Let op je woorden!
INGEZONDEN
Een inmiddels overleden predikant zei altijd dat iemand ongesteld was, als hij een niet ernstige ziekte had. En hij begreep niet waarom de jeugd gniffelde. Het kan je zomaar overkomen: je gebruikt een woord verkeerd, omdat het inmiddels een andere betekenis kreeg. Op een bijeenkomst met jongelui en ouders vroeg ik als voorzitter of men de verdere vragen even wilde opzouten tot de volgende ronde. Opzouten staat in het woordenboek als: even voor zich houden, maar het betekent nu: maken dat je wegkomt, oprotten. De jongelui hadden geen begrip voor het excuus dat ik alleen de oude betekenis kende. Ik mocht geen woord meer gebruiken waarvan de betekenis is veranderd.
In de Waarheidsvriend verscheen een aantal artikelen over de Nieuwe Bijbelvertaling en over de herziening van de Statenvertaling. De schrijvers waren allemaal van mening dat het noodzakelijk is om eigentijdse woorden te gebruiken. Zij hadden echter bijna allemaal één of meer woorden die ze onveranderd wilden laten, omdat anders een onmisbare betekenis verloren zou gaan. Voor ds. C. den Boer is dat het woord gemeenschap. Hoewel dit woord op het kerkelijk erf veel wordt gebruikt, is de betekenis voor veel mensen versmald tot seksuele gemeenschap.
Beleving overbrengen
Betekenisverlies geldt ook voor het woord verstaan. Als je op catechisatie vraagt: 'Verstaan jullie mij?', dan zullen sommigen de neiging hebben om te zeggen: 'U praat hard genoeg, hoor.' In het dagelijks leven zeggen we nooit verstaan, maar begrijpen. Verstaan is een germanisme geworden. We spreken zelfs over de verstaanskloof, deze intussen verdiepend. Ja, maar in verstaan zit toch het aspect van beleven? Dat is meestal niet het geval, en waar dat wel zo is, maken de hoorders dat niet mee in het gebruik van een archaïsme. Als men beleving wil overbrengen, dan moet men daar nog iets over zeggen. In het gebruik van nieuwe woorden kan die gemiste betekenis zich langzamerhand ook opnieuw verdiepen.
Onlangs hoorde ik een preek waarin het ging over wassen, in de betekenis van groeien. De voorganger meende dat wassen betekenissen heeft die niet door het woord groeien worden gedekt. Hij maakte dit echter voor mij niet duidelijk. En al zou het zo zijn dat het nieuwe woord smaller is, dan moeten we die breedte er gewoon weer in leggen. Dat kost evenveel woorden als de toelichting op het oude woord.
Ds. R.H. Kieskamp wil het woord 'vlees' vasthouden, omdat dat woord, naar zijn gevoelen, het enige woord is dat ons menszijn in al haar broosheid, vergankelijkheid en zondigheid aanduidt. Wel, die noties roept het niet op bij mensen die dit niet wekelijks horen, maar ook voor trouwe kerkgangers moet je die noties er gewoon met andere woorden aan toevoegen. Waarom kan dat dan niet met een nieuw woord, dat mensen minder aan de slager doet denken, maar dat die broosheid ook kan aanduiden? De Engelsen, die geen onderscheid hebben tussen de woorden jij en u, zijn zich waarschijnlijk beter dan de Nederlanders bewust van standsverschillen en ze gebruiken dus andere middelen om de verschillen aan te geven.
Bij het beoordelen van de nieuwe vertalingen op het aspect van begrijpelijkheid moet niet zozeer worden gevraagd of we een woord missen waar we een bepaalde betekenis aan gaven, maar we moeten bezien of het mogelijk is belangrijke betekenissen te verbinden aan woorden die de mensen van nu spreken. Dat kost ouderlingen en predikanten misschien heel wat energie, maar het is nodig.
Medicijnman-principe
Soms bekruipt mij de gedachte dat er (onbewust? ) ook onheilige motieven zitten achter het vasthouden van oude woorden: de Bijbel moet niet te eenvoudig, want er moet toch nog iets uit te leggen blijven. Dat schreef een van de scribenten in de serie zelfs. Jazeker, maar ook bij gebruik van hedendaags Nederlands blijft er veel uit te leggen. Alleen niet meer die taalkundige betekenis van oude woorden. De behoefte om de taal niet te toegankelijk te maken lijkt op het medicijnman-principe. De medicijnman houdt van allerlei mystificaties om zijn ritueel te versterken en om zelf onmisbaar te zijn. De roomse geestelijkheid was in het verleden bang voor prestige- en functieverlies, als iedereen de Bijbel zomaar kon lezen. We houden genoeg werk, ook als de Bijbel in de meest eenvoudige taal wordt gelezen. Er blijven zo veel verbanden te leggen, er blijft zo veel toe te passen. Bovendien is er geen vertaling die helemaal letterlijk zegt wat de grondtekst verwoordt. Ook de Statenvertaling niet, getuige de duizenden kanttekeningen die de vertaIers hebben toegevoegd. Onderzoek, uitleg, toepassing, dat zal altijd noodzakelijk blijven.
