Jezus zien!
'Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.' [1 Johannes 3 : 2]
Het is een hele uitspraak: Geliefden, nu zijn wij kinderen van God. Maar we houden het er toch op. Dat mag, dankzij Gods genade. Maar we verbazen ons er wel over.
Want wat zijn we al niet...? We zijn gezond, wij zijn vader of moeder, wij zijn oud of nog een kind, we zijn rijk of juist niet. Misschien zegt u: en weet u wat ik ook ben? Ik ben een zondaar. Ik ben iemand, die het niet goed gedaan heeft in mijn leven. Ja, dat kan ook nog.
Misschien zegt iemand wel: ik ben een pessimist. Ik zie het heel somber in. De toekomst van de wereld en ook van mijzelf.
Ja, wat kunnen wij al niet zijn, gemeente. Nu zijn wij... Vult u zelf maar in.
Als we maar bij en ondanks dit alles ook mogen zeggen: ik ben een kind van God. Want dan kan al dat andere ook waar zijn. Maar dit is dan toch de diepste waarheid van mijn leven. Dat ik in leven en in sterven niet meer van mezelf ben, maar het eigendom van mijn Heere. Dat ik Zijn kind mag zijn. Wel ben ik dan nog geneigd om te vragen, hoe u dat geworden bent. Want dat zijn we niet zomaar, kind van God. Nee, we zijn het gewórden. Eerst waren we het niet. Toen waren we wel kinderen, maar van de duisternis. Dat zegt de Bijbel tenminste en dan zal het ook wel waar zijn. Maar God heeft ons toen gemaakt tot kinderen van het licht.
Hoe ging dat dan? In het voorafgaande vers wordt ook daarvan iets verteld. Daar staat namelijk, dat wij door de Vader zijn kinderen zijn genoemd. We zijn dus niet zelf begonnen met te zeggen dat wij Gods kinderen zijn. Dat zou trouwens een beetje riskant zijn. Dat moet u ook maar nooit proberen, om zelf te beginnen met u een kind van God te noemen. Want stel, dat het niet waar is. Dan zou u uzelf bedriegen. En dat wens ik u niet toe.
Nee, de Vader noemt ons Zijn kind. En als de Vader ons zo noemt, dan zijn we het ook. Dan zijn we het écht. Zijn Kind genoemd worden en-Zijn kind zijn, dat hoort bij elkaar. Maar daar ga ik nu niet verder op in.
Ik wil namelijk de nadruk laten vallen op dat woordje 'nu': Geliefden, nü zijn wij kinderen Gods. Uit het vervolg van de tekst blijkt, dat dit 'nu' een tegenstelling vormt met hoe het in de toekomst zal zijn, met 'straks' dus. Nü zijn we kinderen van God.
Waarom valt de nadruk daar zo op? Ik denk, omdat kind van God zijn niet iets is, waarvan je kunt zeggen: o, dat komt later wel. Nee, het gaat erom, dat we het nü zijn.
Nü zijn we kinderen van God. Toch? Of bent u het nog steeds aan het uitstellen, om serieus na te denken over uw relatie tot God? Dat moet u niet doen. Want u weet niet, hoe het morgen is. Daarom moet u het nü weten. Nu! Dat is het heden der genade. De Heere zegt tot u: zo gij Mijn stem dan heden hoort, gelooft Mijn heil- en troostrijk woord, verhardt u niet, maar laat u leiden (Ps. 95 : 4).
Toch heeft dat 'nu' uit de tekst ook nog een andere betekenis. Ik zei het al: dit 'nu' staat in tegenstelling met 'straks', met de toekomst.
Dan wijst het zowel op het waardevolle als op het gebrekkige van ons kind van God zijn, nu, in dit leven. Allereerst het waardevolle ervan. Ik kan misschien nog beter zeggen: het verbazingwekkende. Want het is wat, dat wij nu kinderen van God zijn!
De kanttekeningen op de Statenvertaling zeggen: als dat zo is, hebben wij recht op het eeuwige leven. Daar mogen wij zeker van zijn. En dat is ook zo. Want kinderen hebben immers erfrecht.
Als je ouder wordt, ga je daar steeds meer aan denken. Je hebt wat gespaard, en dat gaan je kinderen straks erven. Daar ga je zonder meer vanuit. Jijzelf en ook je kinderen. Wantje kinderen hebben daar recht op. Dat ligt in hun kindschap opgesloten. En dat geldt ook van Gods kinderen. Zij hebben recht op het eeuwige leven. Natuurlijk is dat een genaderecht, maar het is toch een recht. Want het ligt vast in Gods testament. En dat kan door niemand worden gewijzigd, laat staan ongedaan gemaakt. Vandaar, dat de kanttekenaren aan dat recht de zekerheid verbinden. We kunnen voor honderd procent erop aan.
Toch denkt u misschien wel eens: maar zou het wel waar zijn? Helemaal zeker ervan zijn, dat we behouden zullen worden: is dat wel mogelijk? Geen misschien dus, geen hoopje, geen ja maar, geen zweem van twijfel. Alleen maar zekerheid. Is dat niet te hoog gegrepen?
Nee, toch niet. Ik ben verzekerd..., zegt Paulus (Rom. 8). En Gods kinderen mogen hem dat nazeggen. Want nogmaals: ons behoud ligt vast in Gods testament. En dat testament is bezegeld door het bloed van het Lam. Zekerder kan het toch niet?
