Boekbespreking
Marijn de Kroon: Wij geloven in God en in Christus. Niet in de kerk. Uitg. Kok, Kampen; 174 blz.; € 19,90. G.D.I. Dingemans & P.J. Smelik: Deze wereld en God. Modern wereldbeeld en christelijk geloof. Uitg. Kok, Kampen; 250 blz.; € 18,50.
Marijn de Kroon:
Wij geloven in God en in Christus. Niet in de kerk.
Uitg. Kok, Kampen; 174 blz.; € 19,90.
De titel van dit boek, verschenen in de serie Theologie en Geschiedenis onder redactie van dr. H.J. Selderhuis, verwijst naar een uitspraak van de Groninger theoloog Wessel Gansfort, die leefde van 1419 tot 1489. Hij wordt gezien als een van de eerste vertegenwoordigers in de Nederlanden van 'een mystiek-religieus verdiept humanisme, waarbij men wetenschappelijke vorming van de geest en ware vroomheid des harten zocht te verbinden' (J.Reitsma). Wessel Gansfort heeft scherpe kritiek op de manier, waarop de kerkelijke gezagsdragers van zijn dagen met kerkelijk gezag omgaan. Vooral het pausschap moet het ontgelden. Gezag komt van Christus. Aan Zijn evangelie zijn allen in de kerk onderworpen. Dat brengt hem tot de volgende uitspraak: 'Wij geloven het Evangelie vanwege God, vanwege het Evangelie geloven wij kerk en paus. Wij geloven het Evangelie niet vanwege de kerk' (blz. 156). Deze uitspraak van Wessel Gansfort is volgens dr. De Kroon een eigen interpretatie van de befaamde uitspraak van Augustinus: 'Ik zou het Evangelie niet geloven, als mij het gezag van de katholieke kerk niet daartoe zou bewegen.' Deze uitspraak van Augustinus (in zijn kritiek op Mani's Epistula fundamenti) heeft in de Late Middeleeuwen een belangrijke rol gespeeld om het gezag van de RK-Kerk te legitimeren.
Aan de hand van interpretaties die bekende theologen zoals Willem van Ockham, Gabriel Biel en Gregorius van Rimini van Augustinus' uitspraak geven, laat dr. De Kroon zien dat de uitleg van Wessel Gansfort van het gangbare patroon afwijkt. Zien velen van zijn tijdgenoten de bewuste uitspraak van Augustinus als een krachtige ondersteuning van het bestaande kerkelijk gezag, Wessel Gansfort legt dit woord zo uit dat het Augustinus helemaal niet gaat om versteviging van het kerkelijk gezag, maar om de oorsprong van het geloof. Het geloof is van de Heilige Geest, Die door de profeten en apostelen spreekt. Dat is het kerkelijk gezag, dat mensen tot geloof beweegt. Tegen die achtergrond schrijft Wessel Gansfort: 'Met de kerk geloof ik, in overeenstemming met de heilige kerk geloof ik. Ik geloof niet in de kerk'.
Hoe Wessel Gansfort in het algemeen tegen het kerkelijk gezag aankijkt, wordt duidelijk uit een traktaat van zijn hand De dignitate et potestate ecclesiastica, dat door dr. De Kroon voor het eerst in het Nederlands is vertaald. Dit traktaat, getiteld Over het aanzien en gezag in de kerk beslaat het grootste gedeelte van het boek. Aan het einde van zijn boek gaat de schrijver in op de verwantschap tussen Wessel Gansfort en Martin Bucer, de reformator uit Straatsburg. Slechts eenmaal wordt Wessel door Martin Bucer geciteerd (in een commentaar op Rom.8:18). De invloed van Wessel Gansfort op Martin Bucer is evenwel groter geweest dan dit ene citaat doet vermoeden. Het gaat bij beide theologen om trefwoorden als 'vroomheid' en 'opbouw' die bepalend zijn voor pastoraat en gemeente-opbouw. Kerkelijk gezag staat in dienst van de opbouw en de vroomheid (pietas) van de plaatselijke gemeente.
Wie het boek ter hand neemt, krijgt aanvankelijk het gevoel dat hij al puzzelend zijn weg moet gaan. De stukjes van de puzzel vallen pas tegen het eind op hun plek. Dat is waarschijnlijk ook de opzet van de schrijver. Wij gaan al zoekend en zigzaggend met hem op pad. Daarbij steekt dr. De Kroon zijn Entdeckungsfreude niet onder stoelen of banken. Soms blijft het echter te veel een zoekplaatje. Al richt dit boek zich volgens de omslag op een brede markt, in de praktijk zal het waarschijnlijk alleen door de studiosi ter hand genomen worden (het vele Latijn zal niet-studiosi afschrikken). Wie echter van enige speurzin houdt en zich aangestoken weet door de Entdeckungsfreude van de schrijver, die heeft bij aanschaf een boeiende studie in handen gekregen. Aan actualiteit hebben de stemmen uit Groningen en Straatsburg in ieder geval niet ingeboet. 'Opbouwen in pietas', dat moet het echte geestelijke gezag doen. Dit is de grondslag van 'macht'. Dit is ook de enige 'macht' in Christus' kerk en het is de enige 'macht', die in de kerk bestaansrecht heeft.' Dat is een zuiver reformatorisch geluid. Niemand schame zich ervoor om hetzelfde geluid te laten klinken in een kerk als de onze, die zich protestants noemt. Gaat het anno 2005 niet om dezelfde dingen als we spreken over kerkelijk gezag: om de opbouw van de gemeente Gods in oprechte vroomheid?
