Een boekje over bevinding
IS ONS GELOOF GEBASEERD OP WAT WE ERVAREN? [1]
Het boekje waarvoor we in een tweetal artikelen enige aandacht willen vragen, staat vol met psychologisch jargon, en dan nog wel van een filosofisch soort. De auteur strooit kwistig met vaktermen als perceptuele matrijzen, depasseringsproces, conceptualisering van religieuze ervaringskennis et cetera. Toch hoop ik dat u nu niet meteen stopt met lezen om verder te bladeren naar een volgende pagina van dit blad. Want wat de schrijver (emeritus hoogleraar psychologie aan de Vrije Universiteit) te berde brengt, is niet alleen belangwekkend maar raakt ook nadrukkelijk aan het streven van de Gereformeerde Bond. Bovendien weet prof. Sanders temidden van alle jargon zijn bedoelingen toch wel helder te maken. Vandaar dat ik wil proberen de strekking van zijn boekje zo duidelijk mogelijk in eigen woorden weer te geven, om het dan in tweede instantie zo eerlijk mogelijk te wegen.
Bevinding
Hoewel het woord er niet in voorkomt, gaat het hele boekje in feite over het grote belang van wat wij bevinding noemen. Daarmee bedoelen we de kennis van God zoals die opgedaan wordt in de innerlijke en innige ervaring die gelovigen opdoen in hun verborgen omgang met God. Om aan te geven wat hij bedoelt, verwijst prof. Sanders naar wat Calvijn (net als trouwens anderen vóór hem) noemde het 'schouwen van Gods aangezicht'. Het gaat dan om het besef dat je bij momenten om zo te zeggen direct contact hebt met de Heere God. Volgens Sanders is deze door en door persoonlijke ervaringskennis de enige kennis van God die er werkelijk toe doet. Natuurlijk is er ook kennis van God verwoord in de Bijbel en, op basis daarvan, in de kerkelijke leer. Daarover wil Sanders niet minnetjes doen. Maar deze meer verstandelijke vorm van kennis heeft zijns inziens toch alleen maar tot doel, om naar de bevindelijke kennis toe te leiden. De leer wil ons als het ware de ogen openen, zodat we gaan onderscheiden waar we op moeten letten Dat wil zeggen wanneer we God persoonlijk willen ontmoeten.
Sanders stelt nu echter vast dat de overgeleverde leer hier vandaag de dag hoe langer hoe minder in slaagt. Door de enorme invloed van allerlei wetenschappelijke kennis is in onze tijd een 'gesloten wereldbeeld' ontstaan, waarin nauwelijks meer plaats is voor datgene wat het zichtbare en tastbare te boven gaat. Zodoende hebben heel veel mensen het zicht verloren op elke vorm van kennis die niet meetbaar en berekenbaar is - en daarmee ook hun orgaan voor het bevindelijke kennen van God. Men heeft hiervoor eenvoudig geen antenne meer. Hier ligt misschien wel één van de diepste oorzaken van de hedendaagse kerkverlating.
Eigentijds godsbeeld
In elk geval is dit de achtergrond waartegen we Sanders' essay moeten plaatsen. Toen ik hem een eerste versie van deze bespreking had toegestuurd, liet hij me in een persoonlijke reactie weten dat hij zijn boekje in de eerste plaats heeft geschreven voor meer ontwikkelde mensen die vervreemd zijn van het evangelie of daarvan dreigen te vervreemden. Zulke mensen zijn er natuurlijk heel wat, zowel onder studenten die uit een kerkelijk milieu komen als onder ouderen. En ze zijn er, moeten we toevoegen, niet alleen in prof. Sanders' directe omgeving (Sanders is afkomstig uit de synodaal-gereformeerde kerken), maar evenzeer in andere kerkelijke kringen! Daarom is het leerzaam en belangrijk kennis te nemen van Sanders' reactie hierop. Juist omdat hij niet als theoloog maar als psycholoog schrijft, kon hij wel eens andere, misschien wel diepere tonen aanslaan dan de gebruikelijke. In feite is dit essay is een vervolg op een wat groter boek van Sanders uit 2001, dat als titel een vraag meekreeg die hem ooit voor de voeten geworpen werd: God? Waar heb je het over? Dit grotere boek kreeg echter heel weinig aandacht, doordat het niet bij een officiële uitgeverij verscheen. Daarom is het eens temeer een goede zaak dat dit essay, waarin enkele lijnen uit het eerdere boek nader uitgewerkt worden, wél de nodige aandacht krijgt.
