Schuilkerk in de rots
NAAR HET LAND VAN DE WALDENZEN [3]
In het vorige artikel waren we bij het graf van Charles Beckwith. We kwamen zijn naam al verschillende keren tegen. Het is niet overdreven om te zeggen dat bijna elk Waldenzendorp wel een Via Beckwith (Beckwithstraat) heeft. Wie was Beckwith en waarom komen we zijn naam bij de Waldenzen zo dikwijls tegen?
Charles Beckwith
Beckwith (1789-1862) was een Engelse generaal, die meevocht in de slag bij Waterloo (1815), daarbij zijn linkerbeen verloor en daarom een houten beenprothese droeg. Hij werd daarom de 'generaal met het houten been' genoemd. Door het lezen van een boek over de Waldenzen van een andere Engelsman, de erudiete anglicaanse geestelijke Stephen Gilly, vriend van de aartsbisschop van Canterbury, krijgt hij voor de Waldenzen grote belangstelling. Hij trekt zich het lot van de Waldenzen aan, gaat in 1827 naar het Waldenzenland en blijft er tot zijn dood in 1862 wonen. In 1850 trouwt hij een Waldenzische vrouw.
Beckwith is voor de Waldenzische bevolking van grote betekenis geweest.
In de eerste plaats heef hij zich zeer ervoor ingespannen dat de bevolking door goed onderwijs tot ontwikkeling kwam. Door zijn geweldige inzet en met financiële steun van vele vooraanstaande Engelse politici en geestelijken komt er in zelfs het kleinste Waldenzendorpje of -gehucht een school, wat van fundamentele betekenis is geweest voor de alfabetisering en ontwikkeling van de Waldenzen. In totaal kwam het tot de bouw of renovatie van 169 scholen of schooltjes, soms maar bestaande uit één enkel lokaaltje. In de tweede plaats stichtte hij samen met Gilly, eveneens met steun uit Engeland, het gymnasium Collegio Valdese in Torre Pellice, waar jongeren konden worden voorbereid voor studie aan de universiteit.
In de derde plaats wist hij financiële hulp te organiseren voor de bouw van verschillende kerken en andere gebouwen van de Waldenzen. Beckwith, die anglicaan en geen calvinist was, tracht ook de invloed van het calvinisme vanuit Zwitserland op de Waldenzen terug te dringen en de Waldenzen invloeden te doen ondergaan van verschillende opwekkingsbewegingen. Dat neemt echter niet weg dat zijn naam met ere genoemd mag worden. Zijn portret of schilderij, dat hem afbeeldt met zijn houten been, terwijl hij leunt op een stok, heeft tientallen jaren in de scholen en huizen van de Waldenzen gehangen. Laten we zo'n Beckwithschooltje eens een bezoek te brengen.
Angrogna
Even buiten Torre Pellice slaan we linksaf de bergen in richting Angrogna. In Angrogna maken we een stop. We gaan de Waldenzenkerk binnen. 'Komt, laten wij de Heere aanbidden', staat er met grote letters op de gevel en daarboven het Waldenzenembleem: de kandelaar met de zeven sterren. Boven de deur de woorden: 'Dio e amore, God is liefde', woorden die we meer in Waldenzenkerken zullen tegenkomen. De kerk heeft een eenvoudig interieur: een aantal kerkbanken; hoeveel zitplaatsen zouden het zijn? We schatten het op een kleine tweehonderd; twee houtkachels, één voor en één achter in de kerk. Centraal staat de kansel, daarboven de woorden: 'Wij prediken Christus, de Gekruisigde'; 1 Korinthe 1:23. Onderin de kansel ontdekken we het avondmaalservies: twee houten schalen en een groot aantal glaasjes, kennelijk voor elke avondmaalsgan- 'ger afzonderlijk een glaasje. Tegenover de ingang van de kerk is de begraafplaats, met opnieuw in grote letters, woorden boven de ingang: 'Jezus zei: Wie gelooft in Mij, zal leven, al ware hij ook gestorven' (Joh. 11:25).
