sint Aldegonde, die veel
voorwerk voor de Statenvertaling heeft verricht, vond haar veel te vrij en veel te slordig. Is het (te) boud om te stellen dat het goed gereformeerd is om daar heden ten dage anders over te deinken en in Luthers vertaling een meesterlijke en weloverwogen aanpassing aan het levende taalgebruik te zien?
We zouden kunnen zeggen: de gereformeerde vertalers waren meer onder de indruk van: 'Het Woord des Heeren geschiedde.' En welk woord er dan geschiedt, dat klinkt ons tegen in het Hebreeuws of Aramees of Grieks, en vandaaruit op verheven wijze in een andere taal. - Luther daarentegen was meer geraakt door: 'Het Woord is vlees geworden.' Dat Woord kan niet diep genoeg in het vlees getrokken worden, ook wanneer het vertaald wordt. Daarom klinkt het ons heel gewoon tegen, in het Duits, in het Nederlands; zó gewoon dat de menigte in Jeruzalem op de allereerste Pinksterdag verbaasd uitriep: 'Wij horen de apostelen in onze eigen taal van de grote werken Gods spreken!' Voor 'taal' staat in het Grieks - nota bene - het woord dialektos.
Impasse?
Stuiten we niet op een impasse? Het lijkt wel alsof het - althans in de Nederlandse situatie - zo moet zijn: een vertaling is betrouwbaar maar daardoor minder verstaanbaar, óf verstaanbaar en daardoor minder betrouwbaar. Immers, bij begrijpelijke vertalingen bleken tot nu toe telkens kritische kanttekeningen nodig, zeker vanuit gereformeerd perspectief; terwijl betrouwbare vertalingen niet altijd even verstaanbaar zijn.
Of stuiten we hier in feite op een theologisch probleem, ons door God Zelf voor de voeten geworpen? Zorgt Hij soms voor de verstaanskloof en verbergt Hij Zich daarin? En doet Hij dat misschien omdat wij in onze tijd op allerlei gebied het meeste inmiddels verstaan? Opdat wij, juist als gereformeerde christenen, die een rijke en diepe belijdenis mogen meedragen, steeds opnieuw zullen worstelen om Gods Woord te verstaan én dan ook over te dragen.
Zeker, we mogen veel verwachten van een maximaal verstaanbare en een maximaal betrouwbare bijbelvertaling. Daarvoor hebben we ons in te zetten. v
Daarom is er een Stichting Herziening Statenvertaling in het leven geroepen. Dat lijkt ons een betere weg dan het aanleren van zeventiende-eeuws Nederlands.
Dit alles neemt echter niet weg dat Gods Woord zich alleen laat verstaan wanneer wij het als bedelaars ter hand nemen, in een houding van afhankelijkheid en verlegenheid. Zo had ook de machtig heer uit Candacé het ter hand genomen. Juist toen voegde Filippus zich bij zijn wagen.
Bij een andere benadering van de Schrift - om het even in welke versie zij voor ons ligt: betrouwbaar of verstaanbaar of allebei of geen van beide - zal het zaad van het Woord op de weg vallen of in ondiepe aarde of waar dan ook. Bovendien heeft Christus niet voor niets gezegd: 'Zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen.' (Markus 4: iib-i2, NBV) Moeten woorden als deze niet evenzeer in vervulling gaan als allerlei beloften, hoe pijnlijk dat ook is en hoe onevangelisch ons dat ook lijkt?
Alle tien
We ontmoetten al even Filippus en de Moorman. Calvijn heeft in zijn commentaar op Handelingen 8 een mooie passage gewijd aan Filippus' vraag: 'Verstaat gij ook hetgeen gij leest? ' (vers 30b) Trouwens, bij allerlei Schriftgedeelten waarin woorden voorkomen als verstaan, horen etc., geeft Calvijn zich rekenschap van de vragen die hier liggen. We wijzen op bijv. bovengenoemde passage uit Markus 4, evenals op Psalm 119, 2 Petrus 3:16.
De kamerling - aldus Calvijn - lijkt zich tevergeefs in de profeet Jesaja te verdiepen. Eerlijk geeft hij op Filippus' vraag of hij begrijpt wat hij leest, ten antwoord: 'Hoe zou dat kunnen als niemand mij uitleg geeft? ' Zeker, tal van teksten hebben geen lange uiteenzetting nodig. Er valt altijd wel enig profijt uit de lezing van Jesaja te trekken. Toch - merkt Calvijn nuchter op • - zal men misschien nauwelijks een van de tien verzen behoorlijk verstaan. Dat overkwam dus ook de kamerling. Dat neemt niet weg dat hij wat hij kón begrijpen toch met vrucht en met
stichting las. Al bleef veel voor hem verborgen, hij wierp de boekrol niet verdrietig weg. Zo moeten wij ook de Schrift lezen: wat duidelijk is en waarin God Zijn wil openbaart, moeten wij ijverig en gewillig in ons opnemen; wat echter duister is, moeten wij overslaan totdat wij meer licht ontvangen. Blijf dus lezen, dan zal de Schrift ons door het voortdurend gebruik meer bekend en eigen worden.
Calvijn is er dus op uit dat we uiteindelijk alle tien de verzen begrijpen. Dat kan ook, want - zo noteert hij bij 2 Petrus 3:16 - Gods onderwijs is zó eenvoudig dat allen die niet weigeren om de Heilige Geest als de Leidsman ten leven te volgen, daarin een helder licht hebben. Blijft dat niet de belofte voor de Kerk, ook anno 2004? Lopen er ook nu niet de nodige Filippussen rond?
Koesteren
Intussen blijven we onze Statenvertaling koesteren. Dat dat kan, is mede aan broeder Scholten te danken. Door zijn inzet is er een nagenoeg foutloze editie van de Statenvertaling beschikbaar. Straks komt er van de kant van de GBS nog een 'herziene' (in de zin van 'doorgeziene') uitgave met de onvolprezen Kanttekeningen. Opdat wij, in welk deel van de Kerk wij ook verkeren, verstaan wat wij lezen.
H. J. Lam, Rijssen
N.a.v. Ten dienste van de Statenvertaling. Vriendenbundel voor L. M. P. Scholten. Uitg. Gereformeerde Bijbelstichting, Leerdam; 204 blz.; € 12, 50 (paperback), € 19, 50 (gebonden).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's