Uit de pers
Mentaliteit
De laatste jaren is er al veel gezegd en geschreven over een mentaliteitsverandering onder de Nederlandse bevolking. De moord op Pim Fortuyn zou de katalysator zijn geweest om al bestaande gevoelens van onvrede tot een uitbarsting te brengen. Daar is genoeg over gepubliceerd intussen, dat hoef ik hier allemaal niet te herhalen. Waar uit die verandering in mentaliteit zich in, behalve dan in het stemhokje? Is het een zoveelste herhaling van wat iedereen in zijn leven op een bepaalde leeftijd nogal eens moest horen: die jeugd van tegenwoordig? Of moeten we aan andere zaken denken?
Het zomernummer van het weekblad De Groene Amsterdammer had als thema De jeugd De toekomst. Daarin werd afgerekend met de stelling die ik al noemde: de jeugd van tegenwoordig. Wel werd in diverse interessante bijdragen ingegaan op de levensstijl van de huidige jonge generatie. Uiteraard vanuit de levensbeschouwing van genoemd weekblad, de modern-humanistische, maar daarom niet minder leesbaar en leerzaam.
Ditis een rauwe tijd staat er boven de bijdrage van Ruud de Wild, een van de meeste populaire radio-diskjockeys van Nederland. Als u een opgroeiende zoon of dochter in huis hebt, moet u maar eens vragen of ze zijn naam kennen. Dan zullen ze het u wel vertellen: Radio 538. Voor zijn ogen is Pim Fortuyn op het parkeerterrein van het Mediapark neergeschoten, direct nadat hij hem in zijn programma geïnterviewd had. Zelf is hij nauwelijks ontsnapt aan de kogel van Volkert van der G. Ruud de Wild is uiteraard niet negatief over de jeugd: ze zijn z'n belangrijkste doelgroep. Wel geeft hij een aantal typeringen van hen die ik hier doorgeef.
Hyperindividualistisch en mondig
Nog een: Jongeren sprokkelen hun eigen wereldje bijeen en ontmoeten elkaar in een groep individuen die elkaar verkozen heeft. Via internetsites bepalen ze naar welk feest ze gaan.
En nog maar een: Dit is een rauwe tijd. De muziek wordt ook rauwer. (...) Ik schrik weleens van het drugsgebruik. (...) Individualisme is prachtig, maar het gevaar is dat je te jong in aanraking kunt komen met dope.
Wie zich recent op weer een andere manier over de mentaliteitsverandering in onze samenleving heeft uitgelaten is de schrijver Thomas Rosenboom, bekend onder andere van zijn met de Libris-Literatuurprijs gelauwerde boeken Gewassen vlees (1995) en Publieke Werken (1999). Eerder dit jaar verzorgde hij de Kellendonklezing. Sinds 1993 wordt deze lezing elk jaar gehouden ter nagedachtenis aan de jong gestorven auteur Frans Kellendonk (1951- 990) en ingesteld door de gemeente Nijmegen en de Universiteit aldaar.
Rosenboom biedt in deze lezing een beeld van de huidige Nederlandse samenleving, dat bepaald niet vleiend is te noemen. Hij voert een pleidooi voor meer verlegenheid en bescheidenheid. Zijn uitgever heeft de lezing in druk laten verschijnen onder de titel Denkend aan Holland, met een knipoog naar de dichter Marsman. Om weer te geven wat hij ziet als mentaliteit onder de kinderen in ons land vertelt hij van een Grieks jongetje dat op een stoeltje voor op de (brom)fiets van zijn vader zit. Vader komt een bekende tegen en praat meer dan een half uur met hem.
Al die tijd zit dat jongetje stil en gedwee te wachten. Maar als Rosenboom terugkomt van vakantie uit Griekenland en zijn boodschappen doet in een supermarkt, ziet hij een moeder met haar kind in een winkelwagen, ze komt een bekende tegen, probeert een gesprek aan te gaan maar de kleine begint direct te sjorren aan haar moeder en moeder ziet zich genoodzaakt het gesprek af te breken want de kleine wil het en die maakt de dienst uit. Hem is de laatste jaren de centrale positie opgevallen van het Nederlandse kind in de wereld van de volwassenen.