M.A. KUYT, GENEMUIDEN
G.D.I. Dingemans & P.J. Smelik:
Deze wereld en God. Modern wereldbeeld en christelijk geloof.
Uitg. Kok, Kampen; 250 blz.; € 18,50.
De theoloog Dingemans en de bioloog Smelik ontmoetten elkaar enkele jaren geleden op een verjaardagsfeestje en raakten aan de praat over geloof en wetenschap. Er sloeg een vonk over, via e-mail ging het contact verder, en zo ontstond dit gezamenlijke boek. Het bestaat uit drie delen, waarvan het eerste geschreven is door Smelik, het tweede door Dingemans, terwijl het derde een afrondend gesprek tussen de beide emeritus-hoogleraren bevat. De auteurs gaan uit van het zogeheten 'dialoogmodel', waarin geprobeerd wordt de werelden van geloof en wetenschap serieus met elkaar in gesprek te brengen, met respect voor de eigen aard en taak van beide.
Opvallend in het helder geschreven stuk van Smelik is diens verregaande relativering van de evolutietheorie. Hij erkent 'het feit van evolutie' (46), maar meent op grond van maar liefst tien bezwaren (!) dat de evolutietheorie als algemeen geldige verklaringswijze van het leven op aarde toch wel 'uiterst aanvechtbaar' is (43). Daarmee gaat hij in zijn kritiek verder dan bijvoorbeeld minister Van der Hoeven, die na heftige reacties uit de Tweede Kamer haar eerdere bedenkingen weer grotendeels inslikte, en het scheppingsgeloof vooral nog iets van 'vroeger' noemde. Smelik kan op grond van de stand van zaken in de wetenschap 'tot geen andere conclusie komen dan dat deze werkelijkheid een schepping is, tot stand is gekomen door een allesomvattend masterplan, een ontwerp, een intelligent design dat in de loop der tijden gerealiseerd is (15). Deze conclusie, die trouwens door Dingemans overgenomen wordt (p.187), werd opgetekend voordat in ons land de commotie rondom ID losbarstte, en het zou dan ook interessant zijn eens te vernemen of de beide auteurs nog steeds aan hun bewoordingen vasthouden, of dat ze er, mogelijk kopschuw geworden door de vele kritiek, liever weer afstand van nemen. Dat laatste zou natuurlijk weinig consistent zijn; maar het moet anderzijds voor hen niet leuk zijn door de spraakmakende intelligentsia in ons land voor sektarisch gehouden te worden, zoals momenteel gebeurt met ieder die iets positiefs over ID zegt.
Zijn beide auteurs dan creationist? Verre van dat. Smelik noemt het creationisme wetenschappelijk onzinnig en religieus problematisch (want gebaseerd op een ondeugdelijke bijbeluitleg), en Dingemans denkt daar niet anders over. Beiden combineren dus het geloof in schepping en evolutie. Daarbij is Smelik, anders dan Dingemans, volgens eigen zeggen langs puur rationele weg tot het geloof in een Scheppergod gekomen. Dingemans beroept zich voor zijn geloof meer op de christelijke traditie, die echter wel sterk aangepast moet worden aan wat hij ziet als het hedendaagse wetenschappelijke wereldbeeld. Zelf gaat hij voor de verbinding tussen beide vooral te rade bij de zogeheten proces-filosofie van A. Whitehead.
In het afsluitende gesprek tussen beide auteurs wijst Dingemans terecht op iets wat je wel vaker ziet, namelijk dat de theoloog (Dingemans zelf dus) het meest geneigd is veel gezag toe te kennen aan de natuurwetenschappen, terwijl de natuurwetenschapper (Smelik) juist meer onbevangen te rade gaat bij de klassieke theologie. Inderdaad lijkt Smelik meer dan Dingemans vast te willen houden aan klassiek-christelijke noties als de blijvende soevereiniteit en leiding van God in de ontwikkeling van het universum. Dingemans is in dit opzicht terughoudender. Merkwaardig is dan weer dat juist Smelik uiteindelijk maar weinig verwachting van God lijkt te hebben als het over de uiteindelijke toekomst van de wereld gaat. Zijns inziens ligt de kern van het geloof in elk geval in de ethiek, en het aannemen van de levenshouding die Jezus ons voorhield - de rest is aangeslibd (247). Dat lijkt me te kort door de bocht. Want zou de God over wiens macht Smelik zich als wetenschapper zozeer verwondert, Zijn Koninkrijk ook niet Zelf aan kunnen laten breken? En is de Bijbel ook niet vooral een getuigenis van de daden die deze God reeds heeft verricht in de geschiedenis?
Maar misschien wreekt zich hier dat Smelik als niet-theoloog toch te weinig samenhang in zijn visie weet aan te brengen, of zich te zeer laat leiden door zijn afkeer van alles wat riekt naar dogmatiek. Ook bij Dingemans mag de Bijbel overigens mijns inziens veel te weinig voor zichzelf spreken, aangepast als deze moet worden aan hedendaagse denkkaders. De vraag in hoeverre de Bijbel deze kaders misschien juist wel doorbreekt en onder kritiek stelt, komt nauwelijks aan de orde. Daar ligt mijn grootste moeite met dit verder interessante en leerzame boek.
G. VAN DEN BRINK, WOERDEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's