De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geloof en denken bijeen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geloof en denken bijeen

THEOLOGIE ALS WETENSCHAP [1]

9 minuten leestijd

Kan theologie, opgevat als 'verantwoord spreken over God', beoefend worden aan een wetenschappelijke instelling als een openbare universiteit? Voldoet zij aan de eisen die aan wetenschap gesteld worden? Hoe verhouden 'geloven' en 'denken' zich tot elkaar? Deze vragen behandelt dr. G. van den Brink in zijn essay Een publieke zaak. Een pleidooi voor theologie als wetenschap.

Toen rond het jaar 1200 in Europa de eerste universiteiten ontstonden, was het in de meeste gevallen geen vraag of de nieuwe universiteit ook een theologische faculteit moest krijgen. Theologie was in het christelijke Avondland de koningin der wetenschappen. Samen met de filosofie stond ze aan de wieg van het hogere onderwijs. Sinds de Verlichting heeft zich echter in de Europese geestesgeschiedenis een revolutionaire verandering voltrokken. Er ontstond een tweedeling tussen geloof en rede, een twee-deling die bovendien een ideologische lading kreeg. Geloof betekende onmondigheid, rede de bevrijding uit die onmondigheid. Geloof was gebaseerd op tradities, terwijl het er in de wetenschap op aankwam om zelfstandig te denken. Hiermee is het bestaansrecht van theologie als wetenschappelijke discipline in het geding.

Verantwoord spreken over God
In zijn essay Een publieke zaak pleit dr. Van den Brink voor een wetenschappelijke beoefening van de theologie. Hij zet hierbij hoog in door theologie te definiëren als 'verantwoord spreken over God'. Het is juist deze klassieke opvatting van theologie, die het sinds de Verlichting moet ontgelden. Wie theologie beschouwt als godsdienstwetenschap (het onderzoek naar de godsdienstige uitingen van mensen), heeft minder kritiek te duchten. Godsdienstwetenschap vereist immers geen geloofsstandpunt van de theoloog.
Theologie in de zin van: 'verantwoord spreken over God' gaat echter uit van een persoonlijke geloofsovertuiging. Dit laat zich volgens critici niet verenigen met wetenschappelijkheid. Dr. Van den Brink zoekt naar wegen om geloof en wetenschap wel met elkaar te verbinden. We kunnen zijn pleidooi voor wetenschappelijke theologie lezen als een hedendaagse voortzetting van de theologiebeoefening van Anselmus en Voetius (die dan ook in het boek, zij het slechts terloops, genoemd worden). De fronten liggen in de 21ste eeuw weliswaar anders dan in de elfde en de zeventiende eeuw, maar het gaat om dezelfde zaak: verantwoord spreken over God. In onze tijd hebben we vooral te maken met de atheïserende uitstraling van de wetenschap, in het bijzonder door de natuurwetenschappen. Van den Brink beschouwt dit echter als een niet-rationele verabsolutering van de (natuurwetenschap, waar een christen zich niet door moet laten inpakken.

Wetenschapsfilosofie
Het belangrijkste argument tegen wetenschappelijke theologie is dat het geloofsmatige uitgangspunt van de theologie in strijd is met de regels van de wetenschap. De uitspraak 'God bestaat' is een geloofsuitspraak die niet empirisch (proefondervindelijk) bewezen kan worden. Een dergelijke uitspraak kan daarom geen wetenschappelijke pretentie hebben, zo is de algemene opvatting. Dr. Van den Brink toont echter (m.i. overtuigend) aan dat deze opvatting van wetenschap op een verouderde wetenschapsfilosofie berust.
In een uitvoerig historisch overzicht laat hij zien dat geloof (aanvaarden op gezag van een ander) en persoonlijke overtuigingen in de huidige wetenschapsfilosofie een belangrijke rol spelen, niet alleen in de geesteswetenschappen, maar ook in de exacte wetenschappen. Door dit toegankelijke overzicht is het boek ook te lezen als een inleiding in de wetenschapsfilosofie, een must dus voor iedere student. Studeren betekent immers vooral het aanleren van een wetenschappelijke houding.