'Maar hoe dan ook: de opvoeding. "Rustig." "Niet doen." "Laat die meneer er eens langs." "Als grote mensen praten houden kinderen hun mond." "Afblijven." "Niet schreeuwen." "Wat zeg je dan? " "Sta eens op voor die mevrouw." "Knoei niet zo." "Hou daar eens mee op."
Zo ging dat vroeger, opvoeden. Wie zulke aanwijzingen maar vaak genoeg hoorde begreep wel dat hij niet het middelpunt van het gezelschap was. Omdat er verder even weinig aandacht aan hem werd besteed als aan dat Griekse jongetje op die brommer, wist hij niet goed hoe hij zich moest gedragen om zijn aanwezigheid te rechtvaardigen: een grote onzekerheid, om niet te zeggen opgelatenheid maakte zich van hem meester, hij durfde volwassenen nauwelijks aan te kijken, ging al aan de kant als zij naar hem keken en was kortom verlegen, bij al die gelegenheden en op al die plaatsen die hij, het kind, zelf zeker niet zou hebben uitgekozen, maar waarheen hij nu eenmaal mee moest, op visitie bij opa en oma, op de zondagmiddagwandeling, in de winkel en in de kerk. Iets ouder, als jongere - ik heb het over een tijd waarin het woord jongere nog niet die dreigende klank had van tegenwoordig - had hij zich zo lang in zijn bescheiden rol geschikt dat hij er zelf bescheiden van was geworden, nog steeds kon hij blij zijn met een kleinigheidje, en het kwam domweg niet in hem op om volwassenen, leraren, bejaarden of politieagenten incluis, omver te lopen, te beledigen of te treiteren.
Maar nu hoeven kinderen niet meer naar de kerk - "Daar is voor een kind toch niks aan"; de zondagmiddagwandeling is vervangen door een bezoek aan een speciaal voor kinderen ingericht doemuseum, zwemparadijs of attractiepark. "Is toch veel leuker voor die kleintjes"; en als er bij de ingang van een grote winkel geen ballenbak staat is er wel een speelcrèche. Het verlegen kind is inmiddels verdwenen, ervoor in de plaats gekomen is het eisende kind, dat niet anders heeft meegemaakt dan aandacht, speciaal voor hem ingerichte hoeken en honken, en volwassenen die kennelijk geen ander doel en geen groter geluk kennen dan jou te amuseren en tevreden te houden, en dat in de hoogste graad: "Heb je het cadeautje al dat opa voor je heeft gekocht? Dan haalt opa toch iets anders ..." "Dat paarse Barbietasje, je had liever die roze gehad? Oma zal het wel even ruilen." Twintig jaar later krijgt zo iemand zijn eerste kerstpakket. Er zit iets in dat hij al heeft, hij loopt ermee naar de directeur, legt 't even uit, vraagt of die het voor hem kan ruilen.
Wat begint met je zin krijgen wordt vanzelf, allengs, krachtens gewoonte, je recht krijgen. Maar is dat eigenlijk wel zo fijn, je recht krijgen? (...)
Nee, daarbij vergeleken was ik als kind nog gelukkiger - maar ik moest dan ook mee naar de kerk.
Overigens, dat is inderdaad niets voor kinderen, was het ook niet voor mij. Maar des te beter, daarom juist, omdat het mijn verstand ver te boven ging en, modern gezegd, al helemaal niet aansloot bij mijn belevingswereld (even tussendoor, zijn er al kinderkerken, kleutermissen waarin je zelf de priester mag zegenen, elke keer dat hij een glas cola voor je inschenkt? ). Kortom, juist omdat het mij niets verschafte heb ik daar - volkomen tegen mijn zin in maar het moest - het belangrijkste uit mijn leven geleerd: een uur lang stilzitten zonder een ander te storen, de verveling met fantasie verdrijven, anders gezegd: geduld hebben. Later hebben veel anderen en ook ikzelf er nog veel plezier van gehad dat ik een uur kon stilzitten zonder iemand te hinderen; bij de godsdienstles uiteraard, bij wiskunde, natuurkunde - nee, met leerlingen zoals ik zouden leraren nooit zo massaal het onderwijs ontvluchten als ze nu doen.
Maar er was nog veel meer dat moest, en daarnaast, ogenschijnlijk daaraan tegengesteld, maar onderdeel van dezelfde dwang toch, en er eigenlijk aan gelijk, ook nog heel veel dat juist niet mocht, en heel dat systeem van moeten en niet mogen, ik zeg het er maar gelijk bij, was in wezen maar op een ding gericht, op het leren onderdrukken van eerste impulsen, oftewel je inhouden.'
