De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

Een 'gedicht dichterbij' gebracht van Nel Veerman, overleden in 2002, door mevr. D. M. Veldhuijzen-Meeuse in Op weg met de Ander:

De wonderbare visvangst

Het meer was donker, het meer was diep,
Het meer was van vissen verlaten,
Het meer was vol vis, die de visser ontliep
In het ondoorgrondelijke water,

Het meer was w it en paars en blauw
En vol onzichtbare deuren,
Die openden zich en stromen van vis
Deden de netten haast scheuren.

Wie heeft een zo moedeloos makende nacht
Met zo licht een morgen verbonden?
Voor de zoveelste maal werd op het onverwachtst
In de Heer het antwoord gevonden.

In de eerste strofe laat de dichter duidelijk uitkomen, dat er een uitzichtloze situatie is. Woorden als: donker, diep, verlaten, ontlopen en ondoorgrondelijk, zeggen genoeg. Denk aan die zwoegende vissers op het meer van Gennesaret. Dan de tweede strofe: Het wordt dag. In beide genoemde geschiedenissen worden op de vissen gevangen, terwijl juist
's nachts de vis hoger zwemt en daardoor beter te vangen is. Nu is de donkerte van het meer verdwenen, er komt kleur: paars water, witte schuimkoppen, blauwe lucht? Onder water, niet te zien, voltrekt zich het wonder. De vis stroomt zo de netten in.
Voor de vissers uit de Bijbel is het een openbaring van Gods almacht. In de laatste strofe zegt de dichter de betekenis uit.
Zo een donkere nacht, gevolgd door zo een lichte morgen? Dat hadden ze toch nooit verwacht, die vissers?

Het is duidelijk dat de dichter niet blijft staan bij het bijbelverhaal. Het is een persoonlijke wisselwerking tussen wat God doet, en hoe mensen daarop reageren.
We mogen het verhaal van de vele vissen met de dichter doortrekken naar een moeilijke periode, of een verdrietige gebeurtenis in ons leven. Ons zwoegen en zweten lijkt zonder resultaat. We hebben geen grip op de situatie. Een moedeloos makende nacht? En de morgen? Wie heeft in deze donkere nacht de leiding? Waar wordt het antwoord gevonden? In de Heere.
Niet het water, maar Zijn grootheid is ondoorgrondelijk (Ps. 145).

Bij de herdenking van het 25-jarig ambtsjubileum van ds. D.M. van der Linde in Rotterdam-Hillegersberg hield ds. A. Schipper, emeritus predikant aldaar, aan de hand van een viertal afbeeldingen een causerie over de beroemde de Joodse schilder Chagall, die ook bekend is vanwege de gebrandschilderde ramen in de kapel van het Hadassa-ziekenhuis in Jeruzalem. Hij deed dit onder de titel De Bijbel in Chagall's ogen.

Op vele van diens schilderstukken komt een kruis voor. De Man aan het kruis, zoals op onderstaande afbeelding, stelt dan echter de lijdende Knecht des Heeren voor (Jes. 53), die in de Joodse godsdienst het volk Israƫl zelf is. Vandaar dat Chagall Hem afbeeldde met een Joodse gebedsmantel om Zijn middel. Verder ziet men op het schilderstuk een brandende synagoge (rechts boven), oprukkende troepen (links boven), de verbeelding van de Kristallnacht in Duitsland (links), wegvluchtende Joden met de thora (links onder), de zevenarmige kandelaar (onder), de wandelende Jood (rechtsonder), de aartsvaders Abraham, Izak en Jacob met Sara (boven), maar ook een brede lichtbaan achter het kruis. Als christenen echter, zo besloot ds. Schipper zijn causerie, mogen we in Hem zien de lijdende Christus.

In Ecclesia (Vrienden van Kohlbrugge) schreef ds. I.J. Wisse over Luther en zijn bijbelvertaling. Hieruit een fragment:

Ook de eenvoudigste lezer moet het kunnen begrijpen. 'Je moet niet aan de letters van de Latijnse taal vragen hoe je Duits moet spreken', zei Luther, 'je moet het de moeders in huis, de kinderen op straat, de gewone man op de markt vragen en hun van de lippen aflezen hoe zij spreken, en daarnaar moet je vertalen. Dan verstaan zij het en merken zij, dat je Duits met hen spreekt.'
Daarom viel het Luther niet alleen moeilijk om de bedoeling van de grondtekst te begrijpen, maar ook om het goede Duits te vinden. De schrijvers van het Nieuwe Testament Duits te laten spreken was al een hele opgave, maar van de schrijvers van het Oude Testament gold dat nog sterker. Vooral de vertaling van het boek Leviticus kostte hem heel wat hoofdbrekens: in het bijzonder wat er geschreven stond over de offerwetten, en de namen, die nodig waren voor de ingewanden en andere lichaamsdelen van de dieren. Hij ging dan ook verschillende keren naar een slager om het slachten van schapen mee te maken en er zo achter te komen hoe de lichaamsdelen in het Duits moesten worden vertaald.
Ook had Luther heel in het bijzonder de hulp van anderen nodig bij de vertaling van oud-testamentische teksten. Aan de hofprediker van Frederik de Wijze schreef hij: 'Geef me alsjeblieft een beschrijving van de volgende soorten dieren: van de roofvogels, wouw, gier, havik, sperwer enz. - ik weet niet precies hoe ze er uitzien; van het wild: berggeit, gems, steenbok enz.; van de reptielen zit ik met ezel, muis, pad, ringslang, salamander enz.; van de nachtvogels: uil, nachtraaf, schuifuil, katuil enz.'
In 1523 schreef hij aan dezelfde Spalatinus: 'Hier is alles wel. We zitten echter met het zware karwei om Job te vertalen, moeilijk wegens de grootsheid van zijn grootse stijl. Het schijnt wel, alsof hij ons vertalen nog slechter verdraagt dan de vertroosting van zijn vrien- den. Of misschien wil hij rustig in zijn as blijven zitten. Het komt me voor, dat de schrijver van dit boek beslist niet gewenst heeft, dat het ook in een andere taal zou worden overgezet.'
Bezig met de vertaling van de profeten, schreef hij aan een vriend: 'We zitten nu te zweten over de Duitse vertaling van de profeten. O God, wat een zwaar en moeilijk werk is het om die schrijvers tegen hun wil te dwingen om
Duits te spreken. Zij hebben er geen zin in om hun Hebreeuws op te geven en het barbaarse Duits na te zeggen. Het is precies, alsof je een nachtegaal zou dwingen om de koekoek na te doen en zijn eigen heerlijke melodie op te geven voor de monotone koekoekszang, die hij wel moet haten.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's