Bouwstenen voor een kerkleer
DE KERK IN EENHEID EN VERSCHEIDENHEID [1]
Dinsdag 5 oktober promoveerde ds. R. de Reuver, predikant te Boskoop, aan de Vrije Universiteit te Amsterdam tot doctor in de theologie. Het onderwerp van zijn proefschrift behelst de verscheidenheid binnen de christelijke kerk. De volledige titel luidt: 'Eén Kerk in meervoud. Een theologisch onderzoek naar de ecclesiologische waarde van pluraliteit.' We willen ds. De Reuver van harte feliciteren met zijn promotie. Het vergt veel om naast het predikantswerk een proefschrift tot stand te brengen. In zijn voorwoord schrijft ds. De Reuver dat hij enkele jaren subsidie heeft gekregen van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut, waardoor er wat meer ruimte voor deze onderneming kwam. Wellicht is dit ook een idee voor kandidaten en predikanten uit de kring van de Waarheidsvriend die graag zouden willen promoveren. Op deze wijze zou meer tijdsruimte kunnen worden gewonnen.
Wettige verscheidenheid?
We willen het voorliggende proefschrift in twee artikelen bespreken. Eerst lopen we inhoud langs, in een tweede artikel willen we enkele vragen naar voren brengen. Waarom heeft ds. De Reuver dit onderwerp gekozen? Hij geeft aan dat de praktijk als gemeentepredikant hem confronteerde met een veelheid aan geloofsbelevingen, - uitingen en - formuleringen, eerst binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, nu nog sterker in de Protestantse Kerk in Nederland. Tegelijk had hij de ervaring hoe andere geloofsuitingen een verrijking kunnen betekenen voor het eigen geloof. Dit bracht hem tot de vraag naar de verhouding van de eenheid van de kerk tot een (wettige) verscheidenheid binnen die eenheid.
Een ieder zal de actualiteit van dit punt aanvoelen. Juist nu in de Protestantse Kerk in Nederland hervormde gemeenten, gereformeerde kerken en lutherse gemeenten aan elkaar verbonden zijn. In hoeverre kan een wettige verscheidenheid bestaan binnen een kerkelijke eenheid? Maar vervolgens geldt dit ook plaatselijk, in de kring van eigen gemeente, ook in de gemeenten die zich rekenen tot de kring van de Gereformeerde Bond: in hoeverre kan daar een wettige verscheidenheid samengaan met een eenheid als gemeente? Juist onlangs heeft ds. P. J. Teeuw hierover uitgebreid geschreven in de Waarheidsvriend, onder de titel: Omgaan met verschillen in de gemeente. Kortom, het onderwerp van de dissertatie van ds. De Reuver heeft volop te maken met onze huidige kerkelijke en gemeentelijke situatie.
De vraag die ds. De Reuver zich in zijn onderzoek heeft gesteld, luidt: Hoeveel ruimte is er theologisch voor veelvormigheid in de gemeente/de kerk en zo ja, hoe kan die veelvormigheid dan gestalte krijgen? De weg die hij gaat, is als volgt: na een verantwoording over de gevolgde methode onderzoekt hij drie passages van het Nieuwe Testament die aanwijzingen voor dit onderwerp geven. Vervolgens komen twee kerkvaders aan de orde, om zo het geluid van de Vroege Kerk ('ook immers, net als wij, levend in een plurale cultuur') in te brengen. Daarna komen twee twintigste-eeuwse theologen aan bod, om af te sluiten met een eigen verwerking en toepassing voor de situatie van de kerk heden.