Rosenboom vervolgt bladzijden lang zijn analyse van de mentaliteitsverandering. Ik moet zeggen: ontzettend geestig en boeiend en tegelijk ook zeer herkenbaar.
Opvoeden
In het blad Opbouw (uitgave van de Nederlands Gereformeerde Kerken) van 1 juli 2005 kwam ik de rubriek Herkent u dit? tegen van Maria Stoorvogel. Als ik dit in z'n geheel citeer, dan zult u merken dat hier eigenlijk op dezelfde vragen wordt ingegaan, maar dan vanuit een meer christelijk gezichtspunt:
VRAAGT U ZICH OOK WEL EENS AF
:
Waarom u uw kinderen vroeger leerde met twee woorden te spreken tegen volwassenen? En om, hen even te laten wachten met vragen tot u of uw (volwassen) gast was uitgesproken?
Waarom u hen leerde om in de trein of in de bus op te staan en hun zitplaats voor ouderen beschikbaar te stellen?
Waarom u ze leerde dat de tafel netjes gedekt moest worden? Het bestek en de glazen aan de goede kant moesten worden gelegd, waarom servetten werden gebruikt enzovoort?
Waarom u uw kinderen leerde met vork en mes te eten? En te wachten met het eten tot er om een zegen over dat eten was gevraagd en iedereen opgeschept had?
Waarom ze hun handen moesten wassen voor het eten? En pas van tafel mochten gaan wanneer er uit de Bijbel was gelezen en God was gedankt voor de dag en voor het eten?
Waarom u uw kinderen leerde 's avonds op een bepaalde tijd thuis te zijn? En zeker op zaterdagavond, want zondag was de dag van de Heer, die je mocht vieren met de ge- . meente van Hem.
Waarom u uw kinderen leerde zondags mee te gaan naar de kerk? Waarom ze stil moesten zitten in de kerk en moesten leren luisteren naar de dominee, zodat ze thuis iets ove de preek konden vertellen?
Waarom ze niet tegen de banken moesten schoppen? En geen propjes papier op de grond mochten gooien?
Waarom u uw kinderen leerde een zekere eerbied te hebben voor de ambtsdragers, omdat zij door God over hen gesteld waren? Dat ze daarom ook hun bijbeltekst of catechismus goed moesten leren? Maar die ook moesten leren omdat het zo belangrijk was om in 'noodweer' woorden van God uit het hoofd te kennen?
Waarom u uw kinderen leerde een christelijk (dag)blad te lezen en waarom u hen (christelijke) lectuur en literatuur liet lezen? En hen vertelde waarom dat zo belangrijk was?
Waarom u ze leerde geld opzij te leggen voor de kerk en goede doelen als ze (vakantiegeld gingen verdienen? Waarom u uw kinderen leerde om hun ouders toestemming te vragen voor een verloving en/of hun huwelijk?
Waarom ze na hun verloving kennis moesten maken met de naaste familie?
Waarom ze voor hun huwelijk niet met elkaar naar bed mochten gaan?
Waarom u hen leerde eerbied te hebben voor ouderen? Oma's en opa's een bezoekje te brengen wanneer deze niet meer zo vaak de deur uitkwamen?
Heimwee naar vroeger? Moraliserend? Wordt u soms ook moe van uzelf?
Ja, en toen las ik Prediker 7:10: 'Zeg niet: Hoe komt het, dat de vroegere tijden beter waren dan deze? Want niet uit wijsheid zoudt gij aldus vragen.'
Tja ... nooit te oud om te leren!'
Welnu, u moet zelf uw winst maar zien te doen met wat we u deze keer weer hebben voorgelegd vanuit de pers van de laatste weken. Als in vroeger dagen dominees in de gaten kregen dat ze toch al behoorlijk ver over hun tijd heen waren, riepen sommigen wel eens vertwijfeld uit: gemeente, we hebben 'stoffe te over', en zochten vervolgens naarstig om tot een eind te geraken. Dat geldt ook van het onderwerp dat we dit keer bespraken. Meningen te over. De keus is aan u en aan jou.
N.a.v. Thomas Rosenboom:
Denkend aan Holland.
Uitgave Querido, 37 pag., € 5,00.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's