Een steek in Zijn hart
Godslastering, een zwaar vergrijp
Jn de auto zette ik de radio aan, op weg naar een bijeenkomst. De eerste zin (en daardoor ook de laatste) die ik hoorde, bevatte de grootste vloek die mogelijk is. Nederland discussieerde even over 'smalende godslastering', over het artikel in het Wetboek van Strafrecht dat hierover handelt. Het libertijnse vrijheidsdenken dat het klimaat in ons land doortrokken heeft, gaat het karakter van ons land meer en meer aantasten en omvormen. Scholen hóren het homoblad Expreszo toch uitte delen, bepalingen over de zondagsrust zijn toch gedateerd en gelovigen móeten toch geen lange tenen hebben?
Wat nut ons het schrijven over godslastering? Welk effect heeft de moed van minister Donner, om te benoemen dat de wet grenzen stelt aan ons woordgebruik? Nog meer vloeken in de media? Een verdere insnoering van de ruimte die christenen in het openbare leven nog hebben? Een handreiking aan kamerleden van met name D66 om nog eens te bezien welke herinneringen aan het christelijk geloof de komende tijd uitgewist kunnen worden?
Schrijven over godslastering zal allereerst een protest moeten zijn tegen het misbruik van de Naam van God! Hij is de Schepper van ieders leven. Hij is ook de Koning van allen die Zijn onderdanen zijn. Zij kunnen en mogen het niet verdragen dat die heilige naam bespot wordt. Want Zijn Naam, dat is Hijzelf. De getrouwe, Die beloofd heeft altijd Dezelfde te zijn. God, die enkel goedheid is, wordt bespot en veracht.
Dit is de kern. Het politieke debat ging grotendeels over de vraag of gelovigen in hun overtuiging eerder gekwetst zouden zijn en daarom extra beschermd moeten worden. Waar het vooral over moet gaan, kwam niet in discussie. Christenen zullen moeten leren leven met de werkelijkheid niet meer dan hun Meester te zijn, weten dat hun lijden hen niet als iets vreemds overkomt. Hun protest komt voort uit liefde tot hun Heere. Het geeft juist te denken als zij nooit bespot worden. Daarom moeten we ons trainen in het getuigen en belijden op de goede manier, zullen we onze jongeren meer dan ooit moeten voorbereiden op het karakter van onze samenleving.
Psalm 2
Maar als je niet in God gelooft, kun je Hem toch ook niet lasteren? Als je Gods bestaan ontkent, kun je Hem toch ook niet willen treffen? Inderdaad is vloeken een merkwaardige zonde. Als je steelt of liegt, kun je er beter van worden. Als je een afgod aanbidt, kun je menen die gunstig te stemmen. Maar wat beoogt iemand met een krachtterm?
Wie Zijn naam misbruikt, verwerpt het gezag van de levende God over zijn leven. Dat sluit erkenning van Zijn bestaan in. Die krenkt Hem in Zijn diepste wezen, dat is Zijn heiligheid en liefde. Dat is de werkelijkheid, ook in het leven van degenen die zeggen aan God geen boodschap te hebben. Aangrijpend is dat wie vloekt, altijd verliest. De naam van God kin niet ongestraft gelasterd worden, al is het artikel in ons Wetboek van Strafrecht bijna tot een dode letter geworden of al zou het geheel verdwijnen. De Heere laat niet met Zich spotten. Psalm 2 leert ons dat God vanuit de hemel lacht en ziet naar degenen die ijdelheid bedenken, plannen tegen Hem beramen. Calvijn legt hier uit dat dit lachen aangeeft dat God haast spelenderwijs, zonder dat het Hem moeite kost, het overleg van de goddelozen kan doorkruisen. Hij wacht echter op het geschikte moment om in te grijpen, omdat Hij niet kan aanzien dat het Koninkrijk van Christus gekrenkt wordt. Want ingrijpen zal God, omdat niets Hem zwaarder weegt dan opstand tegen het rijk van Zijn Zoon.
Niet onschuldig
Deze wetenschap van het geloof typeert in welke spanning de volgelingen van Christus leven en werken. Zij horen Zijn naam lasteren én hebben daartegen te protesteren. Zij mogen ijveren voor Gods eer. Tegelijk leven ze bij het Schriftwoord dat aan God de wraak toekomt en dat Hij zal vergelden. Met Asaf, de dichter van Psalm 73, zijn wij slechts vol huiver als we het levenseinde zien van degenen die zonder God leefden. 'Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting? ' God heeft in de Tien Woorden van Zijn verbond hierop al gewezen, toen Hij aan Mozes doorgaf dat Hij niet onschuldig zal houden die Zijn Naam ijdel gebruiken (Exodus 20, 7). Uiteindelijk kan geen mens die Naam beschermen, maar zorgt God hier zelf voor.
