De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Aderlating of infuus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Aderlating of infuus

EEN EEUW VRIJZINNIG KERKLIED

8 minuten leestijd

DeNederlandse Protestantenbond (NPB) heeft in de periode 1870 (het jaar van oprichting) tot 1973 (de totstandkoming van het Liedboek voor de Kerken) drie eigen liedbundels voor kerkelijk gebruik samengesteld. In 1882 de bundel Godsdienstige Liederen (GL), in 1920 een Vervolgbundel van de Godsdienstige Liederen (VGL) en in 1944 een Liederenbundel van den Nederlandschen Protestantenbond (LNPB).
A. Ie Coq promoveerde in januari 2005 op 75-jarige leeftijd aan de Rijksuniversiteit Groningen op een dissertatie, gewijd aan het theologische kader, de inhoud en de hymnologische betekenis van deze drie bundels. Van 1957 tot 1975 was hij hervormd predikant, van 1975-1989 docent godsdienst aan de Christelijke Hogeschool Windesheim te Zwolle. Intens was zijn belangstelling voor muziek en op hymnologisch terrein bleef hij geen onbekende, gezien zijn publicatie in 1977 over de Vluchtheuvelzangen uit 1904 van Hendrik Pierson. Zijn proefschrift Wat vlied' of bezwijk'. Het vrijzinnige kerklied in Nederland 1870-1973 getuigt van langdurig en minutieus onderzoek, gepensioneerde senioren eigen. Het brengt een schat van gegevens bij elkaar en is een degelijk naslagwerk geworden.

Zedelijke strijd
De moderne theologie uit de periode 1850-1870 stempelde de 224 liederen in GL. God en de werkelijkheid vielen samen, de Bijbel had geen goddelijk gezag en zonde was een nog niet overwonnen tekort in de zedelijke strijd om het goede, een strijd waarin de menselijke Jezus niet de Redder maar een bezielend voorbeeld was.
Het eigen karakter van de bundel was betrekkelijk: 26 liederen waren delen van 25 geliefde en vertrouwde psalmen gebaseerd op de berijming van 1773; zo bijvoorbeeld uit Psalm 68 alleen vers 10. Maar liefst 57 liederen waren een wijziging of bekorting van 58 gezangen uit de bundel Evangelische Gezangen van 1803 en de Vervolgbundel daarvan uit 1866. Verder waren 16 liederen ontleend aan een Koraalbundel. De resterende 125 nieuwe liederen, ruim de helft van de bundel, kwamen voort uit de eigen moderne kring. De belangrijkste dichter was met 48 liederen de voorzitter van de liedboekcommissie, J.A. Böhringer (1834-1911), luthers predikant te Amsterdam. Zijn portret en een deel van zijn meest - ook in de gereformeerde gezindte - bekend geworden lied 'Wat vlied of bezwijk' is dan ook terecht op de omslag van het proefschrift afgedrukt.

Remonstrants en doopsgezind
Als psalmen werden bekort of gewijzigd, ondergingen ze enerzijds dikwijls een aderlating ten aanzien van Gods toorn, Zijn uitredding en wonderbare daden, de schepping uit het niets en verwijzingen naar Israël. Bij overname van liederen uit bestaande bundels betrof een soortgelijke aderlating passages over de drie-eenheid, Jezus als Gods Zoon, verzoening door voldoening, opstanding en zitten aan de rechterhand van God, toespelingen op doop en avondmaal. Zo werd bijvoorbeeld strofe 4 uit Evangelische Gezangen 1803: 'Ja amen, ja, op Golgotha, stierf Hij voor onze zonden' niet overgenomen. In de nieuwe liederen was de plaats van Jezus beperkt tot een voorbeeldfunctie en zongen paasliederen vooral over de herleving van de natuur.
Wijzigingen in overgenomen gezangen en de inhoud van veel nieuwe liederen zorgden anderzijds ook voor een infuus met individualisme en optimistisch activisme: de moderne mens dwaalt wel, maar komt met hulp van God als Vader al strijdend voor diens Rijk wel tot prestaties; cf. het bovengenoemde lied van Böhringer of een lied als 'Help nu uzelf, zo helpt u God'.
De hymnologische richtlijn in alle drie bundels was: zingen zoals je gelooft in een artistiek verantwoorde vorm: poëzie op een passende, ritmische, ook vierstemmige melodie, soms voorgezongen door koren. Bijna alle remonstrantse en vele doopsgezinden gemeenten voerden de bundel in, maar de hervormden ontzegden de bundel een plaats, niet op inhoudelijke, maar op formele gronden.

