Uit de pers
De bel luiden
De vorige keer lieten we de Engelse theoloog Alister McGrath en prof.dr. A. van de Beek aan het woord. Met name Van de Beek luidde de noodklok over ontwikkelingen binnen de gereformeerde gezindte. Hij vindt de valkuil van het farizeìsme een dreigend gevaar. Een activistische manier van gemeente zijn met nauwelijks een inhoudelijk fundament eronder.
Oppervlakkigheid troef waardoor er nauwelijks toekomst lijkt voor genoemde gezindte. Een nogal somber perspectief maar niet geheel zonder reden. Het is opmerkelijk dat ook in andere kerken van gereformeerde signatuur dergelijke signalen te lezen zijn.
In De Reformatie (8 januari 2005, orgaan van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt) schrijft dr. A.N. Hendriks een artikel waar hij boven zet: 'De schuldbelijdenis niet vergeten'. Aanleiding voor dit artikel is verontrusting die hij deelt met prof. J. Douma.
Deze schreef nog niet zo lang geleden: 'Wie mocht menen dat het in een gereformeerde kerkdienst na de lezing van de Tien Geboden toch vanzelfsprekend zal zijn dat de gemeente haar schuld belijdt voor Gods heilig aangezicht, heeft andere ervaringen dan ik.' Ook dr. Hendriks had een soortgelijke ervaring na een morgendienst. Hij werd aangesproken door een jong gemeentelid, dat het hem kwalijk nam dat hij zo nadrukkelijk in het eerste gebed zonde en schuld voor de Heere beleden had. Dat gemeentelid vond dat geheel misplaatst. Want wij mogen leven door de Geest. En door Hem is er bij ons een nieuwe gehoorzaamheid. En mijn belijden van zonde en schuld, aldus dr. Hendriks, deed volgens haar ernstig tekort aan wat de Heilige Geest bewerkt. Hendriks verklaart dat als volgt: 'De aandacht verschuift van Gods onverdiende gunst voor zondaren naar Gods kracht en macht in mensen. Steeds meer gaat het om openbaring van kracht en steeds minder om ontvangen van vergeving (...). Het zal wel evangelisch-charismatische invloed zijn die zich hier manifesteert. Men ziet het christelijk leven als een overwinningsleven dat gekenmerkt wordt door grote blijdschap.' Het 'arme-zondaar-zijn' (Heidelberger Catechismus antw. 126 bv.) verdwijnt uit het zicht. Dr. Hendriks noemt dr. C. Trimp, die gewezen heeft op het gevaar dat evangelisch gedachtegoed vervreemding teweegbrengt van de gereformeerde traditie. De kritische noten van prof. Van de Beek vinden hier aansluiting bij wat dr. Hendriks in zijn kerken signaleert.
In 1999 is in de Gereformeerde Kerken een andere formulering in het Gereformeerd Kerkboek opgenomen (te vergelijken met ons Dienstboek). Met Douma vindt Hendriks die formulering 'mager' en betreurt hij dat 'de orde van de zondagse morgendienst die Calvijn in zijn dienstboek van 1542 voor de kerk van Genève opstelde, is verdwenen of afgezwakt'. Calvijn had een aparte 'confession', een schuld- of zondebelijdenis.
Dr. Hendriks citeert de tekst van deze schuldbelijdenis, die ik hier ter informatie wil overnemen: 'Hemelse Vader, eeuwige en barmhartige God, wij erkennen en belijden voor uw Goddelijke majesteit dat wij arme ellendige zondaren zijn ontvangen en geboren in alle boosheid en verdorvenheid, geneigd tot alle kwaad, en onnut tot enig goed, en dat wij met ons zondig leven zonder ophouden uw heilige geboden overtreden, waardoor wij uw toorn tegen ons verwekken, en naar uw rechtvaardig oordeel op ons laden de eeuwige doemenis.'
Dr. Hendriks heeft volkomen gelijk dat uit de gereformeerde belijdenis het beeld oprijst dat gelovigen zondaars zijn en blijven, die steeds weer de toevlucht hebben te nemen tot Gods vergevende genade in Christus. Ook al kent onze belijdenis het bijbelse inzicht dat we door het vernieuwende werk van Christus' Geest veranderd worden, tegelijk wordt staande gehouden dat we in dit leven niet verder komen dan een klein beginsel van deze nieuwe gehoorzaamheid.
Verdwijnend schuldbesef
Dr. Hendriks geeft drie oorzaken aan die er volgens hem voor zorgen dat kerkmensen moeite krijgen met de belijdenis van zonde en schuld en de woorden 'arme zondaren'.
Onze samenleving is daar onmiskenbaar debet aan. Zeker, er wordt nog over schuld en aansprakelijkheid gesproken. Als er iets fout gaat, is men er als de kippen bij schuldigen aan te wijzen. De overheid moet harder optreden. Instanties hebben het schandelijk laten afweten. Maar dat mensen schuldig staan voor God is uit het zicht verdwenen. Een maatschappij zonder God moet wel vervreemden van de bijbelse noties van schuld en zonde. W. H. Velema heeft gelijk wanneer hij wijst op een 'mens-middelpuntig zondebegrip'. Zonde is voor moderne mensen het kwaad dat men medemensen aandoet: discriminatie, geweld, zelfverrijking, onderdrukking. In de Schrift is zonde altijd eerst iets dat te maken heeft met de Here God. David vergreep zich aan Bathseba en doodde Uria, maar hij belijdt: 'Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd ...' (Ps. 51:16).
