De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nadruk op gave en bediening

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nadruk op gave en bediening

MEER GEEST IN DE GEMEENTEN [1]

9 minuten leestijd

MEER GEEST IN DE GEMEENTEN [1]
Naar aanleiding van het boek Meer Geest in de gemeenten van dr. Willem J. Ouweneel willen we, na een bespreking van het boek zelf, trachten tot enige evaluatie te komen waar we onze geestelijke winst mee kunnen doen.

De lijn in het boek
De titel van het boek geeft tegelijk de lijn aan die het boek wil trekken. Ouweneel beoogt met het boek de werkzaamheid van de Heilige Geest in de gemeenten te kunnen bevorderen. Dat betekent dat hij van mening is dat het werk van de Geest in de gemeenten te gering functioneert.
Dit werk van de Geest verbindt hij met Christus, door te stellen dat Christus zeer rijk is en dat wij te weinig uit die rijkdom leven. Hij wil het werk van de Geest dus niet in mindering brengen op Christus en Zijn arbeid. Tevens wil hij het werk van de Geest niet accentueren ten koste van het Woord van God. Ondertussen stelt hij wel dat het in het geloofsleven gaat om meer dan rechtvaardiging en heiliging. De reformatorische nadruk op rechtvaardiging en heiliging verhinderde om zicht te hebben op andere bijbelse noties, zoals de gaven van de Geest en de bedieningen in de kracht van de Geest.

Gereformeerd en evangelisch
Ouweneel constateert dan ook een tegenstelling tussen wat hij noemt traditionele protestanten en evangelischen. Wel ontdekt hij ook gelukkige uitzonderingen van hen die willen leren van evangelischen. Tot die gelukkige uitzonderingen rekent hij allen die behoren tot de Protestantse Kerk in Nederland en zich evangelisch noemen. Dat betekent dat dr. Ouweneel van mening is dat de Reformatie (met de Nadere Reformatie) inzake de Heilige Geest en Zijn werk onder de maat is gebleven ten opzichte van de evangelischen. Evangelische christenen zijn geestelijk rijker dan reformatorische gelovigen. Dat hangt, aldus Ouweneel, weer samen met de karige wijze waarop de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de Heilige Geest spreekt. Met de Heidelbergse Catechismus is het al niet veel beter. Zelfs Calvijn, toch al eeuwen lang beschouwd als bij uitstek de theoloog van de Heilige Geest, zit ver onder het hoge niveau dat Ouweneel zich als meetlat voorstelt.

Functionerend geloofsleven
Ouweneel verstaat het hebben van meer Geest in de gemeenten vooral als nadruk op de gaven en bedieningen van de Geest. Ondertussen zegt hij ook mooie dingen over het functioneren van het geloof in de zin van 'Gods verborgen omgang'.
Heel positief is dat Ouweneel diep ingaat op het feit dat wij verhinderd kunnen worden om te leven in de volle doorbraak van het geloof. Naast onwetendheid, onmacht en onwil noemt hij in dit verband zeven blokkades, namelijk onbeleden zonden, zondige bindingen, verkeerde contacten, vleselijke leefwijze, wrok en bitterheid, vloeken over ons halen en demonische bindingen. Hij had er zeker ook nog hoogmoed, ongeloof en het voeden van twijfel bij kunnen noemen. Het is heel fijn dat Ouweneel hier een bijbelse weg wijst waarin wij meer tot eer van God en tot ons eigen heil aan de gang kunnen gaan in het praktiseren van de oefeningen van het geloof. Immers, die geloofsoefeningen hebben als doel om alles wat God in de weg staat en de Heilige Geest bedroeft, op te ruimen. Hierbij wijst hij terecht op het belang van zelfonderzoek en verootmoediging. Want, 'of wij verbrijzelen onszelf voor God, of God verbrijzelt ons in het oordeel.'
Een gelovige zal daarom voortdurend leven bij Psalm 139 met het gebed om doorgronding van ons hart, zodat we gaan zien of er bij ons een schadelijke weg is en gaan vragen of God ons steeds weer op de eeuwige weg wil leiden.
Dankbaar noteren we deze goede woorden over het belang van op toonhoogte functionerend geloof. Wel nemen we er afstand van als dr. Ouweneel dit weer wat uitspeelt tegenover het instituut kerk en hierbij meer accent legt op onze keuze voor de Heere dan op Gods keuze voor ons.