Verrechtsing
Het ontstaan rond 1900 van een rechts-moderne stroming, door Le Coq ook wel vrijzinnigheid genoemd, leidde in 1920 tot uitbreiding van de liederenschat met 103 liederen in VGL. In de vrijzinnige theologie was er nu meer aandacht voor verlorenheid, genade en geloofszekerheid, Christus kreeg groter gezag, de 'gemeente' maakte meer plaats voor de 'kerk' en pessimisme verving optimisme. Het gevolg was kritiek op de bundel van 1882: te weinig psalmen, psalmen zijn onnodig veranderd, te weinig zondebesef, te veel moed en levenslust.
Gezien deze verrechtsing was het eigen karakter van de vervolgbundel nog geringer. Het aantal psalmen werd uitgebreid: vijftien liederen bevatten gedeelten van nog eens negen psalmen, zoals Psalm 25 en Psalm 98; ook werden zes psalmen hersteld. De beide bundels Evangelische gezangen leverden opnieuw twintig liederen, zij het weer vaak in verkorte of gewijzigde vorm.
Uit andere bundels werden 46 liederen overgenomen. Van de slechts 22 nieuwe liederen waren er acht gedicht door de niet-vrijzinnige dichteres Jacqueline van de Waals, waaronder het ook door rechtzinnigen graag gezongen 'Wat de toekomst brengen moge' (NB: een lied, dat geen enkele betrekking heeft op de zich pas later voordoende maagkanker bij de dichteres, Van 't Veld).
Van directe aderlating kan in een vervolgbundel geen sprake zijn; wel was het activisme in de toegevoegde liederen gering. Het infuus was nu meer orthodox. Via het herstel van psalmen verkiest God Zijn volk weer, het overgenomen gezang 'Wees gegroet, gij eersteling der dagen' dient als paaslied, nieuwe liederen zoals 'Ik heb de vaste grond gevonden' bezingen het verlangen naar geloofszekerheid.
In hymnologisch opzicht werd nog meer voldaan aan de artistieke idealen. Vooraanstaande componisten werden als medewerker aangetrokken. Niet minder dan 24 liederen waren door JuIius Röntgen op muziek gezet, zoals Vondels 'd'Almachtige is mijn Herder en Geleide' en Gezelles 'Het leven is een krijgsbanier'.

De bundel werd positief ontvangen, ook door remonstranten en doopsgezinden, maar niet door oud-modernen. De Nederlands Hervormde bundel Psalmen en Gezangen (NHPG) uit 1938 zou slechts negen liederen uit beide NPB-bundels overnemen.

