Gestorven voor onze zonden
1 KORINTHE 15, HOOGLIED OP PASEN
Perpetua
Onlangs las ik het verslag van een zekere Perpetua. Samen met vijf medechristenen werd zij begin derde eeuw het slachtoffer van de christenvervolging onder keizer Septimius Severus. Toen zij nog in voorarrest zat, probeerde haar vader zijn oogappel te pressen haar geloof af te zweren. Haar reactie was kort: 'Vader, ziet u dat kruikje hier staan?' 'Ja.' 'Kunt u dat iets anders noemen dan een kruikje?' 'Nee.' 'Zo kan ik ook mezelf niets anders noemen dan wat ik ben: een christin'. Niet lang daarna stierf zij de marteldood in de arena van Carthago.
Waarom vertel ik dit? Vanwege de samenhang met 1 Korinthe 15, het langste hoofdstuk uit Paulus' brieven, dat wel een hooglied op Pasen mag heten. Een loflied. Jawel, maar een lied dat ligt ingeklemd tussen een inleiding (vs. 2) en een uitleiding (vs. 58) die met grote ernst zijn geladen. In beide klinkt het appèl om standvastig in het paasgeloof te volharden.
Blijkbaar spreekt dat niet vanzelf. Je kunt het evangelie hebben aangenomen en zelfs erin staan (vs. 1), maar het toch nog verkwanselen. Paulus zag het in Korinthe gebeuren. Door sommigen werd de opstanding der doden ontkend en daarmee ook de opstanding van Christus verloochend. Op de achtergrond van deze dwaling ga ik nu niet in. Waar het me om gaat, is dat de apostel niet alleen gewicht hecht aan de aanvaarding van het evangelie, maar evenzeer aan de volharding daarin.
Perpetua volhardde. Ze weerstond de verlokking die er uitging van een vader die haar liefhad. Ze verdroeg de ondraaglijke pijn van de marteling die ze moest ondergaan. Ze trotseerde de gruwzame dood die haar werd aangedaan. Hoe is het in de wereld mogelijk? Zou ik het kunnen? Ik niet. De liefde kan het. Het is die liefde die Jezus bewoog om de smaad en de smart van het kruishout te dragen, om ons door de dood heen het leven te verwerven. Wie z'n hart aan deze liefde verliest, die heeft lief met een liefde die trouw blijft, tot in de dood.
'Ik ben een christin', zei Perpetua. Ik ben van Christus, omdat Hij eenmaal zei: 'Je bent van Mij, tot in Mijn kruisdood'. Van zoveel liefde kan geen macht ter wereld mij scheiden.
Het geldt ook vandaag. Hoe houden wij in het paasgeloof stand, nu weliswaar geen vrijheidsberoving en marteldood dreigen (althans niet in onze gewesten), maar de druk om het christelijk geloof te verzaken toch niet minder riskant is? Al wordt fysiek geweld ons doorgaans bespaard, de mentale aanslag die op ons denken en hart wordt gepleegd, liegt er niet om. Doet heel het klimaat van onze postchristelijke cultuur geen aanval op het geloof in een Opgestane, Die gekruisigd was? Staan pers en reclame, lectuur en telecommunicatie niet veelal in dienst van een subtiel of ook bruut offensief tegen kerk en geloof? Hoe velen zijn er al niet onder bezweken! De zuigkracht is sterk. Ja zeker, zegt de apostel, maar de draagkracht van Christus' opstanding is sterker. En, jawel, zegt mijn hart, maar mijn volharding is deze dat Christus het volhoudt Mijn houvast is dat Hij mij vasthoudt
Gestorven
Paulus begint zijn lied over het paasleven met iets wat onmiskenbaar een doodsbericht is. Voordat hij Christus' opstanding bezingt, herinnert hij aan Diens sterven. Pasen en Goede Vrijdag horen bijeen, onafscheidelijk.
Daar zag het overigens die vrijdag bepaald niet naar uit! Toen Jezus stierf, leek dat het laatste. Hij blies de laatste adem uit en werd een dode. Het was voorbij. Achter Zijn aardse leven stond een punt. Niet ogenschijnlijk, maar in volle werkelijkheid. Maar juist op dit nulpunt kwam Gods scheppersmacht aan het licht. Hij Die in den beginne hemel en aarde uit niets in het aanzijn riep, schiep in de herschepping van Pasen het leven uit de dood. God hield bij de punt van de dood geen halt, maar maakte die punt tot een komma. Zo is onze God. Waar alles over en uit is, daar schept Hij een nieuw begin.
