De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) bracht in een lijvig boekwerk, onder de titel Rechtvaardigen onder de Volkeren, alle namen bijeen van 'Nederlanders met een Yad Vashem-onderscheiding voor hulp aan Joden' in de Tweede Wereldoorlog. Over prof.dr. Gesina Hermina Johanna van der Molen:

Als een van de eerste redacteurs van het illegale blad Vrij Nederland werd Gesina met een vriendin gearresteerd op 28 juni 1942 in hun zomerhuisje in Noordwijk. De politie bleek slecht op de hoogte van de mate waarin zij bij het verzet waren betrokken en liet hen weer vrij op 25 juli. In 1943 ging Gesina bij de krant weg en startte de christelijke verzetspublicatie Trouw.
Als lid van de examencommissie van kweekscholen nam Gesina eindexamens af in de protestantse kweekschool naast de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg. Toen de directeur van de school, Johan W. ten Hulst, haar vertelde hoe er kinderen uit de crèche gesmokkeld, konden worden, zei Gesina: 'Nu begrijp ik waarom God me hierheen heeft gestuurd'" Tijdens de examenperiode bracht Gesina twaalf kinderen in veiligheid, met behulp van haar contacten bij de krant en een collega, Hester  van Lennep. Zij en haar vriendin hebben ook kinderen die een tijdelijk onderdak nodig hadden, onder hun hoede genomen in hun zomerhuis in Vlodrop (Limburg).
In de zomer van 1944 kwamen vertegenwoordigers van vijf verzetsgroepen bijeen om te bespreken wat er na de oorlog met de Joodse kinderen moest gebeuren. De meningen waren verdeeld, maar in september 1944 werd Gesina's idee overgebracht naar de regering in ballingschap in Londen. Zij was van mening dat de kinderen Nederlanders waren en niet bij hun pleegouders weggehaald moesten worden.
Ze was tegen het zionisme, en ze werd na de oorlog voorzitter van het Comité voor Joodse pleegkinderen (OPK). In die hoedanigheid kwam ze in contact met Joodse organisaties die erop gericht waren de vluchtelingen terug te laten keren tot hun Joodse wortels.

Op 29 oktober 1998 werd Gesina Hermina Johanna van der Molen door Yad Vashem erkend als 'Rechtvaardige onder de Volkeren.'

In IDEA (Evangelische Alliantie) schreef drs. P. van Kampen over 'Augustinus en het gebed van zijn moeder':

Overtuigd en toegewijd
'Moeder Monnica was overtuigd christin, maar wel getrouwd met een heiden, Patricius. Patricius wordt door zijn zoon Augustinus zeer goedhartig, maar ook 'opvliegend van aard' genoemd. Monnica wist echter de opvliegendheid te kalmeren: 'Zij verstond de kunst om haar man in zijn woede niet te weerstaan, met geen daad en zelfs met geen woord. Zag ze echter dat hij was uitgeraasd en weer tot rust gekomen, zodat er met hem te praten viel, dan gaf zij een verklaring van haargedrag, wanneer hij zich daarover al te onredelijk had opgewonden' (Confessiones Boek 9, IX.19) Ze was een edel mens levend in een intens patriarchale samenleving.'

Monnica over haar begraafplaats
Na amper vijf dagen - veel langer was het niet - ging zij met koorts te bed. En terwijl zij ziek lag, verloor ze op een dag het bewustzijn en lag gedurende korte tijd buiten kennis. Wij snelden toe, maar zij kwam spoedig weer bij, en toen ze mij en mijn broer aan haar bed zag staan, zei ze tegen ons op de toon van iemand die een vraag stelt: 'Waar was ik?'  Vervolgens keek ze ons aan, met ogen die verbijsterd stonden van droefheid, en ze zei: 'jullie moeten hier je moeder begraven.' Ik bleef zwijgen en trachtte mijn tranen te weerhouden. Mijn broer daarentegen zei iets waarbij hij de wens uitsprak dat ze niet in den vreemde, maar in haar eigen vaderland zou sterven, alsof dat gelukkiger zou zijn. Toen ze dat hoorde, kreeg haar gezicht een verontruste uitdrukking en keek zij hem afkeurend aan, omdat hij zoiets dacht. Vervolgens wendde ze haar blik naar mij en zei: Hoor eens wat hij zegt.' En kort daarna zei ze tot ons beiden: "Begraven jullie dit lichaam maar waar het uitkomt; laat de zorg daarover jullie niet hinderen; één ding vraag ik slechts: dat jullie aan het altaar van de Heer mij gedachtig zijn, waar jullie ook zullen zijn'. En nadat ze deze gedachte met de woorden die ze ter beschikking had tot uiting had gebracht, zweeg ze en onderging ze de kwelling van haar verergerende ziekte. Later bleek ze net voor haar ziekte met wat van zijn vrienden te hebben zitten praten 'over de geringschatting voor dit leven en de weldaad van de dood.' De vrienden, verbaasd over zoveel mannelijke kracht in een vrouw - een kracht die haar door U gegeven was - hadden haar toen gevraagd of ze er niet tegen opzag haar lichaam op een plaats achter te laten die zo ver van haar eigen stad verwijderd was. 'Voor God,' antwoordde ze, 'is niets ver weg, en ik hoef niet bang te zijn dat Hij op het einde van de wereld de plek niet vindt, waar Hij mij ten leven moet opwekken.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 2005

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 2005

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's