Uitzien naar Gods toekomst
HOUD ONS GEMOED VOOR U BEREID! [2]
Vorige week hebben we stilgestaan bij het feit dat de dag des Heeren steeds dichterbij komt. Allerlei signalen wijzen erop dat het niet lang duurt of de Zaligmaker keert terug. Wij horen Zijn voetstappen naderen. Wanneer het goed is, zien wij met spanning naar de Koning en Zijn rijk uit. Wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid wonen zal.
Let wel: Wij verwachten. Dat is iets anders dan afwachten. Wanneer wij iets afwachten, kan dit passief (lijdelijk) zijn. Bovendien kan het bij afwachten zo zijn dat het zowel positief als negatief kan uitvallen. Wij wachten maar af. Bij verwachten ligt het anders. In de Bijbel betekent 'verwachten': gespannen de hand leggen op Gods Woord. Het is een uitzien naar het moment dat God Zijn belofte vervult.
Men is bij dit 'verwachten' niet passief, doch actief. Er wordt een biddend pleiten op Gods beloften gevonden. Het is zoals in Psalm 130:5 staat geschreven: 'Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn Woord.' In dit geval kan men ook denken aan de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In artikel 37 hoor ik Guido de Brès zeggen: 'Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods in Jezus Christus, onze Heere.'
In dit tweede artikel wil ik nagaan, hoe die verwachting van het Koninkrijk Gods in het verleden geweest is en hoe zij in het heden behoort te zijn. Wat dit laatste betreft zal vooral Calvijn een leidsman zijn.
De Schrift
Ik haal twee brieven uit het Nieuwe Testament naar voren. Allereerst denk ik aan de brief van Paulus aan de Thessalonicenzen. Wat een verwachting was er bij de gelovigen in Thessalonica. Zij verwachtten de Heere Jezus - om zo te zeggen - iedere dag. Misschien moeten ik zeggen dat hun toekomstverwachting enigszins overspannen was. Want zij deden iets wat de apostel ze zeer kwalijk nam. Omdat zij dachten dat de Heere Jezus morgen zou terugkeren, deden zij maar niets meer. Zij waren opgehouden met werken. Want als Heere kwam, waarom zou je dan nog werken? Dat had toch geen zin meer. Paulus neemt dit de gemeente van Thessalonica zeer kwalijk. Hij zegt tot haar: 'Wie niet werkt, zal niet eten.' Terecht keurt de apostel deze houding van de gelovigen af. Zij moeten werken, zolang de toekomst des Heeren nog niet gerealiseerd is. Wel stel ik dat de Thessalonicenzen verwachting hadden dat de Heere zou komen. Zij zagen ook, al was het dan enigszins overspannen, uit naar de dag van Jezus Christus.
Nieuwe hemel en aarde
Een tweede brief waar meer dan eens over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (het Koninkrijk Gods) gesproken wordt, is die van Petrus. Er waren er in zijn dagen die niet geloofden aan de terugkeer van de Heiland. Zij spotten zelfs met die dag. Het zou naar hun mening nooit of nergens gebeuren dat Jezus zou terugkeren. Er was immers nog nooit iemand teruggekeerd. Jezus dus ook niet!
Anderen wilden in de gemeente niet zover gaan. Zij wilden zeker niet spotten met de komende dag des Heeren. Maar wel zat het ze dwars dat de Heere - zoals zij meenden - Zijn belofte om terug te keren vertraagde. Hierop antwoordde Petrus dat de Heere Zijn belofte niet vertraagde, maar dat Hij naar Zijn belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal brengen waarop gerechtigheid wonen zal. En op de vraag, waarom Hij dan nog niet gekomen is, zegt de apostel dat de Heere niet wil dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. De Heere houdt Zijn belofte. Het Koninkrijk dat gekomen is, zal komen! Dat het ook in het heden nog niet gekomen is, houdt verband met Gods lankmoedigheid. Hij wil dat er nog zullen toegevoegd worden aan Zijn Koninkrijk.
In de prediking mag dit allen worden voorgehouden. Onvoorwaardelijk mag van Godswege de nodiging uitgaan. In navolging van de Zaligmaker die - let wel - geen enkele voorwaarde stelde, mag verkondigd worden dat Hij alles wil geven wat ons ontbreekt, zelfs mild en overvloedig.
Werk
Wie met God verzoend is door het lijden en sterven van Zijn Zoon, behoort van dag tot dag trouw zijn werk te doen. Wel stel ik dat wij in tegenstelling tot de Thessalonicensen niet in een ander uiterste moeten vervallen. Werken is een belangrijke zaak. Dat weet een ieder die geen werk heeft. Werken is zoals in de zegen van Jakob aan Jozef staat geschreven, een sieraad.
