Boekbespreking
Eginhard Meijering: Geschiedenis van het vroege Christendom. Uitg. Balans, Amsterdam, 527 pag., € 29,90.
Wie alleen al het notenmateriaal van dit boek doorneemt (bijna honderd pagina's) komt onder de indruk van de kennis van de auteur van schrijvers uit de oudheid en geschiedschrijvers, dogmatici en theologen van andere disciplines de eeuwen door. 'Bij zijn bronnenonderzoek gaat nochtans iedere onderzoeker,' zegt hij, 'selectief te werk.' Bij hemzelf is het onderzoek gedurende de veertig jaar dat hij zich aan de bestudering van de vroege kerkgeschiedenis heeft gewijd (25 jaar in Leiden), beperkt gebleven tot 'de ontwikkeling van het christelijk denken'. Ook hij baseert zich goeddeels op de studies van anderen. Zijn studie, die als ondertitel draagt Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn heeft hij ingedeeld in chronologische volgorde, afsluitend met het Concilie van Nicea (325 n.Chr.).
In het begin van zijn boek werpt hij de vraag op of Jezus als 'het begin van het christendom' moet worden bezien of dat het pas met zijn volgelingen begint. Jezus zelf heeft niets te boek gesteld. We moeten het doen met wat de evangelisten doorgaven. Nochtans kiest hij ervoor om de beschrijving van de geschiedenis van het christendom bij 'Jezus van Nazareth' te beginnen, dit vanwege het feit dat het juist joden zijn geweest die in Jezus de Messias zagen. En al kan de (kerk)historicus de feitelijkheid van de opstanding niet achterhalen: 'Ook wie in Jezus als de Opgestane gelooft behoort zich de vraag te stellen wie de Opgestane in zijn aardse leven was en wilde zijn. Dit geloof kan niet gauw op gespannen voet met het historisch onderzoek komen te staan, als men zich realiseert wat het onderzoek wel en niet kan aantonen en waarop het geloof is gebaseerd.
Opmerkelijk is dat de remonstrantse Meijering hier positie kiest tegenover zijn Leidse collega prof.dr. H.J. de Jonge, die aangaf dat het geloof in de (lichamelijke) opstanding vanwege 'het totaal veranderende wereldbeeld' onmogelijk is geworden. Ook al kan Meijering de historiciteit van de opstanding niet traceren, hij is het met de stelling van De Jonge oneens. Nochtans rijst hier de vraag of de historicus - in dit geval Meijering - dan ook niet mag uitgaan van de historische betrouwbaarheid van wat evangelisten en apostelen aan wie het allemaal was geopenbaard, doorgaven. Hier laat Meijering de lezer toch in twijfel. Dat blijkt toch ook uit de wijze waarop hij met de schriftgegevens omgaat. De geboorteverhalen (van Jezus) bij de evangelisten Mattheüs en Lukas gelden bijvoorbeeld naar zijn oordeel als legenden. En zo worden bij allerlei feiten uit de Schrift toch telkens twijfels geuit, evenals overigens bij veronderstellingen die in buiten-bijbelse bronnen worden geuit, onder andere over de seksualiteit van Jezus. En overigens mogen weer wel wonderbaarlijke genezingen 'vanuit historisch oogpunt ook niet principieel worden uitgesloten', omdat Jezus er de bedoeling mee 'zou hebben gehad' tekenen van het komende Koninkrijk te stellen. Maar het is alles wat te twijfelachtig, niet opkomend uit de historie die met de Openbaring is gegeven. Intussen gaat de auteur toch telkens de grens over van de kerkgeschiedenis naar de theologie, waarbij hij ook zijn eigen vooronderstellingen blijkt te hebben. In dit kort bestek kunnen we dit niet nader uitwerken. Maar bij alles wat de schrijver daarna aan de orde stelt moet dit wel in het oog worden gehouden.
Nadat Meijering over 'het begin' heeft geschreven, behandelt hij 'de Hellenistische achtergrond', de uitbreiding van de christenheid buiten Palestina, 'de christenen tegenover heidenen en joden' (o.a. de vervolgingen), 'na de dood van de apostelen'; in het tweede deel behandelt hij o.a. de stromingen (o.a. de 'ketters') en 'de winnende orthodoxie'; in het derde deel 'Polemiek tussen heidenen en christenen', nog eens expliciet 'de vervolgingen', de theologische ontwikkelingen, uitlopend op 'de laatste grote vervolgingen', 'theologie van de overwinning? ' en het Concilie van Nicea in het begin van de vierde eeuw.
'Subjectiviteit in het historische oordeel blijft onontkoombaar', zegt de auteur. Dat beleefde ik al lezende als ik me te binnen bracht het (in de literatuurlijst niet voorkomende), door mij vaker genoemde boek van Robert Daniël, This Holy seed (Tamarisk Publications, 1992). Dat boek is geschreven vanuit het perspectief van 'geloof, hoop en liefde in de vroeg christelijke kerken van Noord-Afrika'. Dat boek ademt een andere, hoewel ook minder vakwetenschappelijke geest. Dat blijkt ook als men de index in beide boeken vergelijkt.
Als Meijering zijn conclusie trekt, zegt hij dat het hem in zijn studie er vooral om ging 'de mate van continuïteit tussen de allereerste christenen en die in de tijd rondom het Concilie van Nicea' te belichten en niet 'die van de hedendaagse christenen'. Hij stelt dan de vraag of het begin van de vierde eeuw (de tijd van Constantijn en 'Nicea') niet een breuk binnen de geschiedenis van de christenheid heeft betekend. Echter zegt hij ook dat wie in zijn leven niet wordt beheerst door de verwachting van 'de spoedige komst van het koninkrijk' zoals dat bij de eerste christenen leefde, geen geloof heeft dat identiek is met dat van de vroegste christenen.
Zo zet de auteur de lezer nu eens op het ene (kerkhistorische) been en dan toch weer op het andere, het geloofsmatige. Stof tot verdere bezinning genoeg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's