Nieuwe Testament
Vanuit het Nieuwe Testament komen 1 Korinthe 12 (de kerk als lichaam van Christus, bestaande uit vele leden), Efeze 3:16-19 (alleen alle gelovigen samen kunnen tot de rijkdom, hoogte en diepte van Christus komen), en Handelingen 15 (de kerk moet de eenheid bewaren tussen jodenchristenen en heidenchristenen) aan de orde. Ds. De Reuver Iaat zien hoe in alle passages in een sterk wisselende context sprake is van grote nadruk op de eenheid van de kerk, en daarbinnen een wettige pluriformiteit. In het ene geval is er tussen de christenen verschil in gaven van de Geest; in het andere geval vullen de christenen elkaar aan in het kennen van de liefde van God, in het laatste geval verschillen Joodse christenen en heidenchristenen in het omgaan met de wet van Mozes, waarbij de heidenen de vrijheid hebben zich niet te laten besnijden. Ds. De Reuver trekt uit deze drie passages de conclusie dat meervoudigheid van gelovigen en geloofsgestalten een legitieme plaats krijgt in het Nieuwe Testament binnen de eenheid de kerk.
Na deze conclusie bespreekt hij echter ook enkele teksten in het Nieuwe Testament die handelen over dwalingen in de kerk (Paulus, die een vloek uitspreekt over hen die het Evangelie verdraaien, de brieven van Johannes, die over valse profeten spreken, de zeven brieven in Openbaring, die allerlei dwalingen in de kerk aanwijzen en afwijzen). Hieruit blijkt zonneklaar dat de verscheidenheid in de gemeente niet onbegrensd is. Op het moment dat het fundament van de gemeente door iemand wordt aangetast, heeft de betreffende persoon geen wettige plaats meer in de gemeente.
Kerkvaders
In hoofdstuk drie komen twee kerkvaders aan de orde. Eerst Justinus (ong.ioo-165 na Chr.), die probeerde in een plurale cultuur (vele heidense filosofieën) de weg tot Christus te ontvouwen. Vervolgens Cyprianus (ong. 200-258 na Chr.), die over de eenheid van de kerk spreekt en daarbij de bisschop een belangrijke plaats geeft. Dit hoofdstuk over de kerkvaders is een goed voorbeeld van de grote rijkdom die bovenkomt als er nauwkeurig en aanvoelend met de geschriften van de kerkvaders wordt omgegaan. Vele prachtige gedachten en inzichten worden door ds. De Reuver aan ons doorgegeven. Zo liggen er bij de vele kerkvaders vele, vele schatten die er op wachten om onderzocht te worden! Studenten theologie zouden, bijvoorbeeld in een scriptie, een geschrift, of een kerkvader, of een thema uit de Vroege Kerk kunnen nemen. Het is een uitstekende hulp om een theoloog te worden!
Dingemans en Newbigin
Het vierde hoofdstuk maakt de sprong van Vroege Kerk naar twintigste eeuw en richt zich op twee figuren: de Nederlandse theoloog G. D. J. Dingemans (1931) en de Engelse theoloog L. Newbigin (1909-1998). Twee theologen die bewust onze huidige plurale (veelvormige) cultuur in de ogen wilden kijken en er een christelijk ant-
woord op zochten. Maar wat een verschil!
Ds. De Reuver tekent de verschillen helder. Dingemans past toch het geloof meer aan de huidige cultuur aan, Newbigin roept meer de cultuur terug tot Christus. Dingemans aanvaardt het religieus pluralisme (vele godsdiensten) als iets goeds, Newbigin wijst dat af, omdat God zich in Christus werkelijk heeft bekendgemaakt. De bespreking van Newbigin maakt duidelijk hoe deze figuur niet vergeten mag worden, maar onder ons volop aandacht verdient. Het is goed dat ds. De Reuver hem (opnieuw) op de Nederlandse kaart zet.
