Op de kruisweg vooruitzien
LEIDING GEVEN IN GESCHEURDE GEMEENTEN [1]
In de titel van deze bijdrage staat een woord dat wijst op pijn: gescheurd. Zo is het toch ook? Op 1 mei 2004 of later is een aantal leden van uw gemeente of zelfs een meerderheid van uw gemeente een andere weg gegaan dan u.
Ze kozen voor (of: werden meegenomen in) tot wat geworden is de Hersteld Hervormde Kerk. Ze gaan nu letterlijk een andere weg, want tot die tijd liep je met hen op naar Gods huis.
Of je nam hen mee in je auto naar de kerk. Ze zaten met je in dezelfde kerkbank. Al jaren. Je ontmoette hen op een jaarvergadering van een vereniging. Je was samen met hen op een gemeente- of wijkavond. Je sprak met hen over de kerkdiensten van de zondag, als je ze doordeweeks ontmoette. Of je sprak met hen over de prediking over de schutting heen, die tussen jullie tuinen staat. En je stond met hen bij hetzelfde doopvont. Zat met hen aan dezelfde avondmaalstafel.
En nu: 's zondags zie je hen soms. Maar ze gaan een andere kant op. Naar het gebouw, waar de HHK kerkdiensten belegt.
Samen buigen?
Dan komt er nog wat bij. Zeker als leden van de kerkenraad heb je geprobeerd, biddend, deze mensen vast te houden. Erbij te houden. Met veel moeite, ook voor jezelf: want je was zelf ook niet blij met wat de Protestantse Kerk in Nederland zou worden.
Maar je kón niet anders en je mócht niet anders. Je hebt gedaan, wat je kon. Je hebt als kerkenraad de Verklaring ondertekend en dat kenbaar gemaakt in de kerkbode. Je hebt het Convenant ondertekend en dat kenbaar gemaakt via een afkondiging en uitgelegd op een gemeenteavond. Over en weer zijn (helaas) soms harde worden gezegd. Vreselijk hard. En je hebt gepleit. Je hebt gebeden. Om eenheid. Maar je zag hen toch weggaan. Het leek wel alsof ze het allang van plan waren. Dat was misschien ook wel zo.
En toch: U kón niet anders. Er was in de Protestantse Kerk, bij alle vragen en zorgen die je had en hebt, toch het Woord van God. Dat heeft de Heere gelaten. Daarbij: U hebt geweten dat u niet onder de schuld van de kerk, die tot uw eigen schuld werd en waardoor er al die kerkelijke ontwikkelingen waren, niet vandaan kon en mocht. U kon niet weglopen onder dat oordeel.
U hebt gezegd: Zouden we niet samen buigen? Maar het landde niet. Terwijl het toch mensen waren, van wie u dat verwachtte.
Wat geeft dat een pijn. Telkens weer. Telkens weer zijn er de momenten dat u voelt: ze horen bij de gemeente. Ook wanneer het gaat om de gebouwen: kerkgebouw, pastorie enz. 'Mensen, dat was niet nodig geweest.'
Pijn niet ontkennen
Nu is een belangrijk gegeven: pijn verlamt je op den duur. Pijn gaat je beheersen. Zo gaat het ook met deze pijn. Dat het je verlamt en je belemmert in je ambtelijk werk. Nu wil ik dit zeggen: Je hoeft die pijn niet te ontkennen. Niet net te doen, alsof ze er niet is. 'k Zou bijna zeggen: Iets van die pijn mag er wel blijven. Zeker ook om je uit te drijven tot de Heere. Om te smeken tot de Heere voor de grote nood van de kerk, waarin je een plaats hebt. Maar ook om te smeken voor hen met wie je je innerlijk toch verbonden weet, maar die een andere weg gingen. Wee ons, als we dat niet meer doen!
Maar hoe je ook wendt of keert: Die scheur is niet - en dan gaat het me nu even niet om de schuldvraag, hoe belangrijk ook - van de Heere. Het toont de gebrokenheid van ons kerkelijk leven vanwege de zonde. En je mag best zeggen: we missen hen. Zou je niet telkens missen: die arm die is geamputeerd. Zo heb ik het ervaren: als een amputatie. Heel letterlijk. Dat geeft verdriet. Probeer daar dan ook niet overheen te komen. Doe niet alsof het niet zo is. Want vroeg of laat krijg je van een dergelijk denken de rekening gepresenteerd.
Ja maar, wat dan? Wel, een vaak goed bedoeld advies in dagen van gemis en rouw is nog wel eens: leer er mee te leven. Ach, zegt iemand dan, als bij deze woorden geen nadere uitleg wordt gegeven: ik kan er niet mee leven. En zo is het ook. Maar toch ...
Voortgaan
Mijn vrouw en ik waren ooit in Israël. U weet van de pijn van dat volk. Wat een amputaties in de loop der jaren. Denk maar aan de holocaust. En toch:
Vorige week kwam het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in Hoevelaken bijeen met ambtsdragers die leiding hebben te geven in een na 1 mei 2004 gescheurde gemeente. Ds. J.R. Volk uit Nieuw-Lekkerland hield hier een lezing, die we in drie afleveringen in ons blad plaatsen.
