Nieuwe bezinning op Israël volk, land en staat
EEN VERHEUGEND INITIATIEF
In 1970 verscheen vanwege de hervormde synode het spraakmakende geschrift 'Israël, volk, land en staat, aangeduid als een Handreiking. In de jaren na de verschijning ontmoette de inhoud ervan bijval en bestrijding. Meer en meer is de boodschap van dit geschrift in de officiële lijn van de Hervormde Kerk, daarna van de SoW-kerken afgezwakt, terwijl ook de bezinning op de verhouding van Kerk en Israël aan kracht inboette. Het Centrum voor Israëlstudies, gevestigd bij de Christelijke Hogeschool Ede, heeft de draad weer opgepakt en het geschrift van 1970 onder het stof vandaan gehaald. Een werkgroep Ideologische Bezinning boog zich over de verschillende aspecten van het geschrift. Alle leden van de werkgroep, behalve ds. C. Blenk, leverden een bijdrage aan de recent verschenen studie 'Israël, volk, land en staat - Terugblik en Perspectief.
Volk, land en staat
De Handreiking van 1970 werd gestempeld door de visie op Israël van wijlen prof. dr. H. Berkhof. Kort gezegd kwam het erop neer dat Israël het volk is waaraan de Heere de eeuwen door Zijn trouw heeft betoond en waaraan Hij Zijn beloften heeft gegeven. Het volk en het land (Palestina) horen op grond van de landbelofte (Gen. 17:8) bij elkaar. Dat is door eeuwenlange ballingschap niet ongedaan gemaakt. De vestiging van de staat Israël mag worden gezien als (een begin van de) vervulling van de beloften. Maar er is niet zoiets als een staatsbelofte. Wel wordt gepleit voor solidariteit met de staat Israël als een afgeleide van de landbelofte. Wat is immers een volk in een land zonder staatkundige ordening? Letterlijk wordt gezegd: 'Zoals echter thans de zaken liggen, zien wij een vrije staat als de enige mogelijkheid, die het volksbestaan waarborgt en die het joodse volk de gelegenheid geeft werkelijk zichzelf te zijn'. Daarbij wordt gesteld dat Israël, krachtens de Thora geroepen is recht te doen aan andere volkeren, met name ook aan het Palestijnse volk.
Het geschrift ontmoette, als gezegd behalve waardering ook tegenspraak, soms felle tegenspraak. Voor velen bleek Israël geen ander volk te zijn dan alle andere volkeren in de wereld, en bleek dan ook het doortrekken van de landbelofte naar het huidige Israël, een brug, zo niet meerdere bruggen te ver; waarbij niet zelden juist de Palestijnen op een voetstuk werden gezet. Daartegenover - het andere uiterste - staan diegenen, die aan de landbelofte nog een dimensie toevoegen, namelijk het aangeven van de bijbelse grenzen voor Israël, leidend tot de zogeheten Groot Israëlgedachte.
Herbezinning
In de bundel van genoemde werkgroep behandelt dr. H.C. van der Meulen allereerst De wordingsgeschiedenis van de Handreiking, waarvoor de zesdaagse oorlog (1967) de aanleiding vormde maar die al was vooraf gegaan door een rapport Israël en de kerk (1959). De Hervormde Kerk had al, als eerste kerk in de wereld, in haar kerkorde van 1951 in de paragraaf over het apostolaat haar relatie tot Israël geformuleerd: De kerk vervult als Christus-belijdende geloofsgemeenschap, 'delend in de aan Israël geschonken verwachting' haar (eerste) apostolaire opdracht 'in haar gesprek met Israël', om te betuigen dat Jezus is de Christus.
S. Gerssen, jarenlang secretaris van de Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël sprak altijd van 'getuigende dialoog' (geen zending). In 1991 werd in het kerkordeartikel gewijzigd, op grond van het rapport Israël, volk land en staat. Een voortgaande bezinning. Voortaan gold, dat de kerk het gesprek met Israël zoekt 'inzake het verstaan van de Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende het Koninkrijk Gods en het getuigenis dat Jezus is de Christus'.
In de kerkorde voor de Protestantse Kerk werd elke associatie met de staat Israël vermeden, door nu specifiek over de onopgeefbare verbondenheid met louter het volk Israël te spreken.
