Van Sinai naat Bethlehem
Lust om Gods welbehagen te doen
Het is wonderlijk gesteld met de wet des Heeren. Hij klinkt in de Bijbel door, zoals het orgel zingt: donkere zware tonen, afgewisseld door hoge, vreugdevolle klanken, gevolgd door het lied van heimwee en verlangen. Dit alles uitlopend op een slot, waarin de harmonie van dit alles vrede en rust uitstraalt Zo is de wet van God. Beangstigend. Sidderend stonden de kinderen Israëls aan de Horeb, toen zij hoorden en zagen 'de donderen, de bliksemen, het geluid der bazuin en de rokende berg'. Wie zal bestaan voor Gods majesteit?
Donker en dreigend klinken de woorden door: 'Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen!' En dan ook weer die vreugdevolle tonen: 'Hoe liefheb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de ganse dag.' Heerlijk, om die wet in het hart mee te dragen. Als vrucht van het geloof én blijk van dankbaarheid. En dan toch weer die dissonant, die valse toon: de wet, om er wat mee te wórden. De wet in de hand van de Farizeeër, als een zware last die niet te torsen is. De schijnmogelijkheid, om door de werken der wet de zaligheid te verdienen, waardoor je alleen maar wanhopig wordt.
Vreugde der wet
Het is ook heerlijk gesteld met de wet des Heeren. Want we zien deze in de hand en in het hart van Christus. En dan vloeit alles toch ineen in een schone harmonie. Maar vóór het zover is, zijn daar opnieuw die ingrijpende tegenstellingen tussen de donkere tonen van oordeel en gericht en de liefelijke klanken van het evangelie van vrije genade.
Ook op de levensweg van de Middelaar. Het begint - opvallend - in Zijn kindertijd. Als twaalfjarige jongen wordt Hij 'zoon der wet', zoals alle jongens in Israël. Dan mag Hij mee naar de tempel en daar is Hij toch ook weer heel anders dan al die jongens om Hem heen.
In die tempel legt Hij een getuigenis af: 'Wist gij niet dat Ik zijn moet in de dingen Mijns Vaders? ' Als een vervulling van de woorden van de Psalmist, in vroeger eeuwen uitgesproken: 'Ik heb lust, o mijn God! Om Uw welbehagen te doen; Uw wet is in het midden van mijn ingewand.'
De vreugde der wet in het leven van een twaalfjarige. Een aansporing en een voorrecht, om de heerlijke dienst des Heeren te leren aan onze kinderen, om Zijn dienst aan te prijzen bij onze jongeren. Is het voor onze jongeren niet het beste, om de Heiland te volgen in Zijn voetsporen? In deze verworden, benauwende en ondergaande wereld?
Hierboven schreef ik: 'Het begint in de kindertijd van de Heere Jezus'. Maar is eigenlijk wel waar? Begon het niet al bij Zijn geboorte? Hij kwam ter wereld, als alle andere kinderen. In de smartelijke weg van de geboorte. Met smart, zoals uitgesproken werd in de donkere nacht in het paradijs, die volgde op de heerlijke tijd van vreugdevol verkeren met de Schepper. De Heere Jezus werd geboren op een wereld vol angst en ellende. Omgeven door helse machten. En als de engelen aan de herders de heerlijke boodschap brengen aangaande de vervulling van Gods belofte, zijn deze herders slechts dodelijk verschrikt.
Vanwege de heerlijkheid Gods. Begrijpelijk. Want deze heerlijkheid, deze majesteit van God is als een verterend vuur voor een sterfelijk mens. Zij sidderen van angst - zoals de kinderen Israël aan de voet van de Sinaï.
Last van de wet
Maar in de kerstnacht klinkt een heerlijk evangelie: 'Vreest niet. Ik verkondig u grote blijdschap ' Als we over die blijdschap spreken, komen we óók toe aan de wet. In het leven van de Heiland. Want blijdschap, vrede, vergeving, verzoening... dit alles is verdiend door de eniggeboren Zoon van God. Daartoe ging Hij diepe wegen. Daarom heeft Hij de last van de wet gevoeld en gedragen.
De wet brengt de dood. Die vijand kwam de Levensvorst tegen. Toen dat jongetje uitgedragen werd naar het graf. Toen Jaïrus in diepe nood tot de Heiland kwam, omdat dat meisje stervende was. Toen de Heere wenend stond aan het graf van Lazarus. De wet toont ons de verscheurende kracht van de zonde. En waar deze openbaar kwam, was de Heere erbij. Om de tollenaren en al die andere zondaren te bevrijden. De wet geeft ons het besef van de macht van de duivel. Maar de Zaligmaker ging hem niet uit de weg.
Mokerslagen
Bovenal openbaart de wet ons de toorn van God over de zonde. Onze zonde. En Gods toorn is als een brandend vuur, alles verterend wat in de vlammen van het gericht geworpen wordt. Als we daar iets van voelen? Dan klagen we méé met de psalmist: 'O Heere! Straf mij niet in Uw toorn en kastijd mij niet in Uw grimmigheid. Wees mij genadig, Heere! Genees mij, Heere, want mijn beenderen zijn verschrikt!'
