De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

'Zijn er nog Careys en Taylors onder ons?' kopte een artikel van Marjan Busstra (Kaapstad) in Opbouw (Ned. Geref. Kerken). Over pioniers van de zending:

• Wat zou er door zijn hoofd gegaan zijn toen hij de kust van India langzaam maar zeker dichterbij zag komen? In 1793 stapte een arme, jonge Engelse dominee, parttime onderwijzer en schoenmaker aan boord van een schip om op weg te gaan naar het onbekende India. In Calcutta werkte William Carey jarenlang aan het vertalen en drukken van delen van de Bijbel in verschillende Aziatische talen en startte bovendien een christelijke school. Financiële problemen, natuurgeweld, ziekte in familie en kritiek uit Engeland weerhielden hem er niet van zijn missie voort te zetten. Dit alles onder het motto 'expect great things from God; attempt great things for God' (verwacht grote dingen van God; onderneem grote dingen voor God).
Een jaar eerder, in 1792, publiceerde Carey een pamflet. Hierin bond hij de strijd aan met de heersende opinie in de toenmalige kerk dat de Grote Opdracht zoals gegeven door Jezus Christus, niet langer voor christenen gold. De apostelen en anderen hadden er hard aan getrokken, om het evangelie te verkondigen en discipelen van alle volkeren te maken, en het was genoeg zo. Bovendien 'eigen land eerst' want er was genoeg te doen onder ongelovige landgenoten. Als God de heidenen wilde bereiken zou Hij zeker andere wegen weten te vinden om hen met het evangelie te bereiden ...

• William Carey wordt gezien als de 'vader van de protestantse zending.' Wat zou hij zeggen als hij de protestantse kerk vandaag bezig zou kunnen zien? Wat zou hem opvallen? De statistieken zouden hem vertellen dat er anno 2004 nog zo'n 10.000 bevolkingsgroepen zijn waar geen christelijk getuigenis is. Kortom dat er nog zo'n twee miljard mensen zijn die nog nooit van Jezus en over God gehoord hebben. Navraag zou hem leren dat drie van de vier protestantse zendelingen in gebieden werken waar het christendom al wijd verspreid is en we zouden eerlijk moeten toegeven dat slechts 2,4 procent van alle buitenlandse zendingswerkers werkt in gebieden waar mensen nog niet met het evangelie bereikt zijn.'

• Carey maakte korte metten met de argumenten van de christenen uit zijn tijd. Hij onderkende zeer zeker de geestelijke nood onder zijn landgenoten en benadrukte dat het zien ervan ons zou moeten aansporen om hen in aanraking met God te brengen.
'Maar', zo zegt hij, 'dat betekent niet dat dit alle pogingen om het evangelie in andere werelddelen te brengen, moet overstijgen. Onze landgenoten hebben de genademiddelen en als ze willen kunnen ze Gods woord horen. Ze hebben de middelen om de waarheid te weten en er zijn trouwe voorgangers in bijna alle delen van ons land. (...) Het is echter een heel ander verhaal voor hen die geen Bijbel hebben, geen geschreven taal, geen voorgangers en geen goede overheid - niets van al die voordelen die wij wel hebben.'

• Een land- en in zekere zin tijdgenoot van William Carey - was Hudson Taylor. Hij startte zendingswerk in China en deelde Careys weerzin tegen de passieve introverte houding van de kerk in zijn tijd. Hij beschrijft zelf hoe hij op een zondag een kerk uitliep, 'niet in staat om te zien hoe een gemeente van duizend of meer leden zich verheugt in haar eigen veiligheid terwijl miljoenen lijden door gebrek aan kennis.'

Zomaar een seculier bericht, geknipt uit Trouw, over een 17e-eeuws tafereel:

Het Edams Museum, opgericht in 1895 en daarmee een van Noord-Hollands oudste musea, is gevestigd in twee panden aan het Damplein: het oude raadhuis en een voormalig koopmanshuis uit ca. 1540.
Het woonhuis verkeert met de keuken en de in de opkamer getimmerde bedsteden nog grotendeels in een 17e-eeuwse staat, compleet met oud meubilair, wandtegels en gebruiksvoorwerpen. Heel bijzonder aan dit huis is de 'drijvende' kelder, die los van het huis geconstrueerd is en bij hoge grondwaterstand als een boot kan drijven. Volgens de legende had de voormalige kapitein die het huis liet bouwen, gekozen voor een drijvende kelder om zijn heimwee naar zee te compenseren. Een geloofwaardiger verklaring is dat de kelder een creatieve remedie was tegen de sterk wisselende grondwaterstand in het gebied, De drijvende kelder is voor het publiek een sensatie, maar dat is Trijntje Kever niet minder. In het oude raadhuis hangt een afbeelding van deze 'Grote Meid', die op haar zeventiende jaar 2.60 meter lang geweest moet zijn. Ze hangt daar naast twee andere rariteiten: de 'Dikke Man'Jan Claes Clees, een herbergier die schoon aan de haak ruim 450 pond woog, en burge- en weesmeester Pieter Dirckz die een baard van 2.50 meter droeg. Vraag niet hoe Edam aan dit soort vreemde types komt: Men is in het Zuiderzee-stadje wat groots met hun reuzen.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's