Sanders is namelijk van mening dat we ons niet zomaar bij de tendens van voortgaande vervreemding van het evangelie onder christelijk grootgebrachte intellectuelen hoeven neer te leggen. Hij zoekt de remedie echter niet zoals heel vaak gebeurt in allerlei vormen van apologetiek (= verstandelijke verdediging van het geloof), maar juist in hernieuwde aandacht voor het persoonlijke, 'bevindelijke' karakter van het geloof. Nu vormt de traditionele kerkelijke leer dus volgens Sanders momenteel eerder een blokkade voor deze persoonlijke Godskennis dan dat ze die bevordert. Daarom moet die traditionele leer zijns inziens herzien worden.
De schrijver pleit in dit verband voor wat hij noemt een 'modern theïsme', waarin de grondbegrippen van de Bijbel (schuld, verzoening, opstanding etc.) weliswaar bepalend blijven, maar waarin deze gegroepeerd worden rondom een ander godsbeeld dan dat van de traditie.Wanneer Sanders dat nieuwe godsbeeld nader aan wil duiden, stamelt hij en zoekt hij naar woorden. Hij is zich er namelijk diep van bewust dat God ons denken ver te boven gaat. Duidelijk wordt echter dat we ons God volgens Sanders niet zozeer moeten voorstellen als een alwetende intelligentie boven en buiten ons, maar als de dragende grond onder ons bestaan en onder heel de werkelijkheid. Van deze God geldt: 'in Hem leven wij en bewegen ons en zijn wij' (Hand. 17:28). God staat dus niet los van onze aardse werkelijkheid, is er niet hoog boven verheven, maar er juist zeer nauw en innig mee verbonden.
Volkomen overgave
Wanneer mensen zich nu maar weten te ontworstelen aan een gesloten wereldbeeld waarin slechts plaats is voor het zichtbare en tastbare, en zich weer gaan verwonderen over de grote geheimen van het leven (waar komt alles toch vandaan, en waar gaan we naartoe?), dan zijn ze al een heel eind op weg naar echte Godservaring. En is er inderdaad niet een beweging gaande waarin mensen weer méér dan tot voor kort open willen staan voor 'het hogere', voor datgene wat het aardse overstijgt? Daarmee reiken zij in feite naar God. En wie weet kunnen zij zodoende, geholpen door het geschetste eigentijdse godsbeeld, God ook weer echt bevindelijk leren ervaren.
We blijven dan niet meer steken in ' puur verstandelijke kennis, maar komen tot een kennis waar we met hart en ziel en met heel ons gevoel bij betrokken zijn, 'kennis waar grote kunstenaars naar hebben uitgezien, waar mystici van hebben gesproken' (p. 108). Langs deze weg komt het volgens Sanders ook tot echt geloof, dat wil zeggen tot volkomen overgave aan God en de goddelijke werkelijkheid, een werkelijkheid die geen oog heeft gezien en in geen mensenhart is opgeklommen. De bijbelse berichten over de opstanding van Christus geven ons er al een indruk van hoe onvoorstelbaar die werkelijkheid zal zijn.
Nood van de ontkerkelijking
Sanders voert dus een pleidooi om God niet zozeer te zien als buiten en boven onze wereld staande, maar veel minder 'afstandelijk', namelijk als de dragende grond in en onder onze werkelijkheid. Dat pleidooi staat niet op zichzelf. Het is internationaal gezien onder hedendaagse theologen en andere denkers uit de christelijke traditie momenteel zelfs een duidelijke trend om God en wereld veel intiemer met elkaar verbonden te zien dan eeuwenlang gebruikelijk was. Een andere sterk psychologisch ingestelde auteur, Paul Tillich, is daar in de vorige eeuw al mee begonnen. En de aangehaalde tekst van Paulus uit Handelingen 17 dient daarbij wel vaker als argument om aan te tonen dat het ook echt niet onchristelijk is om God en wereld veelmeer inéén te denken, zodat God als het ware veel dichterbij is en gemakkelijker bereikbaar voor wie Hem zoekt.
Tot dusver hebben dit soort 'herzieningen' van de traditionele leer echter nog nooit tot een duidelijk waarneembare opwekking of nieuwe brede belangstelling voor het christelijk geloof geleid. Het is zelfs moeilijk te zeggen in hoeverre ze het proces van ontkerstening nu eigenlijk echt hebben tegengehouden. Maar voordat we Sanders' gedachten om die reden nu meteen afwijzen, verdient hij het om zorgvuldiger gehoord te worden. De nood van de ontkerkelijking is immers ook in onze kringen inmiddels wel zo hoog geworden dat we het ons niet langer kunnen veroorloven gemakzuchtig voorbij te gaan aan wat te berde gebracht wordt door mensen die daar al eerder hard tegenaan liepen, en vandaaruit diepgaand zijn gaan nadenken over de oorzaken ervan.
N.a.v. C. Sanders:
Reiken naar God. Over de mogelijkheid en onmogelijkheid van godskennis. Een wijsgerig-psychologische verhandeling.
Uitg. Kok, Kampen; 122 blz.; € 14,90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's