Hoe worden wij daarvan dan bevrijd? Dat kan alleen door het werk van de Middelaar. Dan horen wij opnieuw van de mokerslagen van de wet. Dan zien wij de Zoon van God, kruipend en wenend - in het stof der aarde. In de hof van Gethsémané wordt de stilte van de nacht verscheurd door een bange klacht. Het lijden is eigenlijk te zwaar. 'Vader, of Gij wilde deze drinkbeker van Mij wegnemen!'
En toch: ook toen was er geen andere begeerte in het hart van de Heiland, om het welbehagen van de Vader te doen. Niet anders dan toen Hij als jongen in de tempel was. Ook in die donkere nacht horen we een belijdenis van overgave: 'Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede!'
Wordt het die dag erna niet veel erger? Rond Golgotha verandert de dag in de nacht. Dan gaat de vreugde over in de diepst denkbare smart. 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? ' O, die gloed van Gods toorn. Verterend. Verdoemend. En daar was de Heiland: in de diepste angst en verlatenheid der hel. Banden van de dood gingen Hem omvangen, angsten van de hel gingen Hem treffen.
Verzoening
In dat dodelijk uur vindt het grootste wonder plaats, dat ooit geschied is. Dan wordt er een werk gedaan, dat geen mens ooit heeft kunnen uitdenken. Rond kribbe en kruis komt het eeuwige wonder van Gods genade openbaar. Daar wordt verzoening
gedaan. Daar wordt de toorn van God over de zonde gestild. Daar wordt de straf gedragen. 'Gij vindt in gunst en niet in wraak Uw lust; de hitte van Uw gramschap is geblust.'
Dan is het opnieuw wonderlijk gesteld met de wet van God. Ze heeft niets ingeboet aan Zijn veroordelende kracht. Maar wonderlijk: daarover kan óók gesproken worden in de taal van het geloof. Hoe harder de wet slaat, hoe meer ik vlucht naar Hem, die de wet vervulde. En omgekeerd: hoe méér ik Christus leer kennen, hoe dieper ik word ingeleid in de droefheid over de zonde. Dat leren we onder het gehoor van de engel, aan de kribbe en de voet van het kruis.
Strijd
En dan horen we niet alleen de donkere tonen van zonde en gericht. Ook de heldere klanken van het evangelie der genade. Christus heeft de straf op de zonde gedragen en de levendmakende Geest verworven. En dan is er een ander leven. Een leven in dankbaarheid. Dat is een leven in navolging van Christus. Zo krijgt de christen er vreugde in, te gaan in de weg van de vreze des Heeren. Vreugde is er, om Hem lief te hebben.
Daar spreekt ook ons oude leerboek over. De catechismus spreekt breedvoerig over de wet in het gedeelte over de dankbaarheid. De inzet daarvan zien we al in de kerstnacht. In die nacht komen de herders uit de stal vandaan en spreken vol vreugde over de geboren Koning. In hun leven komen de vruchten van het geloof, van de vreugde der wet, heerlijk openbaar. En verder? In de praktijk van het leven? Daarin blijft de strijd. Johannes de Doper getuigt rijk van zijn Meester, maar maakt vervolgens een diepe crisis door. Petrus wordt door de Heere geroepen, maar loopt Hem vervolgens voortdurend voor de voeten en gaat ten slotte langs de rand van de afgrond.
In het leven der genade komen we nooit verder dan een levenslange strijd tegen de zonde in en buiten ons. Of toch wel verder? Jazeker. Want die - dikwijls bange en ongelijke - strijd doet om de genade in Christus roepen. Die bewaart ons voor de krampachtigheid, om altijd weer zélf aan het werk te willen gaan. En bij tijden is er toch een stille vreugde, om te gaan in de wet des Heeren. In de navolging van Christus.
Harmonie
De slotakkoorden lopen uit op een schone harmonie. Dit leven is een bestaan vol wanklanken en schrille tegenstellingen tussen wat de Heere met Zijn schepping bedoelde en wat ervan is geworden. Maar juist temidden van al die ellende is het Kerstfeest geworden.
Gods werk gaat dóór. We leven heen naar de tweede komst van de Zoon van God. Hij zal alles nieuw maken. Er komt een nieuwe aarde, waarop de verloste zondaar niets anders doet dan God dienen. Dag en nacht. Zonder de angst voor de wet, wél met een diepe vreugde om zijn Koning groot te maken. Niet in de kramp, om zelf te verdienen, wél in verwondering over het Middelaarswerk van Christus. In de volmaakte liefde der wet.
'Daarom zijn zij voor de troon van God en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel. Want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en zal hen een Leidsman zijn tot de levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.'
W. ARKERAATS, WERKENDAM
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 2004
De Waarheidsvriend | 21 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 2004
De Waarheidsvriend | 21 Pagina's