We gaan de begraafplaats even op. Wat ziet het er allemaal verzorgd uit. Wat is het hier, met het zicht op het Waldenzengebergte en de Waldenzendalen rustig en wat een prachtige natuur. Een kleine honderd meter verder staat de Sala Unionista Valdese, het verenigingsgebouw van de kerk, waar het aan een picknicktafel naast een bronnetje met stromend water, dat uit de bergen komt, heerlijk toeven is.
Beckwith-schooltje
Ons eigenlijke doel ligt een kleine kilometer verder. 'Museum' duidt een eenvoudig bord langs de weg aan, dat we bijna over het hoofd zouden zien. Het steile weggetje leidt naar een groepje huizen en daar is inderdaad het museumpje-schooltje. Iemand komt ons tegemoet en geeft ons de sleutel. We mogen het allemaal zelf uitzoeken. We gaan naar binnen: een eenvoudig gebouwtje, één lokaal, niet groter dan zes bij zes meter. Alle kinderen, van welke leeftijd ook, zitten bij elkaar in één lokaal. Aan de muur hangen wat foto's en een telraam, er staan een paar schoolbanken en een kachel, want koud kan het er in de winter zijn. Elk kind moet dagelijks één blok hout meenemen om de kachel brandend te houden, had Beckwith bepaald. Buiten, naast de ingang, een eenvoudige gedenksteen, waarop we o.a. de woorden Charles Beckwith, Engelse kolonel ontcijferen, en het jaartal 1887, kennelijk het jaar waarop de gedenksteen werd aangebracht, want het schooltje werd in 1845 gebouwd.
'Grotkerk'
Degene die ons de sleutel van het museumpje gaf, komt opnieuw aanzetten, nu met een grote lantaarn. 'Dat pad in het bos inslaan', maakt hij ons duidelijk, 'vijf of tien minuten lopen, daar is een stenen trap naar beneden, u komt bij een grot waar de Waldenzen zich in tijden van gevaar schuil hielden en waar men ook kerk hield. Niet bang zijn', voegt hij ons toe, 'de grot ingaan, het is niet gevaarlijk, hier de lantaarn, want de grot is helemaal donker'.
We volgen zijn advies op. Hier en daar wijst een klein houten bordje met het Waldenzenembleem erop (de kandelaar met de zeven sterren) ons de weg. Af en toe moeten we ons goed vasthouden om geen misstap te maken. Maar dan komen we er: Guieisa d'la Tana, schuilkerk in de rots. Als het voor ons zonder aanwijzingen nauwelijks te vinden is, hoe zouden de soldaten van de Inquisitie zo'n grot dan hebben kunnen vinden? Toch zijn de bossen en grotten verschillende malen uitgekamd en vele Waldenzen die er aangetroffen werden, omgebracht.
We gaan naar binnen. Bij de ingang een gedenkplaat, waarvan we het Italiaans niet goed kunnen ontcijferen. De ingang is laag, hier en daar misschien nauwelijks één meter, dus het is flink bukken. Een lage gang, een meter of vijf lang, en daar staan we in de 'kerkzaal', misschien vijf meter hoog, vijf meter breed en tien meter lang. Ongeveer vijftig mensen konden hier een plaats vinden. Wie lichtte deze mensen bij? Hoe lang heeft men zich soms in zulke grotten schuilgehouden? Hoe dikwijls diende zo'n grot als kerk? We weten het niet. We denken aan de woorden uit Psalm 91: 'Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal vernachten in de schaduw van de Almachtige'. Dat moet wel het geloof van deze Waldenzen zijn geweest. De woorden van Psalm 91 zijn ons bekend. We citeren ze soms maar al te gemakkelijk. Maar als er dreiging van marteling en van dood op de brandstapel of op de galeien is? Dan spreken deze woorden heel concreet. Om je, denkend aan het embleem van de Waldenzen, vastgehouden te weten door Hem 'Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt' (Openbaring 21:1).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2005
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2005
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's