De Heere Jezus sprak gezaghebbend, met macht, niet als de farizeeërs.
Mijns inziens betekent dat ook dat Hij niet de hoogdravende, poëtische of archaïsche taal gebruikte die Schriftgeleerden steeds maar van elkaar naspraken. Maar in een volledige empathie en kennis van de harten sprak Hij de taal die men dagelijks gebruikte, en mede daardoor raakte Hij hen directer. Archaïsch taalgebruik kan men veel gemakkelijker langs zich heen laten gaan. Als ouderling merk ik in het pastoraat dat de mensen die thuis inmiddels Het Boek of de NBV lezen, niet alleen ervaren dat ze de tekst gemakkelijker lezen, maar dat de inhoud ook méér tot hen spreekt. Predikanten zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid om het Woord dichtbij de mensen te brengen. Niet altijd zijn ze zich bewust van het feit dat ze onnodig moeilijke taal gebruiken, en zo zijn we niet de Griek een Griek, om het voor buitenstaanders ook maar eens cryptisch te zeggen. We moeten volgens 1 Korinthe 15:11 en 12 de taal spreken van de mensen die we willen bereiken.
Editie 1977
Als je veel in de Statenvertaling hebt gelezen en veel literatuur eromheen, dan ga je bijna vanzelf die plechtstatige taal gebruiken. Ik merk bij mezelf dat ik ook de neiging heb om een oude tekst te gebruiken bij dagelijkse situaties. Ruwweg geschat heb ik dan ook zo'n 4700 preken gehoord. De woorden 'louter genade' komen me in alledaagse situaties gemakkelijk over de lippen tegen jongelui die niet weten wat het woord louter betekent. Als je zelf veel archaïsche taal hoort of leest, dan is het fijn om dat actief te gebruiken en dan heb je niet altijd meer in de gaten wat de moeilijkheid voor anderen is.
Doorgewinterde gebruikers van de Statenvertaling-oude-editie voelen vaak het taalprobleem niet bij het gebruik van het woord 'als' voor 'toen' en 'van' met de betekenis 'door'. Voor jonge hoorders met minder taalgevoel is dat verwarrend, wij merken het vaak niet eens op. De editie 1977 was al een behoorlijke verbetering ten aanzien van deze moeilijkheden. Waarom hebben we deze te weinig kans gegeven? Ik ervaar dat echt als kwalijk.
Ik was enkele jaren geleden op een regionale ambtsdragersvergadering met als thema De boodschap en de kloof. Het ging toen over begrijpelijkheid! De inleider las Johannes 4 en hij gaf daarbij onder andere toelichting op het woord fontein uit vers 6. Hij betoogde dat bron een betere vertaling was. Ik vroeg hem waarom hij de editie 1977 niet gebruikte. Daar staat bron. Hij antwoordde dat hij niet op edities lette. Ik denk dat dit zijn taak wél is, ook om de kloof te overbruggen. Juist die te voorzichtige manier waarop voorgangers met deze editie zijn omgegaan, geeft mij zorg over de invoering met NBV of de herziene Statenvertaling. Dezelfde predikant hoorde ik in december het woord nederheid in Lukas 1:48 uitleggen als lage staat, waarbij hij bij navraag de editie 1977, waarin dat wel zo staat, weer niet bleek te kennen. Ik ben van mening dat kerkenraden en predikanten hun verantwoordelijkheid ten aanzien van die editie 1977 niet genoeg hebben genomen. Terughoudendheid is altijd goed, afwachten tot het te laat is, is hierin een slechte zaak gebleken. Hoe zal dat gaan bij invoering van de volgende herziening? Is er bij ons een zekere blindheid voor het onnodige gebruik van moeilijke of in onbruik geraakte woorden?
Ik pleit ervoor dat niet alleen poëtisch ingestelde neerlandici en theologen meedenken bij de herziening van de Statenvertaling, maar dat daarbij mensen van de straat meelezen die niet zoveel tekst van Calvijn, Kohlbrugge e.a. hebben gelezen. Een misverstand daarbij zou zijn dat onze dagelijkse omgangstaal minder eerbiedig zou zijn tegenover onze heilige God.
Samenvattend
a) We ontkomen in een levende taal niet aan betekenisverandering. Dat kan men betreuren, dat kan voor ouderen lastig zijn, maar het is onjuist om dit gegeven te negeren. We moeten ons in de Schriftlezing en de verkondiging bedienen van het meest gebruikelijke taalveld.
b) De taal van dit moment is rijk genoeg om alle bijbelse begrippen te benoemen, en zeker om die in een omschrijving toe te lichten. Nieuwe woorden kunnen de oude lading krijgen.
c) De taal van dit moment is stijlvol genoeg om het evangelie te verwoorden. Het is onjuist om te stellen dat God meer eer ontvangt bij het gebruik van archaïsche woorden.
d) We moeten in het accepteren van de herziening van de Statenvertaling of van de NBV voortvarend zijn en niet zo veel jaren voorbij laten gaan dat invoering steeds moeilijker wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's