Dat moet u maar diep in uw hart bergen. Ons eindpunt is telkens het trefpunt met Zijn wonderbaar begin. Het kan er in kerk en cultuur, in je gezin en je ziel niet zó hopeloos bijstaan, of bij God is er doen aan. Pasen staat er garant voor.
Pasen, zeg ik. Wat is daarmee gezegd? Dat een dode uit de dood werd verwekt en uit een grafspelonk opstond. Helemaal waar! Maar daarmee blijft het diepste geheim toch nog ongezegd. Het unieke van Pasen is niet dat er iemand uit de doden verrees, maar dat deze Opgestane geen andere was dan de Gekruiste Die de vloekdood had doorleden. Het is dit weergaloze heilsfeit dat Paulus ons inscherpen wil. Alsof hij ons uitnodigt om onze blik over het lege graf heen op de kruisheuvel te richten. Even zou je kunnen denken: Golgotha ligt achter ons, het kruis is verleden tijd, en wat ons nu wacht, is het leven in paselijke glorie! Nee dus. De kracht van Jezus' opstanding leren wij niet kennen dan in de gemeenschap van Zijn lijden en dood. Juist met Pasen blikt de apostel achterom. Want zoals het voor Christus geen Paasdag werd zonder Goede Vrijdag, zo ook ontgaat ons het wonder van Pasen zonder besef van Zijn kruisdood. De Paasvorst is de Kruiskoning. En de Gekruiste is de Levende. Dit maakt de vreugdevolle verwondering van Pasen uit dat Hij leeft, nadat Hij is gestorven en in Zijn dood het hele doodsregime de beslissende slag heeft toegebracht.
Capelse vandalen kalkten indertijd op onze pas voltooide kerk: 'Jezus is dood'. We zeiden tegen elkaar: 'Ze zijn één woordje vergeten. Hij is niet dood, maar Hij is dood gewéést'. Zo openbaarde Hij zich eenmaal aan Johannes op Patmos: 'Ik ben dood geweest'. En wie zegt dat Hem na? Dood gewéést? Wij stervelingen hebben de dood vóór ons. De Opgestane heeft de dood achter zich. Wat Hij achterliet in Zijn graf, was de dood. Hij leeft, aan gene zijde van de dood. En Hij houdt dit opstandingsleven niet voor Zichzelf, maar laat er allen in delen die met de dood voor ogen wegschuilen in Zijn wonden, die Hij juist als Opgestane toont.
Vrede brengt Hij mee en ongekende vreugde. 'Ik leef, en ook gij zult leven'. Dat geeft stervensmoed die levensmoed behelst. Zoals die oude broeder getuigde toen hem gevraagd werd of hij nooit bang was om te sterven. 'Jawel,' zei hij, 'zolang ik op mezelf zie. Maar zie ik op mijn Heiland, dan zeg ik: nee, ik heb niets meer te vrezen. Want ik bén al gestorven. In het jaar 33. Daar en toen stierf ik met Christus mee. En toen Hij opstond uit het graf, verrees ook ik in het leven. Mijn dood is achter de rug, en wat ik voor me heb, is het eeuwige leven'.
Voor onze zonden
Er rijst nog een vraag. Waarom vermeldt Paulus zo uitdrukkelijk dat Christus is gestorven voor onze zonden? Niet zonder reden. Kijk nog maar eens goed naar het kruis waaraan Hij vastgeklonken hing. Dat was de executieplaats die de Romeinen hadden ingeruimd voor misdadigers. Wat meer is, het was de gerichtsplaats waarop de Heilige Zijn oordeel velde en Zijn vloek uitgoot over alle ongerechtigheid der wereld.
Ja maar, die wereld zijn wij! Dat is waar. Maar God, Die een diep onbehagen heeft in de zonde, had een nog dieper welbehagen om zondaren te verzoenen. Zo grondeloos diep had Hij die wereld lief dat Hij Zijn eniggeboren Zoon, het Kind van Zijn hart, overgaf om de zonde der wereld te dragen. Het is deze liefde die wij aflezen van de wonden die de Opgestane ons toont. Hij is het Lam dat onze zonden op Zich nam. Mij moest het oordeel treffen. Maar de Man van Smarten ziet mij aan en zegt: 'Ik voor u'. En Hij voegt de daad bij het woord.
