Om Gods verhevenheid en Zijn nabijheid
Dr. A. Baars onderzoekt drie-eenheid bij Calvijn
In Apeldoorn werd afgelopen maandag, 25 oktober, de welverdiende doctorsbul uitgereikt aan ds. A. Baars, die sedert 1995 de diaconiologische vakken aan de Theologische Universiteit aldaar doceert. Het proefschrift dat hij presenteerde, betreft een studie over de drie-eenheid bij Calvijn. De fraaie hoofdtitel van dit zeer omvangrijke boek, dat niet minder dan 751 pagina's telt, vindt u boven dit artikel afgedrukt.
Kwaliteit
Wat deze Calvijn-studie zo bijzonder maakt, is overigens niet alleen de omvang, maar vooral de kwaliteit. Het is een boek van hoog niveau, veeleer een standaardwerk dan een doorsnee dissertatie. De manier waarop dr. Baars de diepzinnig dogmatische materie uiteenzet en verheldert, wekt bewondering. Zijn onderzoek blinkt uit door zorgvuldigheid, scherpzinnigheid en compleetheid. Hieraan is nog toe te voegen de belezenheid waarvan de auteur blijk geeft.
Wie het spoor van zijn lange speurtocht volgt, wordt niet alleen ingeleid in het gedachtegoed van de Geneefse reformator, maar weet zich meegenomen door de theologie der eeuwen. Collega Baars maakt namelijk volle ernst met het gegeven dat Calvijn niet de eerste, laat staan de enige en de laatste was, die zich op het mysterie van de drie-eenheid bezon. Dit wisten we natuurlijk allang, maar de auteur legt er nauwkeurig rekenschap van af. Hij doet dat gewetensvol en gedocumenteerd. Dat wil zeggen dat hij niet volstaat met de constatering dat Calvijn bepaalde bronnen heeft geraadpleegd, maar dat hij dit brongebied ook zelf betreedt en onderzoekt. Als een deskundige gids leidt hij zijn lezers zowel door het landschap van de Vroege Kerk en de Middeleeuwen als door het bonte veld van de zestiende eeuw, met alle spanningen en conflicten van dien. Dat de auteur bovendien uitdrukkelijk zijn positie kiest in het theologische debat van de nieuwere theologie, getuigt van een vakmanschap van uitzonderlijk gehalte. Ik kan me levendig indenken dat hij tijdens zijn studie bij herhaling op heel ingewikkelde en tijdrovende vraagstukken stuitte, waarbij een mens de neiging voelt zich ervan af te maken. Zo niet collega Baars. Zelfs aan de meest complexe kwesties ging hij niet voorbij. Het gevolg zal zijn dat wie zich verdiept in de triniteitsleer in het algemeen en in die van Calvijn in het bijzonder, niet aan dit standaardwerk voorbij kan gaan.
Belang
Het thema van Gods drie-eenheid is er een van de eerste orde. Het is niet alleen van groot belang, omdat de trininiteitsleer vandaag de dag, verrassend genoeg, bij theologen van naam weer volop in de belangstelling staat, maar vooral omdat iedere bijbellezer, of die nu theoloog van professie is of niet, met dit geheimenis in aanraking komt. Dat de leer van de drie-eenheid het bedenkelijke product van Grieks wijsgerig denken zou zijn, is een bewering die van weinig wijsheid blijk geeft. Het geloof in de drie-eenheid van God is niet het bedenksel van menselijk vernuft, maar veeleer de vrucht van Gods eigen openbaring. Ieder die 'onbevangen' de Bijbel leest, komt onmiskenbaar tot de overtuiging dat er slechts één God is, geen twee of meer. Al wat zich verder als god aandient, is een afgod. Maar diezelfde bijbellezer bemerkt meteen dat God een Zoon heeft Die volledig en volwaardig in het wezen van de enige God deelt. Heet Hij immers niet Immanuel, God met ons? Wanneer de Bijbel ons verzekert dat we ons heil compleet en louter aan God te danken hebben, maar eveneens dat dit heil door Zijn Zoon is volbracht, betekent dit niets minder dan dat in Christus de enige God zich met ons inlaat. God en de Zoon zijn daarom wezen-lijk één.
En nog weer verder lezend in de Schrift, komen we aan de weet dat dit heil ons wordt toegeëigend door de Heilige Geest, Die uitgaat van de Vader in de naam van de Zoon (Joh. 14: 26). 'Wanneer God zich op deze wijze toont zoals Hij werkelijk is, dan is deze God dus ook in zichzelf onderscheiden als Vader, Zoon en Heilige Geest (...). God is immers niet anders en geen ander dan zoals Hij zich aan ons bekend maakt. Zoals Hij in Christus en door de Geest Zijn hart voor ons mensen opent, zo is Hij werkelijk' (G. van den Brink).