Accent op gaven en bedieningen
Zoals reeds gezegd ligt in Meer van de Geest het grootste accent op het hebben van gaven en bedieningen. Meer Geest in de gemeenten is dus vooral meer gaven en bedieningen praktiseren. Het gaat om door de Geest gezalfde en met de Geest vervulde mensen, die open staan voor de gaven van de Geest en ook naar die gaven streven. Gaven die weer nauw samenhangen met het uitoefenen van bedieningen als taak in de gemeente. Ouweneel noemt daartoe negen 'wondergaven' als gereedschap dat alle gelovigen nodig hebben om hun eigen speciale bediening uit te voeren. Nodig daarvoor is om tot een gemeente te behoren die deze bedieningen ook werkelijk honoreert en inschakelt. Een gemeente die dat niet doet, kan men in het uiterste geval beter inruilen voor een andere.
Wel is bij alles van belang dat de liefde bovenaan staat. Want ook in de bedieningen is de liefde het meeste. Bedieningen uitgeoefend zonder liefde gaan verworden tot vleselijke dienst. Meer Geest in de gemeenten is daarom een zaak van meer liefde in de gemeenten. Uit liefde tot de Heere zullen zulke gemeenten gaan evangeliseren, gaan gehoorzamen aan Gods Woord en wet en gaan komen tot aanbidding. Want het gaat om de eer van God. Het 'opleuken' van diensten is hierbij geen optie. De agapè-liefde dient als verkondiging centraal te staan, zodat zichtbaar wordt dat Jezus gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Ouweneel pleit in dit verband ook voor Geest-vervuld preken.

Gevaar van ongeestelijkheid
Naar ons gevoelen loopt Ouweneel in dit boek het gevaar te geestelijk te worden en daarin juist ongeestelijk. Als de auteur bij voorbeeld pleit voor Geestvervuld preken, dan denkt hij daarbij met name aan preken die bij voorkeur niet als uitgeschreven worden 'voorgelezen', maar uit het hoofd worden gehouden. Weliswaar veroordeelt hij het uitschrijven van preken niet en zegt hij verder ook heel mooie dingen over het Geestvervuld preken. Toch is het niet goed voor te stellen dat onze subjectieve voorkeur die ten koste kan gaan van zorgvuldige verwoordingen die te voren aan het papier zijn toevertrouwd, de Geest bij uitstek behaagt. Bovendien is er zo het gevaar dat het ten koste gaat van grondige en evenwichtige Schriftgegevens. Natuurlijk, God zal er ondanks ons Zijn ongekende gang mee gaan, doch de Geest heeft als eerste intentie toch zeker voorkeur voor maximale Schriftdoorwrochtheid en taalkundige zorgvuldigheid. Bovendien zullen maar weinig predikers de gaven hebben om met 'uit het hoofd preken', toch geheel tegemoet te komen aan die eerste intentie van de Geest.
Tot slot zitten we op deze wijze, voor we het beseffen, op de toer van onze eigen geest ten koste van de Geest. De te geestelijke insteek dreigt ons in het ongeestelijke terecht te doen komen. Een zelfde gevaar is er wanneer er groot accent gelegd wordt op het persoonlijk getuigenis. Ouweneel zelf geeft er in zijn boek voorbeelden van. Daar zitten zeker goede kanten aan. Doch voorzichtigheid is geboden, want terugtreden achter het woord geeft 'vanzelf' reeds een persoonlijke gloed aan ons getuigen. En we lopen minder risico om de Geest in te ruilen voor onze geest.

