De verheuging over zijn terugkeer
DE VERLOREN ZOON [4]
'En zij begonnen vrolijk te zijn.' [Luk. 15:24]
Een viertal keren willen wij ons buigen over de gelijkenis van de verloren zoon. Vier kernwoorden staan daarin centraal: ontdekking, erkenning, ontferming, verheuging. Het vierde facet is: de verheuging over zijn terugkeer.
Iemand heeft eens gezegd: echte vreugde wordt geboren uit tranen van berouw. Tegen de achtergrond van het verdriet over de schuld krijgt de vreugde in de ontferming een dimensie, die de wereld niet kent. De aangeklaagde, de ter dood veroordeelde, kent een onbevattelijke vreugde en dankbaarheid als hij hoort: niet schuldig, u bent vrij man. Daar is de grootste vreugde, waar het vonnis van de eeuwige dood ons voor ogen stond, maar waar wij nochtans werden vrijgesproken door het geloof in Hem, Die het volkomen offer bracht Die vreugde is met niets te vergelijken en gaat ons verstand te boven.
Dat is de vreugde die Christus ten diepste bedoelt in de gelijkenis, als Hij vertelt: 'en zij begonnen vrolijk te zijn.' Ook daarin is die hemelse Vader ons een eeuwigheid voor. Was de vader zijn zoon al niet voor geweest in het lenigen van zijn nood, toen hij sprak: 'laat ons eten', nu opnieuw is de vader zijn zoon voor, ditmaal in de vreugde. De Heere is in alles de eerste. Wat moeten wij dat telkens opnieuw leren. Hij gaat voorop in het bewerken van de verlossing, maar Hij is ook de eerste in de dankbaarheid.
Want kijkt u maar in de tekst: die vader zegt niet alleen 'laat ons eten', maar hij zegt ook: 'laat ons vrolijk zijn'. En dat is een merkwaardige zaak. Je zou verwachten dat de dankbaarheid een zaak is, die ten volle aan onze kant ligt. Je zou verwachten dat de Heere zou zeggen: Ik heb u alles willen geven, Ik wil u opnieuw met het goede verzadigen, nu bent u aan de beurt om Mij alle dank te bewijzen. En natuurlijk moeten wij elkaar daar ook toe oproepen. Maar het wonderlijke in het christenleven is dat de Heere Zelf het hart tot dankbaarheid stemt. Wat komt dat duidelijk naar ons toe in Psalm 51. Dan is het de Heere, Die David heeft vergeven, hem van de zonden heeft verlost, maar het is ook de Heere, Die David moet voorgaan in de dankbaarheid en in de vreugde. David weet dat en daarom vraagt hij: 'open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen'. Die volgorde ziet u ook als het machtige heilsfeit wordt aangekondigd in de velden van Efratha. Dan wacht de Heere niet totdat die herders de lof gaan uitbazuinen. Nee, de engelen gaan hen daarin voor: 'ere zij God in de hoogste hemelen'.
Zo worden wij als mensen in de vreugde meegenomen. Zo is het de vader in de gelijkenis, die een ieder in het huis, voorgaat in de blijdschap. Nee, de blijdschap is geen verdacht element in het christenleven. Het is waar: juist in deze dagen is er ophieuw veel oppervlakkige blijdschap, wat bij nader inzien niet meer is dan slechts een opgeklopte stemming. Dat maakt ons als het gaat om de vreugde, wat terughoudend. Een wereldse vorm van 'blijdschap' is niet zelden een camouflagemiddel voor leegheid. Maar daarmee mogen wij de echte blijdschap nog niet voor verdacht houden in het christenleven. De apostel Paulus noemt de blijdschap in de Galatenbrief zelfs een van de vruchten van de Geest.
Wat is nu het kenmerk van die echte blijdschap in het christenleven? Wat is nu het onderscheid? Eigenlijk zouden wij dat aan die verloren zoon moeten vragen. Eigenlijk zouden wij hem moeten vragen: zeg, bespeur jij nu een onderscheid met de feesten in het vergelegen land? Dan denk ik dat hij gezegd zou hebben: oh, daar is een verschil van dag en nacht. Die zogenaamde vreugde die ik had in dat vergelegen land, was een vreugde met mensen die daarin op zichzelf gericht waren. Ik heb feestgevierd in dat vergelegen land met mensen die ten diepste alleen op mijn geld uit waren. En het werd: geld weg, vrienden weg. Maar hier in het vaderhuis gaat het niet om mijn geld, hoe zou dat ook kunnen, ik heb helemaal niets meer, maar ligt de vreugde verankerd in mijn terugkeer. Wat is dat een vertroostende gedachte. Niet alleen is er eeuwige vreugde voor de mensen die behouden worden. Niet alleen is er vreugde voor de verloren zonen en dochters. Maar er is een vreugde bij de Vader! Er is vreugde voor de engelen Gods over iedere zondaar die zich bekeert. Dat is een vreugde die nooit meer eindigt. Er staat wel: 'En zij begonnen vrolijk te zijn'. De gelijkenis zwijgt over de vraag wanneer zij eindigden.
Kent u deze bijzondere vreugde? Dan zult u één ding inmiddels wel geleerd hebben: dat het hier een vreugde betreft waarbij het ten diepste niet gaat om onszelf. Het geheim van deze vreugde is dat het verankerd ligt in de goedheid van God. U moet er maar eens op letten, als er in de Schrift over blijdschap wordt gesproken, dat het niet zelden verbonden is met de Heere, van Wie wij belijden: 'mijn God, de Bron van vreugd'. Denkt u bijvoorbeeld maar aan Psalm 33: 'gij rechtvaardigen, zingt vrolijk in de Heere'. Lees Psalm 35: 'zo zal mijn ziel zich verheugen in de Heere en zij zal vrolijk zijn in Zijn heil'.
Die diepe vreugde heeft de jongste zoon in dat vergelegen land niet gevonden. Maar aan die vreugde is ten diepste ook de oudste zoon vreemd. Hoor maar hoe hij over de vrolijkheid spreekt en hoe hij over de vrolijkheid denkt. Dan verwijt hij zijn vader: 'gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn'. Die oudste zoon heeft helaas ook niet de juiste soort vrolijkheid in gedachten. Hij spreekt over een bokje, maar het gaat om de Vader. Het gaat in het geloofsleven om een vreugde in God. 'Verheugd in God, naar waarde nooit te danken'. Vandaar dat de vader de oudste zoon ook toevoegt: 'kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe'. Dat zou zijn grootste vreugde moeten zijn: 'maar het is mij goed mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God'. Daarin ligt de echte blijdschap.
Dat is voor mij de grootste vreugde. Hoe is dat mogelijk? Omdat die Vader een Zoon heeft, Die dood geweest is en ten derde dage opgestaan is uit de doden. En die Zoon is geweest in een vergelegen land, een land waar wij allen de erfenis van onze Vader hebben verzondigd. En Deze, de van God gegeven Zoon, heeft het vaderhuis verlaten niet om het goed van Zijn Vader te verkwanselen maar om het goed dat nimmermeer vergaat te verwerven voor allen die in Hem geloven. En nu kan die hemelse Vader zeggen: Deze Mijn Zoon was dood, maar is ten derde dage weder levend geworden. Voor al die zonen en dochters die de weg terug, de weg van bekering hebben aanvaard, zal straks alle leed en ontluistering door de zonden voorbij zijn. Dan zal het klinken: 'ga in, in de vreugde uws Heeren'. Een vreugde die nooit meer eindigden zal. Sterker nog: 'hun blijdschap zal dan onbepaald, door het licht dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogsten toppunt stijgen'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's