Kerkelijk en oecumenisch
Aan de bundel LNPB uit 1944, die de beide vorige moest vervangen en meer kerkelijk en oecumenisch van karakter was, werkten vrijzinnigen, doopsgezinden, lutheranen en remonstranten mee. De bundel bevatte 250 liederen; hun eigen dogmatische stokpaardjes publiceerden doopsgezinden in een aanhangsel. Nieuwe accenten in de theologische achtergrond waren aandacht voor de samenleving, sterkere waardering van de sacramenten, grotere belangstelling voor de viering van het kerkelijk jaar en gezien twee wereldoorlogen een toegenomen besef van de zonde en het kwaad in de wereld.
De bundel was allerminst een geheel nieuwe bundel. Zij telde na toevoeging van elf psalmen nu vier integrale psalmen en 41 liederen met gedeelten van psalmen, waarvan 35 in de bekende en geliefde berijming van 1773. Maar liefst 126 liederen waren geheel of gedeeltelijk gelijk aan de liederen in NHPG. Ontleend aan die bundel waren 62 liederen - Le Coq spreekt op p. 66 mijns inziens ten onrechte van 'bijna 80' - , terwijl de andere 64, zij het soms in een iets andere vorm, al in GL of VGL hadden gestaan. Uit die eigen bundels waren nog eens 40 liederen overgenomen, waarvan 10 van Böhringer. Van de resterende liederen waren er 12 aan andere bundels ontleend en slechts 27 echt nieuw. Hiervan waren er 18 gedicht door de sociaal bewogen NPB-dominee-dichter J.J. Thomson, die christocentrisch preekte 8. Zijn portret en een deel van zijn bekende lied 'God roept ons, broeders, tot de daad' had ons inziens ook een plaats op de omslag van de dissertatie verdiend.
Ook nu waren er nog aderlatingen. Gods wet mocht het individualisme niet inperken, vandaar in Psalm 25:2: 'Leer mij trouw uw woord betrachten'. Liederen waaruit vooruitgangsoptimisme sprak, werden op enkele uitzonderingen na ook niet meer opgenomen. Het meer orthodoxe infuus betrof het opnieuw invoeren van de naam van Jezus, waar die in de eerdere bundels was weggelaten en de overname van liederen als 'Neem, Heer mijn beide handen', die de hulpeloosheid van de mens bezongen en een paaslied als 'Ik zeg het allen, dat Hij leeft'. Sterker nog was dit infuus in het doopsgezinde aanhangsel, waar ook liederen als 'Jezus neemt de zondaars aan' en 'Daar juicht een toon' een plaats kregen. Soms was er sprake van beide handelingen: het trinitarische werd nu eens geëlimineerd, dan weer expliciet opgenomen. Voor de muzikale verzorging van de nieuwe bundel zorgden Johanna Wagenaar en Adriaan C. Schuurman.

De receptie was gunstig, maar de oplagecijfers stonden al snel in het teken van de komende interkerkelijke bundel, het Liedboek voor de Kerken, waarin ook de vrijzinnig-protestanten, ondanks het volledige psalter, participeerden. Met LNPB heeft dit slechts 6 liederen gemeenschappelijk, onder andere in gewijzigde vorm bovengenoemd lied van Böhringer en bovengenoemd lied van Thomson.

Stellingname
Vanuit rechtzinnig standpunt is elke aderlating meestal te betreuren en elk infuus meestal toe te juichen. Blijkens de liederen nam de vrijzinnigheid in de geschetste eeuw eerder af dan toe.
Wat mij als lieddichter in de drie bundels tegenstaat, is het ongebreideld omvormen van de pennenvruchten van anderen. Ten opzichte van dit punt hadden we niet alleen een beschrijving, maar ook een stellingname van Le Coq verwacht. Ook missen we een beoordeling van de vertalingen van gedichten door Böhringer, Thomson enzovoort. Had ook hier het principe van eigen geloven de primeur boven getrouwheid aan de oorspronkelijke tekst?

De 492 pagina's van Le Coqs proefschrift vormen een mooi, maar lastig te hanteren boek. Als lezer heb je minstens vier vingers nodig: één tussen de tekst, één om te bladeren in de ruim 40 bladzijden eindnoten, die niet van een hoofdstukaanduiding als koptekst zijn voorzien en één in de 180 pagina's tellende bijlage, waarin wel naar intentie, maar niet in feite alle psalmen, gezangen en liederen zijn opgenomen die in het boek ter sprake komen. We hebben met de vierde vinger dan ook ijverig moeten bladeren in de inderhaast antiquarisch aangeschafte drie bundels. Lastig bleef dan nog dat Le Coq, als hij liederen vergelijkt, dit nu eens in de tekst, dan weer in de eindnoten doet, terwijl je als lezer zelf maar moet vaststellen of je de bijlage met liederen of de bundels zelf moet raadplegen.

N.a.v. A. le Coq:
Wat vlied' of bezwijk'. Het vrijzinnige kerklied in Nederland 1870-1973.
Uitg. Kok, Kampen; 492 blz.; € 34,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Aderlating of infuus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's