Bedieningen
We denken ook aan de grote aandacht die het boek geeft aan de bedieningen. We krijgen de indruk dat de gaven van de Geest minder toebedacht worden aan de bijzondere ambten dan aan de bedieningen. Worden onofficiële bedieningen op deze wijze niet naar voren gehaald ten koste van de geïnstitutionaliseerde ambten? Bovendien, leert de Schrift ons echt dat elke gelovige een bediening moet hebben? Komt hier het gewone schepselmatige leven waarin elk mens zijn goddelijk beroep uitoefent, niet in het gedrang? Uiteraard willen we hiermee niet suggereren dat er afgedongen moet worden op de mondigheid van de gemeente. Meer dan ooit heeft de Reformatie deze mondigheid van de 'leken' onderstreept, maar ondertussen nooit ten koste van het bijzondere ambt en de taak binnen de staat.
Dat Ouweneel het gevaar loopt de Geest met een hoofdletter in te ruilen voor die met een kleine letter, blijkt ook nog uit het feit dat hij voor de overdoop is en daarmee dus de kinderdoop verwerpt. Hiermee lijkt hij namelijk de geloofservaring als voorwaarde te zien voor Gods genade. Het theologisch denken dat de achtergrond vormt van de gelovigen-doop, zal daarom ten diepste niet overweg kunnen met de rechtvaardiging van de goddeloze en de verzoening met God van vijanden.

Arminiaans
We vragen ons dan ook af of dr. Ouweneel in zijn theologiseren ten diepste niet gebonden is gebleven aan een arminiaanse trek, waardoor zijn denken wat krampachtigs krijgt. Zo zegt hij bij voorbeeld op bladzij 193 van zijn boek aan de ene kant heel prachtig: 'Het geloof, hoe groot het ook is, is immers nooit uit onszelf, maar uit God. Het is de Heilige Geest die een groot geloof in ons werkt.' Aan de andere kant zegt hij: 'Wij moeten ons daarvoor wel openstellen, maar voor de rest is het totaal niet onze eigen verdienste'.
Hetzelfde vinden we op bladzij 67, 68, als het gaat om de uitverkiezing. Daar lezen we: 'Velen denken dat de uitverkiezing uitsluitend een zaak van Goddelijke soevereiniteit is, maar dat is niet zo - of niet altijd zo, of niet altijd helemaal zo.' Ouweneel licht dat toe aan de uitverkiezing van David, de man naar Gods hart. Hij zegt: 'Zeker, God verkoos David en daardoor werd David een man op wie ook heel praktisch Gods welgevallen kon rusten. Maar het omgekeerde is ook waar: God vond zijn welbehagen in David vanwege het soort mens dat de jonge David was en het leven dat hij leidde en daarom verkoos God hem'.
Ondertussen gaat de auteur naar ons stellige gevoelen hierin niet correct om met het probleem van verkiezing en eigen menselijke verantwoordelijkheid. Want het honoreren van die verantwoordelijkheid wordt zo ten diepste de grond van het verkoren zijn. Uitverkiezing is niet meer 'onderscheid maken waar geen onderscheid is'. We komen terecht bij de brave Hendrikken, die een streepje bij God voor hebben. Uitverkiezing betekent dan niet meer verkoren zijn tot geloof, maar om ons geloof.
Dr. Ouweneel zal daarom dieper moeten graven en nauwkeuriger dienen te onderscheiden. De uitverkiezing is immers de bron van alles. Dat God behagen heeft in David, de man naar Zijn hart, is niet om iets in of van David zelf, doch enkel vanwege Gods genade, die Hij in David zag schitteren en die David zelf in zijn geloofsverantwoordelijkheid gerealiseerd kreeg als vrucht van genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 2005

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Nadruk op gave en bediening

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 2005

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's