Daarom mag ik ook tot u vrijmoedig zeggen: geliefden, nu zijn we kinderen van God! En ik hoop, dat u dan stilweg zult antwoorden: als ik op mezelf zie, is het niet waar, kan het niet waar zijn. Maar als ik op mijn Vader zie, ja, dan is het waar. Daar ben ik zeker van. Want ik weet, dat mijn Vader niet liegt en dat Hij zijn beloften waarmaakt, ook aan mij.
Maar er zit aan dat 'nu' ook nog een andere kant. Het betekent ook, dat er aan ons kind van God zijn nu nog het een en ander ontbreekt. U bent misschien geneigd om te zeggen: dat kan toch bijna niet. Want als je weten mag, datje behouden bent en datje straks naar de hemel gaat, wat wil je dan nog meer?
Ja maar, toch ontbreekt er nog iets aan: namelijk de volle werkelijkheid ervan, van ons kind van God zijn. Ik ga er nu maar vanuit dat u mag weten, zeker weten zelfs, dat u dat bent, kind van God. Maar dan is dat wel een zekerheid van het gelóóf. En geloven doe je op grond van Gods belofte. Daar kun je van op aan.
Maar iets anders is het, of uw kind van God zijn in uw leven ook tastbare en zichtbare werkelijkheid is. Zodat u op grond van uw leven en uw levenswandel kunt zeggen: zie je wel, dat ik een kind van God ben? Dat kan ik aan mezelf zien. En ook anderen kunnen dat aan me zien. In heel mijn manier van leven komt dat immers duidelijk tot uiting. In mijn woorden, in mijn daden, in mijn gezin, op mijn werk, in wat ik in de gemeente doe. In alles maak ik duidelijk, dat ik een kind van God ben.
Is dat zo? U voelt het: helaas niet. Daar ontbreekt nog zoveel aan. Zoveel, dat ik er nogal eens aan twijfel, of ik wel echt een kind van de Heere ben. Want ik leef er vaak helemaal niet naar. Juist in mijn gezin en op mijn werk, en in de gemeente komt dat pijnlijk voor de dag. Voor anderen misschien nog niet zo, maar voor mezelf wel. Nee, als ik op grond van mijn levenspraktijk moest concluderen, dat ik een kind van God ben, zou ik het echt nog niet weten.
Ik denk, dat ik u gelijk moet geven. Maar ook daarom staat dat woordje 'nu' in de tekst. Nü zijn we kinderen van God. Dat is meer een geloofsuitspraak dan een ervaringsuitspraak. En straks dan? Wordt het dan anders en beter en duidelijker? Hoe zal het dan met ons zijn?
In ieder geval volgt er iets op, dat inderdaad meer en beter is. Maar wat dat meerdere en betere dan is? De tekst zegt: dat weten wij nog niet, want dat is ons nog niet geopenbaard.
Nog niet. Jammer! Dat stelt me wel teleur. Is er echt niet meer te vertellen dan dit?
Het kan ons zelfs somber stemmen, zo nu en dan. Want het betekent, dat we dus nog voor een grens staan, waar we wel voortdurend tegenaan hikken, maar waar we niet overheen kunnen komen. Telkens stoten wij weer op die grens en dat maakt ons verdrietig, soms een beetje hopeloos. Wordt het met ons dan ooit nog weieens wat? Er valt daar niets tegen te doen. We zijn nu eenmaals begrensde mensen, we zijn ook begrensde kinderen van God.
En waar ligt die grens dan? Om te beginnen zou ik de dood zo'n grens willen noemen. In het leven schieten wij als kinderen van God telkens weer tekort. Jammer genoeg! Maar daar komt eens een eind aan. Als we sterven. Nee, ik zeg het niet goed: als we heengaan, naar het Vaderhuis. Als ons 'sterven' 'erven' wordt. Als het 'nu' overgaat in 'straks', het tijdelijke leven uitmondt in het eeuwige leven en het aardse bestaan wordt opgeheven tot hemelse volmaaktheid en heerlijkheid. Dan is de grens voorgoed overschreden.
Soms kun je daar intens mee bezig zijn.
Misschien ligt het eraan, hoe oud je bent. Ik kan eerlijk zeggen, dat ik er veel aan denk. Maar ik ben dan ook al de zeventig gepasseerd.
Ik denk er bijvoorbeeld vaak aan, dat een van ons beiden het eerst zal overlijden. Wie zal het zijn? Mijn vrouw of ikzelf? Maar dat weten we niet. Ik probeer wel beide scenario's, als ik het zo eens mag zeggen, mij in te denken. Hoe zal het gaan als mijn vrouw alleen overblijft? Ik hoor haar dan weieens zeggen: ik zal je heel erg missen. Maar ik denk, dat ik dan maar dit of dat ga doen. En als ikzelf overblijf, hoe zal het dan gaan?
Ja, daar moet ik vaak aan denken. Het is niet anders. Het zal wel niet goed zijn van me, maar soms zit ik er nu al heel erg tegenaan te kijken. Ik dénk, dat het best heel moeilijk zal worden. Maar nu zegt de tekst: hó, even, u leeft vandaag: nü. En nü mag je door genade weten een kind van God te zijn.
Laat dat dan voor u genoeg zijn. En hoe het straks met u zal gaan? Dat is nog niet geopenbaard. Dus: leg dat maar in Gods handen, in de handen van uw hemelse Vader. Want Hij heeft u toch tot zijn kind aangenomen? Nu dan, dan zal Hij straks als het zover is, toch ook wel voor u zorgen?
Dat vind ik een enorme opsteker. Als dat geloof mijn hart weer in bezit neemt, komt er een nieuw perspectief.
C. GRAAFLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's