In de tweede plaats is hier te noemen wat prof. H.G.L. Peels aanduidt als een gekortwiekt Godsbeeld. Men legt alle accent op Gods liefde, barmhartigheid en nabijheid, maar wat de Schrift zegt over zijn heiligheid, rechtvaardigheid, toorn en oordeel raakt uit beeld. De Here wordt tot een lieve Grootvader die van je houdt 'zoals je bent', die zijn hand op je schouder legt en bij wie je altijd geborgenheid kunt vinden. Dit gereduceerde Godsbeeld is virulent in veel moderne theologie en heeft invloed op christenen vandaag. Als men niet meer weet van Gods heiligheid en rechtvaardigheid, hoe zal men dan nog besef hebben van zonde en schuld?
In de derde plaats is er de geloofsbeleving uit de evangelisch-charismatische hoek. Het propageren van 'meer van de Geest' dreigt de Here Jezus van zijn plaats te drukken. Zeker, men weet van vergeving, van vrijspraak door zijn bloed. Maar de nadruk komt te liggen op het vervuld worden met de Heilige Geest. De rechtvaardiging wordt beleefd als het opstapje om dat meerdere van de Geest te ontvangen. Wie dat meerdere ontvangt, kent een overwinningsleven, vol blijdschap, groei en wervingskracht. Genade is iets dat bij vergeving hoort, maar bij het leven door de Geest hoort het woord kracht. Het laat zich verstaan dat deze geloofsbeleving zich niet herkent in de woorden die de kerk ons in haar gebeden op de lippen legt.
Er zijn nog wel meer oorzaken te noemen. Maar duidelijk kan zijn dat hetgeen wonder is dat het schuldbesef bij christenen wegebt. J. Kamphuis ziet bepaald geen spoken wanneer hij het verliezen van de schulderkenning 'de grote dreiging in het christelijk leven' noemt en schrijft: 'Heel de grote fundamentele levenszaken van de rechtvaardiging en van de heiliging van het leven hangen samen met de vraag of wij onszelf nog als zondaars kennen en onze zonden voor Hem belijden.'
Ik heb het idee dat de hier gesignaleerde ontwikkelingen in hervormd-gereformeerde gemeenten ook niet onbekend zijn. Ik denk dan weer aan het interview met prof. Van de Beek in Soteria waaruit we de vorige keer citeerden. Ook hij meent dat het 'arme-zondaar-zijn' onder ons een verdwijnend besef in het geloofsleven is.
Ik laat het aan u als lezer om daarover na te denken in uw eigen leven en in dat van uw gemeente. Ik kan het niet laten het slot van het interview met Van de Beek in Soteria te citeren en daarmee voor dit keer weer af te sluiten. Aan hem wordt gevraagd hoe hij reageert op een lied van Jacobus Groenewegen dat vroeger in gezelschapskringen wel werd gezongen: 'k Heb mijn hart en hand gegeven, aan het volk dat Jezus kent; (...) Weg dan, arme wereldlingen, uw gezelschap ons mishaagt ... 'Zou u dat van harte kunnen meezingen?' Dan reageert van de Beek: 'Niet helemaal, maar wel: Weg, arme wereldcultuur die net zo diep in mezelf zit'. Ik citeer: 'Er is een cd met muziek van een Zuid-Afrikaans volk dat woont aan de zuidkant van de Kalahari. Ze hebben de psalmen cultureel berijmd. So's bokketjes vir die water soek, so soek, soek, soek mijn siel die Here, mijn God.'Dat arme volk heeft een beeld van God die hoog en zeer verheven is, toch eindigt de berijming met: 'Hier neffens mij, hier neffens mij zit God. Hier naast mij, dat is dus de man die niets voorstelt.'
Van de Beek had een keer in een preek gezegd dat Jezus hangt naast een moordenaar, een terrorist. Ik citeer weer: 'Daar hangt God. Dat past helemaal niet in onze huidige cultuur van kerkzijn. Het beste, brave christendom van we doen het toch aardig, we zijn een fijne, positieve, levendige gemeente, wij zijn de mensen die wat betekenen". We zijn nog niet arrivé, maar in elk geval redelijk op pad. Noordmans schreef in de vorige eeuw: Tegenwoordig bidt de farizeeër met de woorden van de tollenaar. Maar vandaag de dag moet je zeggen dat de farizeeër echt weer met de woorden van de farizeeër bidt: Ik dank u God dat ik toch wel aardig op pad ben als christen. Het echt farizeïsme is helemaal terug, in de vorm van goedbedoelde fijne christenen.'
Daar heb ik niet zoveel meer aan toe te voegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2005
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2005
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's