In een tweede hoofdstuk, onder de titel De werking van de Handreiking. Over haar 'Wirkungsgeschichte', geeft Van der Meulen terecht aan, dat 'voortgaande bezinning' betekende herbezinning, 'waarin men zich niet alleen maar kritisch met de Handreiking heeft bezig gehouden, doch ook opvattingen en visies heeft opgenomen die haaks staan op wat de Handreiking bood'. Het nieuwe is 'de brede, in het rapport eigenlijk overheersende aandacht voor het lot van de Palestijnen en het hoorbaar maken van de stem van de christenen in het Midden Oosten'.
Moest Berkhof al de verzuchting slaken, dat zijn hoop dat het geschrift 'eindelijk' een gesprek op gang zou brengen in de kringen van de Wereldaad, waar steeds een eenzijdig pro-Palestijnse visie heerste (V.D.G.), niet is vervuld, met betrekking tot de Hervormde Kerk kan de verzuchting worden geslaakt, dat ze goeddeels haar eerste liefde, zoals die in de Handreiking tot uitdrukking kwam, prijsgaf.
Dubbele solidariteit
Hoewel Van der Meulen een zeer gedetailleerd overzicht geeft van de wording van de Handreiking en van de latere ontwikkelingen, maakt hij een systematische fout, die ook wordt aangetroffen in de overige bijdragen in de bundel. Het betreft de zogeheten dubbele solidariteit of loyaliteit; dat wil zeggen de betrokkenheid van de kerk gelijkelijk op Israël en het Palestijnse volk. Van der Meulen noemt de Beleidsnota Midden-Oosten (1987) van de hervormde Commissie Werelddiakonaat (CWD), waarin die dubbele solidariteit werd uitgewerkt: de kerk moest zich niet eenzijdig solidair achter Israël stellen maar zich ook solidair tonen met het Palestijnse volk.
Feit is, dat in de kringen van het Werelddiakonaat aanvankelijk juist sprake was van eenzijdige (diakonale) solidariteit met de Palestijnen, maar dat na de start van CWD, na diepgaande discussies ook de diakonale solidariteit met Israël werd bepleit: dubbele solidariteit. Hier ging zich zelfs een geding voordoen met de Raad van Kerken, die een beleidsnota uitgaf met opnieuw eenzijdige solidariteit jegens de Palestijnen, een nota die het hervormd moderamen toen niet voor zijn rekening nam en niet bereid was te verspreiden.
Recent is men in het werelddiakonaat blijkens een nieuwe beleidsnotitie (2003) weer tot de oorspronkelijke positie teruggekeerd, door weer eenzijdige diakonale solidariteit met de Palestijnen als beleidslijn op te voeren, de onopgeefbare verbondenheid met Israël waarover de kerkorde spreekt ten spijt. Hier wreekt zich dunkt me in de, overigens te waarderen bijdragen van Van der Meulen, dat hij geen aandacht schenkt aan wat uit de kringen van het Bezinnings Comité Israël op tafel is gelegd, waar grosso modo toch ook het Centrum voor Israël Studies historisch nauw mee is verwant. Daar was sprake van affiniteit met de Handreiking en uitermate kritische reserve jegens de nota van 1991 en vervolgens jegens de diakonale nota van 2003.
Voortgaande bezinning
Het doet weldadig aan te lezen hoe in de volgende bijdragen in de bundel inderdaad sprake is van 'voortgaande bezinning'. Hierin komt de bezinning in het Bezinningscomité ook helemaal mee. Er is intussen geen klakkeloze aansluiting bij de Handreiking. Dr. M.J. Paul geeft Enige bijbels-theologische aandachtspunten bij de Handreiking. Hij gaat ook uit van de beloften aangaande Israël, zoals die in Romeinen 9-11 naar voren komen, maar zoekt naar een bredere onderbouwing en naar verdere verdieping: Het Oude en Nieuwe Testament samen, de verhouding tussen 'de verbonden met Abraham en het verbond aan de Sinaï', en het nieuwe verbond zoals voorzegd in Jeremia 31-33. Hij pleit ook voor meer aandacht voor de eschatologische teksten aangaande Jeruzalem (Zach. 12-14), in direct verband ook met de landbelofte (Luk. 21:24, Openb. 21, Matth. 2: 19-21; 5:5; 10:5-6, Hand. 1:8).