De triniteit is geen gedachtespinsel van beneden, maar ligt verankerd in de Heilige Schrift, nader bepaald in Gods heilsboodschap die ons in de Schriften wordt betuigd. Het allereenvoudigst geloof leert God als de Drieene kennen, en niet anders. Maar in de doordenking ziet dit eenvoudige geloof zich voor de niet-eenvoudige vraag geplaatst hoe Gods drieheid zich verhoudt tot Zijn eenheid en welke de onderlinge relaties zijn tussen de Vader, de Zoon en de Geest. Daarover hebben de kerkvaders van de Vroege Kerk al heel diep nagedacht. Zij smeedden de klassieke formulering: één Wezen, drie Personen. Dat dit niet het einde van de bezinning betekende, bewijst de voortgang van de theologiegeschiedenis, waarbij uiteraard telkens de duiding van de term 'Persoon' in het geding was. Ook de reformatoren hebben aan de voortgaande bezinning hun bijdrage geleverd, waaronder die van Calvijn niet de minste is.
Overzicht
Het kan hier niet de bedoeling zijn de overvloedige inhoud van collega Baars' studie samen te vatten. Ik moet met een globaal overzicht volstaan. In een uitvoerige inleiding geeft de auteur om te beginnen een leerrijke schets van het recente onderzoek en kondigt hij aan van welke methode hij gebruik maakt. Hij kiest voor een omvattende, meervoudige analyse van het materiaal dat voorhanden is. Dat betekent een benadering vanuit drieërlei gezichtspunt.
Allereerst wordt vooral op grond van de verschillende edities van de Institutie nagegaan hoe Calvijn door de loop der jaren heen de leer van de drie-eenheid ter sprake brengt, om aan de hand van deze lengtedoorsnede de ontwikkelingen in Calvijns denken op het spoor te komen. Gedetailleerd wordt daarbij, met gebruikmaking van de primaire bronnen, ingegaan op het geschil met Servet en enkele Italiaanse antitrinitariërs.
Vervolgens biedt de auteur aan de hand van Calvijns commentaren, preken en Institutie (1559) een dwarsdoorsnede van zijn triniteitsleer, waarbij hij aandacht schenkt aan de structuur van Calvijns hoofdwerk en die van zijn gehele theologie. Daarop laat hij het hoofdstuk 'Vergelijkingen' volgen, waarin Calvijns ontwerp wordt vergeleken met dat van enkele kerkvaders (Gregorius van Nazianze en Augustinus) en met een aantal oudere tijdgenoten (Erasmus, Luther, Melanchthon en Zwingli). Het is duidelijk dat op deze manier Calvijns eigen concept des te scherper uit de verf komt en dat de vraag naar mogelijke beïnvloeding kan worden beantwoord.
Het voorlaatste hoofdstuk draagt de titel 'Grondstructuren'. Hierin wordt de oogst van het voorgaande onderzoek binnengehaald, in de vorm van een systematische schets van Calvijns triniteitsleer. In het laatste hoofdstuk, 'Bruggenhoofden', stelt Baars de vraag "aan de orde in hoeverre Calvijns opvattingen vruchtbaar kunnen zijn voor kerk en theologie in onze tijd.
Inhoud
De duidelijkheid en precisie van deze studie worden in hoge mate bevorderd door de conclusies waarmee college Baars de afzonderlijke onderdelen telkens afsluit. Laat ik wat hoofdconclusies noemen, waardoor meteen enkele kernen van de inhoud aan het licht komen.
Vanaf de eerste editie van de Institutie (1536) blijkt de triniteitsleer van fundamentele betekenis te zijn voor Calvijns theologie. Van meet aan wacht hij zich echter voor een louter theoretische doordenking die het geheimenis met het verstand wil doorgronden. Het gaat de reformator niet om formules die het intellect bevredigen, maar om de betekenis van de drie-eenheid voor de omgang met God. Als een refrein klinkt dit vermaan voortdurend op: de drie-eenheid wil niet begrepen worden, maar aangegrepen en aanbeden zijn, tot verdieping, verwondering en vertroosting van het geloofsleven. Deze praktisch-geestelijke toespitsing komt nadrukkelijk aan de dag, wanneer Calvijn de Schrift en de ervaring aanmerkt als de leerschool waarop ons de kennis van de drie-enige God wordt bijgebracht! Dat Calvijn (in het conflict met de heerszuchtige Caroli) weigert de klas-
sieke terminologie te volgen, betekent intussen niet dat hij inhoudelijk afstand neemt van het oud-kerkelijk dogma. Wat hij op het oog heeft, is veeleer zich zoveel mogelijk aan het woordgebruik van de Schrift te houden en het praktisch nut van de leer der drie-eenheid te onderstrepen. De oud-kerkelijke terminologie heeft haar goed recht, maar een slaafs gebruik ervan acht Calvijn ongewenst. Sterker nog dan in de Institutie concentreert Calvijn zich in zijn commentaren op de 'praktische kennis' van de drie-eenheid. Dat hoeft niet te verbazen. Het genre van een exegetische commentaar is nu eenmaal anders dan van een dogmatisch handboek.