RED. DE WAARHEIDSVRIEND
wat een moed heeft dat volk om voort te gaan. Het bewijs daarvan is wat je ziet in de staat Israël. Een samenleving werd opgebouwd. Bij alle pijn om het verleden. Pijn, die men niet ontkent.
Denk maar aan Yad Vashem. Maar waar haalden en halen ze die moed, telkens weer, vandaan?' Ach,' zei die gids, 'weet u wat het kenmerk is van een Jood? Een Jood kijkt altijd vooruit.' Dat was een les!
Ik kan het nog beter zeggen, niet omdat ik beter ben dan de Joden, maar omdat het een woord is van Christus Zelf (Luk. 9:62): 'Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk van God.'
Wat betekent dat? Wel, bekwaam zijn betekent hier: in de juiste houding staan. Wat is nu de juiste houding, de grondhouding, zou je kunnen zeggen, in onze arbeid in de gemeente? Niet omzien, naar achterenzien. Maar vooruitzien. Hoe dan? Wel, dat woord van Christus staat in het kader van de navolging van Christus.
Vooruitzien is dus: zien op Hem en Hem volgen. Persoonlijk, maar zeker ook ambtelijk. Nee, dat is niet gemakkelijk. Want het volgen van Christus is niet anders dan een kruisweg. Het betekent: sterven. Aan alles waarvan je in het verleden zoveel verwachtte. Het niet meer verwachten van iets of iemand buiten Christus! En toch: dat is de weg, want anders ben je onbekwaam tot het Koninkrijk Gods. Maar ziende op Hem kan het. Ook in dezen moet het zijn: (Filipp. 3:14) 'Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.' Zo alleen kan het.
Want volgen betekent ook: iemand gaat voorop. Christus gaat voorop. Hij baant de weg.
Gemeente-zijn
De Joden hebben toch gelijk: ze kijken vooruit, met alle pijn om het verleden, die niet ontkend wordt. En wij zien vooruit en zien op Hem, Die ons voorgaat. Met dat ik dit zeg, vel ik geen oordeel over hen die een andere weg gingen, maar doe ik heel eenvoudig (dat woord betekent in de Bijbel: één kant uitkijken) dit: op Christus zien en Hem volgen. Misschien moet ik zelfs zeggen - en zo is het voor mij geweest - dat we, door dit alles heen, door deze periode van kerkelijke scheuringen heen, weer bepaald zijn, bij wat nu wezenlijk gemeente-zijn betekent: Geen weg van triomf te gaan.
Zeker, dat was het wat wij in het verleden soms meenden. Bij ons is alles beter. We hebben nog ... We zijn nog ... We zijn met velen. Maar we moesten leren: meerderen te missen. Soms zelfs: alleen te gaan. Nee, niet alleen te staan. Want Hij, Christus, is er. En dat is de weg. Zo houd je het ook vol. Zo alleen!
Dan kan ik me voorstellen: het is wat makkelijker als het een meerderheid was die bleef. Een meerderheid van een gemeente. Een meerderheid van een kerkenraad. Een meerderheid van de leidinggevenden. Maar ... als er een (kleine) minderheid bleef? En één ouderling? En verder ook maar weinigen? En dan toch: voort te gaan. En dat ook heel praktisch: Er voor te zorgen, dat - omwille van de gemeenteleden en zeker ook met het oog op de jeugd van de gemeente, maar niet minder met het oog op de ouderen - zij het afgeslankt, toch het werk in de gemeente voortgang heeft.
Ambtelijke voortgang
Dan zijn er toch ook vertroostende dingen: er zijn mensen die nooit van zichzelf deden horen in de gemeente en nog minder van zich deden spreken en van wie je nu bemerkt dat ze bepaalde gaven hebben. Ze komen nu naar voren.
Heel belangrijk is ook dat als de kerkenraadsbank leeg (of half leeg) is en je in de praktijk herderloos bent, omdat de predikant koos voor de HHK, dat je toch met elkaar en ook met behulp van de hogere organen in de kerk een weg zoekt, opdat er ook ambtelijk een voortgang zou zijn en kan zijn.
Maar daarbij wil ik tegelijk op een gevaar wijzen. Dat is het 'wij-gevoel'.
Wij zijn dan toch maar gebleven en wij blijven staan op de puinhopen van een gescheurd kerkelijk leven. Als dat het is wat samenbindt met anderen, dan gaat het met ons precies als met die anderen. Die hebben - dat hoort nu eenmaal bij het afscheidingsdenken (een naar woord overigens) - een heel sterk gevoel van: wij zijn het. Daarom is er ook dat zichzelf profileren ten opzichte van anderen. Ga daar niet in mee en waak voor die valkuil, want dan staat zo gauw de gedachte bij ons voorop: wij dit en wij dat. Dat is gevaarlijk. Nee, wij niets, maar we moeten en mogen het verwachten van de Heere.
J.R. VOLK, NIEUW-LEKKERLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's