De bundel bevat verder een fraai hoofdstuk van dr. J. Hoek, Zien we heil in de geschiedenis? Het theologisch probleem van de geschiedenis in de Handreiking.
In dat artikel komt een schat aan eigentijdse literatuur mee. Vooral De zin der geschiedenis van Berkhof krijgt het volle pond. Hoek sluit aan bij wat A.Th. Van Leeuwen in 1964 schreef over 'de schepping van de staat Israël'. Deze stelde dat te midden van alle dramatische gebeurtenissen in de twintigste eeuw de vorming van de staat Israël volstrekt van eigen aard is: 'Het schijnt of alle onoplosbare problemen van onze tijd op dit snijpunt samenkomen'. Elke simplificatie doet de aard van dit probleem geweld aan. De christelijke kerk staat hiertegenover voor een uitdaging die zij sinds de verwoesting van de tempel in het Jaar 70 na Chr. negentien eeuwen lang niet heeft kunnen ontlopen.
Hoek vindt zijn oriëntatiepunt in de hoop voor Israël, zoals die in de reformatorische traditie is verwoord 'door Schotse en Nederlandse oude schrijvers, door puriteinen en mannen van de Nadere Reformatie, alsook ten tijde van het negentiende-eeuwse Réveil door Bilderdijk, Capadose en vooral Da Costa'. Daar sluit ik mij van harte bij aan. Dat geldt ook voor de evaluerende 'positiebepaling' van ds. M. van Campen aan het eind van de bundel, die hij afsluit met de conclusie dat God voor Israël nog iets goeds in petto heeft, waarvan de manifestatie zelfs de gebroken schepping zal doen opademen. De bijdrage van Van Campen is herkenbaar voor allen die met hem in het Bezinnings Comité Israël de doordenking ter hand namen.
Jeruzalem
Een apart hoofdstuk is gewijd aan Jeruzalem: stad tussen volk en land. Daarin geeft prof.dr. G.C. den Hertog enkele ethische overwegingen bij de Handreiking na ruim dertig jaar, waarbij hij de kwestie van het land betrekt. Hij plaatst de 'sacramentele benadering' van S. Gerssen ten aanzien van het land tegenover de wat hij noemt optimistische visie van de jaren zestig, ook bij Berkhof. Ethisch gezien wil hij 'nuchter' inzetten bij de 'natuurlijke' relatie van een volk en een land. Zo benadert hij 'in alle nuchterheid' de relatie tussen Israël en het land. Op grond van Efeze 6:2-3, waarin het gaat om een (het vijfde) gebod met een belofte ('opdat het u welga en dat gij lang leeft op aarde') en tegen de achtergrond van Efeze 2:11-22, ziet hij geen enkele reden de oudtestamentische landbelofte voor Israël als afgedaan te beschouwen. Maar de landbelofte is van een andere orde dan andere beloften aan Israël. Die is niet onvoorwaardelijk: 'het wonen van het land is ervan afhankelijk of Israël recht en gerechtigheid liefheeft'. Maar het gebod met een belofte geldt ook niet-Joden, c.q. de Palestijnen in het land dat nu Israël heet.
Wat hier echter (voor mij) zwaar weegt is, dat de landbelofte aan Abraham in Genesis 17:8 van het predicaat 'eeuwig' wordt voorzien. Geldt dat zo ook ergens voor niet-Joden?' Israël is het enige land ter wereld,' zei S. Gerssen 'dat zijn land heeft gekregen op de wijze van een belofte.'
Gaat het voor Palestijnen dan niet om een ander recht?
Den Hertog sluit zijn bijdrage af met de opmerking dat zijn benadering een pragmatische lijkt. Dat lees ik zo uit zijn fundamentele bijdrage niet af. Als het echter om 'voortgaaande bezinning' gaat, ligt in zijn bijdrage een aanzet, die wel om verdere doordenking vraagt.
Hulde
Ten slotte: Hulde aan het Centrum voor Israëlstudies, dat met deze publicatie de fakkel brandende houdt. Hier wordt de onopgeefbare verbondenheid van de kerk met Israël echt (op)nieuw ingevuld.
N.a.v.: drs. M. van Campen en dr. G.C. den Hertog (red.):
Israël, volk, land en staat.
Uitgave Boekencentrum, Zoetermeer 247 pag., € 16.90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's