Boekbespreking
Andrew Fuller:
Aller aanneming waardig.
Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen, 284 blz., € 19,90
Onder de titel Aller aanneming waardig verscheen onlangs een vertaling (door drs. P.L. Rouwendal) van een in Nederland vrijwel onbekend gebleven boek van de Engelse baptistenpredikant Andrew Fuller (1754-1815): The Gospel Worthy of All Acceptation.
Hoewel de Nederlandse titel een foute vertaling is van de tekst 1 Tim. 1:15 ('aller aanneming', dus volkomen aannemelijk, full acceptance, in plaats van 'aller aanneming', dus voor allen), bevat deze intussen wel een program. Het gaat hier namelijk om de vraag of onbekeerden mogen en moeten worden opgeroepen tot het geloof in Jezus Christus. Een zaak die door het z.g. hyper-calvinisme wordt ontkend, maar door Fuller krachtig wordt bevestigd. Om die reden werd Fuller door een hyper-calvinist als de Strict Baptist John Warburton (bekend van zijn Weldadigheden van een Verbondsgod) gebrandmerkt als een vijand van Gods volk, terwijl Fuller juist een geestverwant was van gezegende predikers als Jonathan Edwards en Stephen Charnock. Ook nu nog spreken de Strict Baptists consequent over de 'dwalingen' van Fuller (zie bv. de biografie van J.R. Broome uit 1996 over Warburton).
Om het probleem zuiver te stellen, laat Fuller in zijn inleiding in een aantal punten zien dat het meningsverschil niet gaat over de leer der verkiezing en de vrije genade of de vraag of onbekeerden wel in staat zijn het evangelie te omhelzen, maar hierover dat God het hart, het hele hart en niets dan het hart van de zondaar opeist.
Als calvinistisch baptist schermt Fuller met de zojuist genoemde punten zich duidelijk af tegen de z.g. General Baptists (algemene baptisten), die in de 18e eeuw een algemene verzoeningsleer aanhingen en besmet waren met arminiaanse dwalingen. De Particular Baptists (particuliere baptisten) daarentegen geloofden in de particuliere verzoening. Maar het ontbreken van een systematisch-theologische doordenking van de verhouding tussen de verschillende leerstukken bracht sommigen van deze laatsten op grond van de leer van de eeuwige predestinatie tot de ontkenning van de algemene eis tot bekering en geloof. Dit laatste werd beschouwd als arminiaans. Op welke grond kan men immers verworpenen oproepen tot geloof in het evangelie?
Inderdaad is er het gevaar dat men uit reactie tegen dit hyper-calvinisme terechtkomt bij het arminianisme, dat het geloof legt in het menselijke vermogen. Dat was bij Fuller echter duidelijk niet het geval. Hij bleef een overtuigd calvinist. Zijn afscheid van het hyper-calvinisme deed hem niet doorslaan naar de leer van Arminius. Hij identificeerde zijn standpunt met dat van de Dordtse Synode. Fuller ontkent nadrukkelijk dat het evangelie bestaat in iets dat aansluit bij onze genegenheden. Nee, wedergeboorte is nodig. Maar waarom dan toch zo'n nadruk op de algemene eis en oproep tot geloof, als hijzelf erkent dat wedergeboorte, dus een ingrijpende hartvernieuwende godsdaad vooraf nodig is om te kunnen geloven? Hij heeft hiermee twee doelen voor ogen: allereerst de ongelovigen schuldig te stellen vanwege hun ongeloof; vervolgens dat de oproep tot geloof door Gods Heilige Geest geheiligd kan worden en zo de daad van het geloof wordt opgewekt.
Intussen verzet Fuller zich ook tegen de aanhangers van de z.g. Marrow-theologie (naar het bekende boek van B. Fisher, Het merg van het Evangelie), dat aangehangen werd door bekende Schotse theologen als Thomas Boston, de Erskines e.a. Hierbij gaat het om de vraag of het geloof betrekking heeft op een algemene onvoorwaardelijke schenking van de genade van Christus die door het geloof moet worden toegeëigend (volgens de Marrow-theologie) of op een algemene nodiging (Fuller). Mag Christus mij in de prediking zonder meer voorgesteld worden als mijn Zaligmaker? Of gaat het om de vrije nodiging tot het heil? Met andere woorden: is het Evangelie een schenking die ik alleen nog moet aannemen in het geloof? Of is het een loutere nodiging die omhelsd moet worden?
Welnu, in een drietal uitvoerige hoofdstukken gaat Fuller in op deze niet onbelangrijke vragen, waarna hij in een vierde hoofdstuk tot een aantal conclusies komt. De voornaamste is wel deze, dat onbekeerde zondaren bevolen, aangespoord en genodigd worden om in Chistus te geloven ter zaligheid. Dit is dan ook de allereerste plicht van de predikers. Wanneer men alleen maar de praktijk der godzaligheid benadrukt zonder voorafgaande aansporing en oproep van de onbekeerden tot bekering en geloof, zal de prediking vruchteloos zijn. Dan verzandt de prediking in een loutere beschrijving van het geestelijke leven van Gods volk, zonder boodschap (hooguit een wens) voor de onbekeerden, zoals men dat inderdaad bij het hyper-calvinisme aantreft.
Op een bewogen wijze gaat Fuller in dit boek in op deze wezenlijke zaken. Naar mijn gevoelen echter op een zodanig omvangrijke en subtiele wijze dat het de eenvoudige lezer wel eens kan gaan duizelen. Op die manier is het geen stichtelijk leesvoer meer voor eenvoudigen. De achterflap stelt daarentegen kort maar krachtig: Fuller acht het onbijbels de oproep tot onbekeerden om te geloven uit de prediking weg te laten.
Voor theologen is het dan ook een belangrijk boek ter bezinning, omdat het kwesties raakt die ook vandaag nog in het brandpunt van de belangstelling staan. Overigens voel ik mij persoonlijk meer thuis bij Marrow-theologen als Boston e.a. dan bij deze baptist.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's