Theologie en oude wetenschapsfilosofie
De oude wetenschapsfilosofie ging ervan uit dat een uitspraak alleen wetenschappelijk kan heten als die bewezen kan worden (logisch positivisme). In dat geval is wetenschappelijke theologie bij voorbaat uitgesloten. Het bestaan van God kan immers niet empirisch bewezen worden. Het logisch positivisme bleek in de praktijk niet haalbaar; niet alles kan bewezen worden. Daarom kwam men tot een bijstelling, het probabilisme: wie bijvoorbeeld vaak genoeg heeft vastgesteld dat raven zwart zijn, mag daaruit concluderen dat alle raven zwart zijn.
Wetenschapstheoretisch is de overgang van het logisch positivisme naar het probabilisme een grote stap: het blijkt onmogelijk om alleen op empirische kennis te bouwen. Er worden gissingen toegelaten in de wetenschap. Hierdoor nemen de kansen voor wetenschappelijke theologie toe, al moeten we over daarover ook niet te optimistisch zijn: het bestaan van God kan immers nooit empirisch bewezen worden. Voor theologen blijft er onder het gesternte van de oude wetenschapsfilosofie alleen de hoop op de bevestiging aan het einde van de tijden (een zg. eschatologische verificatie).
De belangrijkste kritiek op het logisch positivisme kwam van Karl Popper. Hij stelt dat er een bewering getoetst moet worden door argumenten die ertegen pleiten. Alleen door een theorie aan kritiek bloot te stellen, kan onze kennis van de werkelijkheid toenemen. Dit is wetenschapstheoretisch nog altijd een belangrijk gezichtspunt. Daar komt bij dat Popper de feilbaarheid van de menselijke rede erkent. Theorieën kunnen immers altijd door de mand vallen. De alleenheerschappij van de rede blijkt een illusie te zijn. In de praktijk werkt het logisch positivisme echter nog steeds door in de atheïserende uitstraling van de wetenschap.

Theologie en nieuwe wetenschapsfilosofie
De nieuwe wetenschapsfilosofie, waaraan de naam van Thomas Kuhn verbonden is, gaat niet uit van de vraag hoe wetenschappelijk onderzoek zou moeten plaatsvinden, maar hoe het in de praktijk gebeurt. De kritiek van Kuhn op de oude wetenschapsfilosofie is dat deze suggereert dat wetenschappelijk onderzoek een constant stijgende lijn vertoont. In de praktijk is er echter sprake van doodlopende wegen, breuklijnen, crises en soms zelfs een totale omwenteling in het denken.
Kuhn werkt met het begrip paradigma. Elk wetenschappelijk onderzoeksgebied begint met een preparadigmatische periode, waarin de meest uiteenlopende theorieën bestaan over een bepaald vakgebied. Op den duur komt er een bepaald paradigma bovendrijven, omdat het de meeste vragen beantwoordt. Vanaf dat moment is er consensus en hoeven allerlei basale kwesties niet meer bediscussieerd te worden. Pas op het moment dat een paradigma onvoldoende antwoorden geeft, ontstaat er een paradigmatische crisis. In de natuurkunde kunnen we bijvoorbeeld denken aan de wending van het wereldbeeld waarbij de aarde in het middelpunt stond (Ptolemaeüs) naar een wereldbeeld waarbij de zon het middelpunt van het heelal vormt (Copernicus). In dit geval is er zelfs sprake van een paradigmawisseling.
Een belangrijk punt is dat een paradigma (wat dus soms zelfs uit een totaal wereldbeeld bestaat) iets heeft van een geloofsmatige structuur. Naast empirische gegevens zijn er dingen die op gezag van anderen worden aangenomen. Tevens speelt de persoonlijke overtuiging van de wetenschapper een belangrijke rol. Het belangrijkste criterium of een paradigma als visie op de werkelijkheid voldoet, is de vraag of er voldoende antwoorden worden gegeven om de werkelijkheid te begrijpen. We zijn hier dus ver verwijderd van het logisch positivisme. Dr. Van den Brink trekt hieruit de conclusie dat vanuit de nieuwe wetenschapsfilosofie een strikte scheiding tussen geloven en denken onhoudbaar is.

