Wachten op God
'Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.' [Psalm 130: 5]
Psalm 130. De projündis. Vanuit de diepte. Een herkenbaar lied, aansprekende woorden, juist omdat wij mensen in ons eigen levensverhaal dat ook tegenkomen.
Als je ervaart dat heel veel je tegenzit. Als je misschien lijdt aan het leven. Als je weet dat het leven echt niet alleen zonnige en vrolijke kanten heeft, maar ook, en misschien wel heel vaak, die andere, die donkere kant. Moeiten en gemis, pijn en verdriet. Datje het gevoel hebt datje heel diep zit, en dat het haast onmogelijk is om, heel ver weg, nog een straaltje zonlicht te zien. Roepen vanuit de diepte. Woorden die raken aan diepe, menselijke ervaringen. Ervaringen die elk mens van tijd tot tijd kan hebben.
Dan blijft er misschien ook niets anders over dan roepen tot die Ene, met een hoofdletter, de Almachtige, de Eeuwige. Als alles je bij de handen lijkt af te breken, is het een zegen als je ontdekt dat dan je roepen niet tevergeefs is.
Roepen vanuit de diepte. De diepten van het menselijk leven, en in die zin kunnen de psalmwoorden heel herkenbaar zijn.
Maar ook... En het zijn niet alleen die diepten, de moeiten, de donkerheid van het leven. Zonder daaraan af te doen, raken de woorden van de psalm ook aan andere diepten. De diepten van de schuld.
Ook die diepten die je soms kunt ervaren. De schuld tegenover mensen en, zeker niet in de laatste plaats, de schuld tegenover God. Zo is deze Psalm 130 een lied dat ook in die zin spreekt van een dieptepunt. Althans, daar begint het.
'Vanuit de diepten roep ik tot U, o HEERE.'
De diepte. Dat is dus de plaats van waaruit dit lied geschreven is. Vanuit de diepten. Hetzelfde woord komen we tegen in Psalm 69: 'Verlos mij o God. Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.' Je zou kunnen denken aan drijfzand. Je zakt erin weg. Steeds dieper. Je kunt er zelf niet meer uit komen. Dat lukt niet. Daar is geen mogelijkheid voor. Je wordt in die zuigende modder steeds verder naar beneden getrokken. Hoe meer je beweegt om los te komen, des te vaster kom je te zitten. Het is een hopeloze toestand. Als het zo blijft zoals het is, dan heb je geen ander uitzicht dan om reddeloos ten onder te gaan.
Ja, wat doe je dan in zo'n situatie? Je kunt geen kant op. Je kunt niet anders dan roepen. Dat is het enige... Heel hard roepen om hulp, voordat het te laat is. Want je kunt wel denken: Wie weet, is er niemand die me hoort... Zal ik wel roepen, zou het niet voor niets zijn? Maar zo werkt dat niet. Als je werkelijk iets beseft van de nood waarin je verkeert, dan is er geen ruimte voor overwegingen: Zou mijn geroep nu wel helpen, of niet? Nee, dan komt die stem: Hoor mij, help mij!
Dat gebeurt in Psalm 130: 'Uit de diepten... roep ik tot U.' Roepen. Aanhoudend, indringend roepen. Roepen..., ja naar Wie eigenlijk? Zomaar in de hoop dat er misschien iemand is die je hoort? Nee, het roepen is heel gericht. Het is roepen tot God. De HEERE. De Almachtige. De Schepper van hemel en aarde.
Maar een gebed om verhoring: 'Heere, sla acht op mijn roepen. U bent de Enige Die mij redden kan. Een andere verwachting heb ik niet. Hoor naar mijn stem. Ik wacht op U.'
Daar loopt de psalm op uit. Wachten op God.
Wachten, niet in de zin van afwachten, maar... ver-wachten, uitzien. Dat is hopen op Hem. Dat is vol verlangen wachten en uitzien op Hem. 'Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen.' Dat is niet afwachtend, maar reikhalzend. Wanneer komt Hij nu? Meer dan wachters op de morgen, wachters die de nacht over moesten waken. Die moesten wakker blijven en waarschuwen als er gevaar dreigde. Uitzien naar de nieuwe morgen. Dan zit de nachtwake erop. Dan is het weer voorbij. En als zo aan het einde van de nacht het al zo lang duurt, dan kijk je uit naar de morgen.
Als je gaat staan op een heuveltop, als de nacht al een heel eind voorbij is, dan is het indrukwekkend om de eerste zonnestralen op te vangen, te zien hoe de zon met een heel klein randje boven de horizon opkomt. Wachten op dat moment. Nachten kunnen wel eens lang duren.
In de eenzaamheid. Op een ziekbed. De nachten... ze duren zo lang. Het lijkt soms wel alsof er geen eind aan komt. De angst, de benauwdheid. Als je niet kunt slapen. Dan kruipen de minuten voorbij. Zo wachten de wachters op de mor-
gen. Reikhalzend, met verlangen wachten ze op de morgen. Want kómen doet hij. Hoe lang het voor je gevoel ook duurt.
Zo is het ook met het wachten op God. Juist dat is de grond voor het vertrouwen. Want mijn wachten is niet zomaar. Het is wachten op de HEERE. Hij is getrouw. En al is het vaak moeilijk om dat te geloven, toch kan ik niet anders en wil ik niet anders.
Want één ding weet ik. Net zoals de wachters weten dat de morgen komt, ook al duurt het nog zo lang. Zo weet ik dat Hij komt en dat Hij me redden wil en zal. En daarom: 'Mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn Woord.' Waar hoop ik op? Wat ik voel, wat ik zie...? Ik ben er wel steeds weer toe ge neigd. Uiteindelijk hoop ik op Zijn Woord. Wat Hij heeft gezegd. Wat Hij heeft beloofd. Wie Hij is. Dat is de enige grond waarop ik kan bouwen. Zijn Woord, daar mag ik 'Amen' op zeggen: 'Zo doe Hij ook aan mij!'
J. H. Adriaanse, Dinteloorjd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's