En ik? Ik sta daar rond het kruis als een boeteling, beschaamd en doodsschuldig. Ik heb er niets te verliezen en nog minder te kiezen. Jezus kiest voor mij, zo verloren ik ben. Hij kiest de gang naar de dood, door vloek en verlatenheid heen. Ik kijk mijn ogen uit en zie mijn schuld verdwijnen in Zijn dood en weet mijn vloek veranderd in zegen. Ik schaam me als nooit tevoren, maar de blijdschap doet er niet voor onder: 'Mijn Heere en mijn God. Gij voor mij, in mijn plaats. Uw bloed stroomt in de aarde. Het is het offer van Uw leven dat u prijsgaf om mij van vloek en ondergang te redden'. Gestorven voor onze zonden. Dat is Pasen op Goede Vrijdag. Dat is leven op kosten van Zijn dood. Want twee mogen niet dood zijn (Kohlbrugge). Die Ene was genoeg.
Naar de Schriften
Christus is gestorven naar de Schriften. Hij stierf dus niet door een samenloop van omstandigheden, maar volgens het heilsplan dat God in de boeken van Mozes, psalmisten en profeten voorzegd had. Dat die gruwelijke vrijdag de Goede Vrijdag bleek, waarop onze Hogepriester met één offerande heel de offercultus van het oude verbond tot vervulling bracht, is niet door mensen bedacht, maar door Hem Die ooit het zoenbloed op het altaar gaf (Lev. 17:11).
Aan deze en dergelijke teksten zal Paulus hebben gedacht, toen hij Christus' sterven geprofeteerd zag in de Schriften. Het waren woorden Gods waarin hij las over het paaslam en over het ritueel van Grote Verzoendag, en woorden waarin hij de weg zag getekend die de Knecht des Heeren zou gaan, als een lam ter slachting geleid. Maar niet alleen aan tekstpassages zal Paulus hebben gedacht. Veeleer las hij geheel het Oude Testament met het oog op de Beloofde. Niet omdat elke bladzij rechtstreeks naar Hem verwijst, maar omdat heel de heils- en onheilsgeschiedenis van God met Zijn verbondsvolk een relaas van falen en vergeving, van nood en uitredding was, dat riep om Hem Die de straf zou dragen die schuldigen de vrede aanbrengt.
Zo ziet de apostel hen allemaal staan, vanaf Mozes tot Maleachi. Al die vaderen wijzen met hun vinger naar het Lam dat de zonde van Israël en de volkeren zou dragen. Aller ogen wachten op Hem Die de dood het graf zou gaan delven. En als er Eén is geweest Die de Schriften zó leerde verstaan, dan is het wel Jezus zelf. In de Schriften raakte Hij thuis. Hij woonde erin. Die te vervullen was Zijn lust en Zijn leven. En Hij wist dat het Zijn dood zou worden.
Aan de vooravond van Zijn sterven zong Hij het Hallel: 'Banden van de dood hadden Mij omvangen en angsten der hel Mij getroffen. Ik vond benauwdheid en droefenis. Maar Ik riep de Naam des Heeren aan: Och, Heere, bevrijd Mijn ziel'.
En drie dagen later, tegen de avond van eerste Paasdag, toen Hij naar lichaam en ziel was bevrijd van de dood, maakte Hij Zijn dwalende discipelen wegwijs in al de Schriften, door hun te tonen wat daarin van Hem staat geschreven. Daar was Paulus niet bij. Maar de boodschap leerde hij verstaan. Christus stierf en verrees naar de Schriften. De grote, complete Verzoendag brak aan. Waar zijn mijn zonden gebleven? Die heb ik niet meer. Mijn Heiland droeg ze weg. Vér weg! Hoe ver? Tot in de dood. En hier geldt: dood is dood! Want nu de zonde is verzoend, is de dood zijn rechtsgeldigheid kwijt.
Ooit klopte de duivel bij Luther aan, met een aanklacht in handen: 'Woont hier een zekere Maarten Luther?' Nee, zei Luther. 'Je bent rijkelijk laat. Die is al vijftienhonderd jaar dood'. 'Maar wie woont hier dan?' 'Hier woont Jezus Christus. Want ik ben met Christus gekruist. En ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. En wat ik nu leef, dat leef ik door het geloof van Gods Zoon, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 2005
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 2005
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's