Echter ... het komt onder ons wel voor dat men werkt, werkt en nog eens werkt. Men weet van geen ophouden. Ja, men gaat zo op in het werk dat men voor andere dingen geen tijd meer heeft. Met name geen tijd meer heeft om te overdenken of men deel heeft aan het eeuwige leven en wat dit inhoudt. Let wel: het werk kan ons zo in z'n greep hebben dat wij nergens meer tijd voor hebben. Wanneer dit het geval is, is het niet verkeerd om ter harte te nemen wat de Zaligmaker zegt: 'Wat baat het een mens, ook al gewint hij de gehele wereld, maar hij lijdt schade aan zijn ziel.' Ziel verloren houdt in: alles verloren!
Vroege kerk
Onder de Vroege kerk moeten wij verstaan de kerk uit de eerste eeuwen van onze jaartelling. Van deze kerk kan gezegd worden dat zij matig en sober leefde. Dat kon vaak niet anders, omdat zij in benarde omstandigheden verkeerde. Pas in de vierde eeuw werd het voor de christenen iets gunstiger. Met name Constantijn de Grote heeft hiervoor zorg gedragen.
Hoe het ook zij: jongeren en ouderen zagen uit naar het komende rijk. Dat bleek zelfs in de manier waarop men met elkaar omging. Wanneer wij elkaar op straat tegenkomen, zeggen wij: 'dag' of 'goedendag' of zelfs ook wel 'doei'. In de Vroege kerk groette men elkaar anders. Men groette elkaar met: Maranatha, dat is Jezus komt. Er leefde bij hen geen overspannen toekomstverwachting zoals bij de Thessalonicensen, maar zij zagen op een bijbelse wijze uit naar de dag van de toekomst des Heeren. Hun gehele leven was erop ingericht. Met andere woorden: zij hielden rekening met de komst van de Zaligmaker. Trouw deden zij hun werk en in hun hart leefde: 'Houd ons gemoed voor U bereid. Opdat het blij Uw komst verbeid.' Ik denk dat wij van de Vroege kerk het een en ander kunnen leren. Ik geef direct toe als iemand zegt dat onze context een andere is dan die van de christenen toen. 't Moet gezegd worden dat wij zelfs in betere omstandigheden leven dan zij deden. Zowel kerkelijk als burgerlijk. Maar dat stille leven en dat stil uitzien naar Jezus' komst mag door ons wel nagevolgd worden.
Gedachten over het Koninkrijk Gods
Het zal bekend zijn dat de discipelen aanvankelijk zeer aards gedacht hebben over het Koninkrijk Gods. Zelfs kort voor de Hemelvaart is dit nog het geval. De kerkvaders van de Vroege kerk hebben op een enkele uitzondering na eigenlijk ook zo gedacht. Sommigen hadden een voorstelling van een soort luilekkerland. Het zou niet veel anders zijn dan op de aarde, maar dan volmaakt. Opvallend dat ook de islam zo'n voorstelling heeft van het Godsrijk. Wel moet opgemerkt worden dat de kerkvaders in die tijd niet zover zijn gegaan dat in het Koninkrijk Gods allerlei zinnelusten bevredigd zouden worden. Persoonlijk denk ik dat wij het maar moeten laten rusten hoe het er allemaal uit zal zien. Laten wij ons maar houden aan de Schrift, als wij daarin lezen: 'Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgeklommen, maar wat God bereid heeft voor allen die hem liefhebben.' Het zal de stoutste verwachtingen overtreffen.
Door Augustinus wordt het Koninkrijk Gods op een meer bijbelse wijze beschreven. Bij hem heeft vooral Calvijn zich aangesloten. Ik voeg hier nog aan toe dat Luther soms zeer aards over het Koninkrijk Gods gedacht heeft. Allerlei menselijke functies - zo lezen wij - zullen tot het verleden behoren, omdat zij anders schadelijk zouden zijn voor de naaste.
Veel meer dan Calvijn heeft Luther gespeculeerd over hoe het leven na dit leven zal zijn. Tot in details is hij daarop soms ingegaan. Ook wel dat ik dacht: 'Luther, waar ben je mee bezig geweest?' Wij hebben aan hem veel te danken en hij is een kind van God, maar soms heeft hij dingen waarbij wij ons afvragen: Heb je niet meer je fantasie laten spreken dan het Woord Gods?
Calvijn
Wie Calvijn niet kent, vindt hem een saaie en sombere man. Zo wordt hij meestentijds ook voorgesteld. Hij zou iemand geweest zijn die alleen maar leefde voor zijn werk. Hij zou het niet zo gehad hebben op dingen die het leven aangenaam maken. Maar wie zo denkt en Calvijn zich zo voorstelt, kent hem niet. Hij is volstrekt geen somber mens, ook al is hij niet zo uitbundig als Luther.
Men heeft een verkeerde voorstelling van hem als men denkt dat men van hem niets mocht, behalve met een boekje in een hoekje zitten. Hij is in woord en in geschrift altijd voor de eer van God opgekomen. Dat is zijn grootste vermaak. En als het om genieten gaat, dan maakt hij daartegen geen bezwaar als dit maar niet ten koste gaat van de eer van God.
In het derde en laatste artikel wil ik nog ingaan op wat Calvijn over de overdenking van het eeuwige leven zegt, maar ook wat dat voor ons vandaag inhoudt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's