Protestantse kerkleer
Het vijfde hoofdstuk wordt spannend: hoe zal ds. De Reuver nu zelf de lijnen gaan trekken? Hoe ziet hij de verhouding van de eenheid van de kerk met veelvormigheid (ds. De Reuver spreekt over pluraliteit) in haar midden? Hij komt dan uiteindelijk tot drie bouwstenen voor een protestantse kerkleer, die wil staan in de lijn van de kerk der eeuwen en tegelijk recht wil doen aan een wettige veelvormigheid in de kerk. Als eerste brengt hij naar voren dat de kerk rekening moet houden met haar concrete context, dat is de cultuur waarin zij leeft. Niet dat de kerk zich moet aanpassen aan de cultuur (de kerk leeft uit haar eigen bron), maar tegelijk moet ze intensief omgaan met de vragen en motieven die de cultuur aanreikt. Dit veroorzaakt veelvormigheid tussen kerken in Europa tegenover Afrika, gemeenten op het platteland en in de stad, enz. Die veelvormigheid is wettig, want, zo benadrukt ds. De Reuver, de kerk heeft alle eeuwen door geprobeerd zich rekenschap te geven van de haar op dat moment omringende cultuur. Hiermee komt de discussie van enige tijd geleden weer in onze herinnering, toen prof. A. van de Beek benadrukte dat de kerk de bruid van Christus is en zich dus niet op de cultuur, maar op haar Heiland moest richten.
Eenheid van belijden
De tweede bouwsteen heeft te maken met de eenheid. Eenheid gaat principieel vooraf aan de veelvormigheid. In Christus is de eenheid van de kerk gegeven, en daarbinnen ontstaat door het werk van de Heilige Geest veelvormigheid. In dit verband brengt ds. De Reuver, voor ons gevoel wat onverwacht, het belijden ter sprake en stelt dat eenheid van belijden in het samen kerk-zijn noodzakelijke voorwaarde is om één kerk te zijn. Hij stelt dat de Protestantse Kerk in Nederland de kerkordelijke eenheid moet proberen in belijden concreet te maken, zodat de eenheid van de kerk vastgesteld is en er van daaruit ruimte is voor wettige pluraliteit. Ds. De Reuver meent dat de kerkorde van de Protestantse Kerk een congregationalistische (grote nadruk op de plaatselijke gemeente) inslag heeft, die de eenheid van de kerk onder druk zet.
Als derde bouwsteen brengt hij naar voren dat er ruimte moet zijn voor wettige veelvormigheid. Veelvormigheid wat betreft inhoud van het geloof, in geloofsexpressie, in theologische positie. Ds. De Reuver stelt dat binnen de Protestantse Kerk de pluraliteit van hervormde, gereformeerde, lutherse en protestantse gemeenten wettig is, als zij elkaar maar wederzijds erkennen en aanvaarden, beseffen niet zonder elkaar te kunnen en eenheid concreet zichtbaar maken. Een vierde bouwsteen voor wettige veelvormigheid is het hebben van contacten met andere kerken, wereldwijd. Als vijfde bouwsteen komt het ambt naar voren waarin de eenheid van de kerk mede zichtbaar wordt. Ds. De Reuver overweegt het herinvoeren van het bisschopsambt om de eenheid meer zichtbaar te maken.
Plaatselijke vrijheid
Vanuit deze bouwstenen komt direct de vraag naar boven hoe de Protestantse Kerk omgaat met het spanningsveld van eenheid en verscheidenheid. Ds. De Reuver vindt dat deze kerk geen plurale kerk is: zij denkt vanuit het wezen en de eenheid van de kerk, maar laat plaatselijk ruimte voor veelvormigheid van gemeenten. De nadruk ligt echter zo sterk op de plaatselijke vrijheid dat de beleving van het één kerk zijn onder druk komt te staan. Aan het slot van zijn studie geeft ds. De Reuver een casus van een gemeente waar de kinderdoop de regel is, maar een meelevend echtpaar kiest voor volwassendoop, terwijl zij tegelijk volop en van harte willen blijven meeleven met de gemeente. Kan dat en hoe?
Ds. De Reuver heeft een proefschrift geleverd met daarin veel materiaal (exegetisch, kerkhistorisch zowel voor de Vroege Kerk als de twintigste eeuw) dat verrijkend is en inzichten biedt. Het onderwerp (verscheidenheid binnen de eenheid van de kerk) gaat ons allen intens aan, vanwege ons staan in de Protestantse Kerk en ook vanwege vele plaatselijke situaties van gemeenten onder ons. Tegelijk roept de eigen afsluitende en op het heden toegepaste visie van de promovendus ook enkele belangrijke vragen op. Daarover zal het tweede artikel gaan.
P. F. BOUTER, LEERDAM
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's