Hier ligt wel een fundering van onze roeping om Gods Naam uit te dragen. Paulus schrijft dat de wetenschap van de schrik des Heeren, hem beweegt mensen tot geloof op te roepen. Het oordeel dat God voltrekt over de zonde, is vanouds een missionair motief geweest, om te getuigen van de Naam. Er is immers geen andere Naam onder de hemel gegeven, waardoor we zalig moeten worden. Die Naam doet wonderen. Een spotter aan het kruis werd een belijder. John Bunyan, getypeerd als de vloekende ketellapper, werd een 'grote' in het Koninkrijk van God.
Zeventiende eeuw
Het verbod op de lastering van Gods naam is een van de geboden uit de eerste tafel van de wet. In onze verhouding tot God gaat het om de erkenning dat er één God is, om een juist beeld van Hem en om Zijn naam en Zijn dag. Het is daarom weinig verheffend in de vorige maand verschenen studie van prof. A. Th. van Deursen over de tien geboden in de zeventiende eeuw te lezen dat het vloeken zo kort na de Reformatie in ons land ook wijdverbreid was. 'Het is slechts Gods onbegrijpelijke lankmoedigheid dat het geen pek en zwavel regent over een land, waar zijn naam zo lichtvaardig gebruikt wordt', klinkt het in een catechismuspreek van ds. Petrus van der Hagen. En ds. Bernardus Smytegelt verwoordt het zo: 'Rijt gij op schuiten, op wagens, op wegen in Holland, Zeeland en door gantsch Nederland, 't is of gy in de helle leefde. Elk heeft vloeken, nieuwe en oude'. Het is dezelfde pijnlijke constatering die voor onze tijd geldt, die prof. Van Deursen tegenkomt in een catechismusverklaring van Cornelis Poudroyen. Aan de ene kant: Wie Gods naam ontheiligt, steekt Hem in het hart. Aan de andere kant: mensen houden vloeken voor een zwakheid, een licht vergrijp, een aangenomen gewoonte.
'Een stem van vloek'
Dat de bestrijding van het vloeken - ook al is de finale afrekening aan God - niettemin hoge prioriteit heeft, lezen we in Levicitus 5, 1: 'Als nu een mens zal gezondigd hebben dat hij gehoord heeft een stem van vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.' Johannes Beeltsnyder, ook een zeventiende-eeuwer, wijst in zijn verklaring hiervan met name op de overheid! 'Ze doen het niet, onze christelijke magistraten, die daarin zo slap zijn dat ze geen enkele zorg dragen om de lastering van Gods naam te weren'. In die tijd waren de wetten wel helder, maar ontbrak het aan de daadwerkelijke sancties.
Gezag ligt echter niet alleen bij de overheid. Daarom meende de al genoemde ds. Petrus van der Hagen dat huisvaders hun kinderen nooit strenger moesten straffen dan wanneer ze vloekten, en schoolmeesters 'haer roede en plak niet sparen, als de name Gods niet gespaert en word'. Spreuken 29, 24 - 'die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek en geeft het niet te kennen' - is nog immer van kracht.
Zijn Naam aanroepen
Wie nooit vloekt, leeft niet automatisch naar de wet van God. Het gaat niet om het niet misbruiken van Zijn naam, maar om het eren ervan. Na het
verschrikkelijke uit Genesis 3 en de moord op Abel gaat het leven op aarde voort. Tot we aan het einde van Genesis 4 lezen dat 'men de naam des Heeren begon aan te roepen'. Dat is een omslag, een wending, een teken van hoop. Want daarmee wendde men zich tot God Zelf. 'Hij is met Zijn Naam geheel nabij en toch blijft Hij tegelijk oneindig hoog. In de kennis van de naam van de Heere is alle leer, de gehele theologie samengevat: Zijn ganse wet, ' zo verwoordde ds. H. G. Abma het ooit.
Omdat de Heere heerlijke dingen gedaan heeft op de gehele aarde, dienen wij Zijn Naam centraal te stellen. 'Dankt de Heere, roept Zijn naam aan, mïakt Zijn daden bekend onder de volken! Vermeld dat Zijn Naam verhoogd is', zegt Jesaja 12. Dat is de opdracht voor allen die in die Naam hun behoud vonden. En de Heilige Geest maakt dat dit getuigenis mensen inwint om van een vloeker een bidder te worden, van een lasteraar een belijder. Ondertussen luistert dat nauw in ons leven, want waar Gods naam geassocieerd wordt met onze concrete dagelijkse zonden, doen we die naam oneer aan. De eerste bede van het Onze Vader, Uw Naam worde geheiligd, is daarom zo wezenlijk. De Heidelberger belijdt dat we al ons leven, onze gedachten, woorden en werken zo moeten schikken dat Gods Naam niet gelasterd maar geëerd wordt. Dat vraagt een nauwgezet leven.
Wij loven u, o Heer, want Uw naam, zo rijk van eer, is tot onze vreugd nabij.
P. J. Vergunst
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 2004
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's