Christelijke theologie als paradigma
In het voetspoor van Kuhn pleit de auteur ervoor om christelijke theologie op te vatten als een paradigma. Gelet op de stand van zaken in de wetenschapsfilosofie pleiten noties als het geloofsmatige uitgangspunt en het beroep op Gods openbaring niet tegen de wetenschappelijkheid van de theologie, maar juist ervoor. Het gaat in de theologie immers om een visie op onze werkelijkheid, namelijk dat deze bepaald wordt door het bestaan van God. Theologische uitspraken houden dus een waarheidsclaim in. Het gaat in de theologie om een totaalbeeld, waarbij menselijke levensvragen een bijbels antwoord krijgen. Er bestaat geen principieel verschil tussen theologie, die door het geloof wordt gevoed, en de vakwetenschappen. In beide gevallen gaat het om gegevens in de letterlijke zin van het woord: datgene wat ons gegeven wordt. Wie zich op openbaring beroept, plaatst zichzelf dus niet buiten de wetenschappelijke discussie. Dit lijkt me een belangrijk punt voor het zelfbewustzijn van de klassieke theologie. Ze moet zich wel legitimeren, door zich te houden aan de regels voor wetenschappelijk onderzoek, maar ze hoeft niet te schamen voor haar geloofsmatige uitgangspunt.
Dr. Van den Brink erkent dat er op het niveau van levensbeschouwing vele paradigma's zijn die met elkaar strijden. Naast een christelijk paradigma kunnen we bijvoorbeeld denken aan een joods, een islamitisch en een humanistisch paradigma. Dat er op het terrein van levensbeschouwing veel meer paradigma's zijn dan bijvoorbeeld in de natuurwetenschappen, komt volgens Van den Brink door de complexiteit van de vraagstukken. Het christelijke paradigma is wetenschappelijk gezien een van de vele. Daar hoeft een theoloog echter niet voor terug te schrikken. Wie in God gelooft, mag er ook op vertrouwen dat Hij het geloof in Hem ook zal bevestigen.

Evaluatie
Het sterke van de aanpak van dr. Van den Brink is dat hij zijn pleidooi voor wetenschappelijke theologie beargumenteert vanuit de wetenschapsfilosofie. Wie voor de theologie ruimte claimt met een beroep op openbaring, zet zichzelf tegenover ongelovigen buiten de discussie. Nu ligt de bewijslast in ieder geval aan de kant van hen die de theologie een wetenschappelijke status ontzeggen. De klassieke theologie heeft in ieder geval geen reden voor een academisch minderwaardigheidscomplex.
Toch is de argumentatie vanuit de wetenschapsfilosofie tegelijk ook riskant. Het blijft voor mij de vraag of we vanuit de hedendaagse wetenschapsfilosofie per saldo echt verder komen. In vergelijking met het logisch positivisme staan de zaken er bij een postmoderne wetenschapsopvatting beter voor. In het eerste geval komt de theologie niet verder dan een eschatologische verificatie. Het paradigmatische denken geeft in ieder geval ruimte voor een wetenschappelijke status voor de theologie. Toch ben ik iets minder optimistisch over de feitelijke winst voor de theologie in het publieke debat. Mijn vraag aan dr. Van den Brink is of de relativistische waarheidsopvatting die het postmoderne denken kenmerkt, de theologie uiteindelijk niet opnieuw in een isolement brengt. Het paradigmatische denken, waarbij christelijke theologie wetenschappelijk gezien een levensbeschouwelijk paradigma is naast andere paradigma's, maakt duidelijk dat de waarheidsvraag op wetenschappelijk niveau niet beantwoord kan worden.
Van den Brink stelt dat een christelijk theoloog vertrouwt dat God het geloof in Hem in de toekomst proefondervindelijk zal bevestigen. Maar komen we dan toch weer niet uit bij een eschatologische verificatie? Blijkbaar blijft christelijke theologie die leeft uit de Waarheid, een vreemdeling en een bijwoner aan een hedendaagse universiteit, ook al heeft ze wetenschapstheoretisch gezien recht van spreken.

N.a.v. Gijsbert van den Brink:
Een publieke zaak. Theologie tussen geloof en wetenschap.
Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 377 blz.; € 25,00.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geloof en denken bijeen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's