Systematisch doordacht
Om een voorbeeld te geven van deze praktische benadering, vermeld ik een prachtig citaat uit de commentaar op Johannes 5: 20 ('De Vader heeft de Zoon lief'), waarin de relatie tussen de Vader en de Zoon aan de orde is: 'Wij weten dat Christus was uitverkoren opdat de gehele liefde van God in Hem zou rusten en van Hem als van een volle fontein naar ons zou stromen. Want de Vader heeft Christus lief omdat Hij het hoofd is van Zijn kerk'. Een zin om in het hart te bergen! Vooral in zijn preken onderstreept de reformator dat de drie-eenheid een geheimenis betreft dat 'te hoog is voor ons bevattingsvermogen' en dat wij het moeten aanbidden zonder het (al) te begrijpen. Het ligt voor de hand dat Calvijns (definitieve) Institutie van meer systematische doordenking blijk geeft. Immers, daarin speelt niet alleen de opbouw van het geloofsleven een rol (dat ook!), maar niet minder de weerlegging van dwalingen. Vooral met het oog daarop komt Calvijn dan tot zorgvuldig doordachte formuleringen. Zo stelt hij dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie Personen zijn binnen het ene goddelijke Wezen, waarbij hij onder 'Persoon' wil verstaan: 'een bepaalde zelfstandigheid in het Wezen van God, die hoewel met de andere Personen verbonden, zich daarvan onderscheidt door een onmededeelbare eigenschap'. Om het met de woorden van Baars te zeggen: tussen de drie Personen bestaat een netwerk van wederkerige relaties. .
Het zou bij deze gelegenheid te ver voeren de vergelijkingen met kerkvaders en met Calvijns tijdgenoten op te halen. Ik noteer alleen dat Calvijn heeft voortgebouwd op wat hij onder anderen bij Gregorius van Nazianze en bij Augustinus aantrof, maar dat hij niet aarzelde om daarbij kritisch en corrigerend te werk te gaan. Ook met betrekking tot zijn tijdgenoten blijkt Calvijn, ondanks nauwe verwantschap met zijn reformatorische confraters, eigen wegen te gaan.
Heilsleer
Ik moet hier afbreken. Niet omdat ik aan dit rijke, rijpe boek voldoende recht zou hebben gedaan, maar omdat een diepgravende theologisch evaluatie in de Waarheidsvriend niet op zijn plaats is en elders zal gegeven worden. Maar nog één ding wil ik kwijt, en dat is dat 'veruit de grootste concentratie van trinitarisch getoonzette formuleringen optreedt in Calvijns leer van het heil en in de leer van de kerk'. Deze conclusie is van vérstrekkende betekenis. Kennelijk wilde Calvijn met nadruk in het licht stellen 'dat het delen in het heil en het leven uit het heil de vrucht is van het werk van de drie-enige God'. En wat het hart van dit heil uitmaakt, kan voor ieder die zich in Calvijns nalatenschap verdiept niet verborgen blijven. Het is niets anders dan de geloofsgemeenschap met God, een gemeenschap die uitgaat van de Vader, gegrond is in het middelaarswerk van de Zoon en, binnen de bedding van de kerk, bewerkt wordt door de Heilige Geest als de band der gemeenschap. Theologisch ligt het begin bij de Vader. Vanuit de gelovige bezien kent Calvijn echter twee varianten. Nu eens is het de Geest Die ons tot Christus en tot de Vader leidt, dan weer is het Christus Die ons (door de Geest) de Vader doet kennen.
Van een trinitarische structuur van Calvijns theologie wil Baars niet direct spreken. Niettemin houdt hij het erop dat het trinitarisch dogma voor Calvijns theologie van grote betekenis is, met name voor de leer van het heil. De laatste zinnen van dit waardevolle werk zijn te mooi om er niet mee af te sluiten: 'Gods verhevenheid en Zijn nabijheid horen bij elkaar en verklaren elkaar. Juist als de Drie-enige is de Verhevene zeer nabij, want in Christus tast het gelovig gemoed Hem als het ware, en raakt het Hem aan (Inst. 1, 13, 13). Misschien moeten we het nog anders zeggen: In Christus en door Zijn Geest komt Hij zeer nabij en raakt Hij ons aan'
A. DE REUVER
N.a.v. A. Baars Om Gods verhevenheid en Zijn nabijheid, De Drie-eenheid bij Calvijn. Uitg ' Kok ' Kam P en 5 75* blz - 5 € 4*, 5°-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's