Vragen stellen in de kerk
DE SCHEPPING IN ZES DAGEN OF...?
Het Woord van God confronteert ons met een veelheid aan vragen. Vragen stellen is een beproefd middel om de waarheid aan het licht te brengen, om te komen tot een heerlijk en eenduidig belijden. Jezus Zelf heeft hiervan vaak gebruik gemaakt, ook om Zichzelf te openbaren. Toch brengen niet alle vragen in de kerk ons verder in het verstaan en navolgen van Gods bedoeling.
DE SCHEPPING IN ZES DAGEN OF ...?
Een van de meest wezenlijke vragen in de Bijbel is het woord waarmee Christus Zijn discipelen tot helderheid bracht: 'Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?' En daarna: 'Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?' Het is een vraag op het hart, die niet ontweken kan worden en waarvan het antwoord laat zien dat het onderwijs van Jezus gezegend is. 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God', zegt Petrus.
Retorische vragen
In het gesprek met Zijn volgelingen zijn er ook retorische vragen, waarvan het antwoord in de vraag besloten ligt. 'Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel? ' Jezus' vraag stelt hier de noodzakelijkheid van het geloof in Zijn werk centraal, omdat Hij een ieder zal vergelden naar hoe deze gehandeld heeft. Evenmin verlangt Hij een antwoord, als Hij de discipelen toevoegt: 'O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen' (Matth. 17:17).
Niet alleen aan Zijn discipelen stelt Jezus vragen - ook aan degenen die het op Zijn ondergang gemunt hebben. Als de Farizeeën Hem in Zijn woorden aangaande het betalen van belasting aan de keizer willen vangen, pakt Hij een penning en vraagt van wie het beeld en het opschrift is. (Matth. 22: 20) Een wedervraag krijgt ook de wetgeleerde, die van Jezus wil weten wie zijn naaste is. Hij vertelt de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, eindigend met de vraag wie de naaste geweest is van de man die onder de handen van de moordenaars viel. En als het uur van Zijn lijden en sterven gekomen is en er een bende krijgsknechten met Judas als gids op Zijn gevangenneming uit is, stelt Hij de ontwapenende vraag: 'Wie zoekt gij?'
Jezus gebruikt in verschillende situaties een vraag om het werk van God in het middelpunt te plaatsen, om de grondwetten van Zijn Koninkrijk duidelijk te maken, om mensen met kwade bedoelingen te ontmaskeren. Het doet ons denken aan God Zelf, die de mens na zijn val in de zonde als eerste met een vraag tegemoet treedt: 'Waar zijt gij? ' En: 'Wie heeft u te kennen gegeven dat gij naakt zijt? '
Enige troost
Het leerboek van de kerk heeft de vorm van vraag en antwoord overgenomen, om kinderen te onderwijzen in het christelijk geloof. Al eeuwen lang klinkt in de catechese de klassieke vraag uit de Heidelberger: 'Wat is uw enige troost, beide in leven en sterven?' Een vraag die het mogelijk maakt in kort bestek de kern in woorden te vangen. Het zal ongetwijfeld met de 129 vragen en antwoorden te maken hebben dat de Heidelbergse Catechismus het bekendste is van de drie Formulieren van Enigheid.
Waar het stellen van vragen een goed middel is om een boodschap over te dragen, weet Gods grote tegenstander dit ook. De duivel bedient zich in gelijke mate van vragen, om mensen af te trekken van de dienst aan de levende God. Waar de slang in het paradijs als eerste spreekt, klinkt er een vraag: 'Is het ook dat God gezegd heeft: Gij zult niet eten van alle boom van deze hof?' Geen stellige ontkenning van wat God geboden heeft, maar een ter discussie stellen van Zijn woorden.
In de Bijbel lezen we vragen van de duivel, die beogen tweedracht en verwarring te stimuleren. 'Is het om niet dat Job God vreest?'
De Reformatie
Bovenstaande gegevens uit de Schrift zijn genoemd, om aan te geven dat vragen gesteld kunnen worden om nader onderricht te ontvangen of om tweedracht te zaaien. Vragen kunnen voortkomen uit een hart dat verlangt naar het heil in Christus, zoals de stokbewaarder die aan Paulus en Silas vroeg: 'Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?' (Hand. 16:30) Vragen kunnen ook vanwege minder edele motieven gesteld worden.
Ook in de kerk worden vragen gesteld
Ik ga daar op in vanwege het laatste nummer van De Reformatie dat ik voor de vakantie ontving. In de uitgave van eind juni van het kerkblad dat verschijnt in de kring van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt worden nogal wat gelijksoortige vragen gesteld. Het artikel op de voorpagina opent met de zin: 'Is de Bijbel wel zo duidelijk over homoseksuele relaties?' Middenin het nummer staan twee artikelen, waarvan de kop luidt: De schepping in zes dagen of ...? en Gereformeerd onderwijs: waar staat het voor?
In deze bijdrage wil ik niet specifiek ingaan op de situatie in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. In het Nederlands Dagblad werd dit voorjaar rond de opening van de driejaarlijkse synode van deze kerken gesproken over 'een kerk in de overgang', omdat de vrijgemaakte zuil versplinterd is en de onderlinge verschillen steeds groter worden. De bekende socioloog prof. G. Dekker zei in 2004 bij de herdenking van zestig jaar Vrijmaking dat 'het hellende vlak echt dreigt', omdat gereformeerden van oudsher met beide benen in de wereld staan en daarom makkelijk beïnvloeding kunnen ondergaan. Ik noem de vragen uit De Reformatie echter, omdat wat in dit blad besproken wordt en wat in de vrijgemaakte kerken klinkt, ook elders aan de orde is, ook in hervormde gemeenten.
In de wind van de tijd
Want deze gemeenten en haar leden staan in de wind van de tijd en voelen de vragen van deze tijd in het eigen hart opkomen. Een van de kenmerken van onze cultuur is het betrekkelijk achten van gezag. Gezagsverhoudingen vallen weg of functioneren nauwelijks meer. 'In bedrijven en instellingen zit geen directeur maar een manager. Hij geeft geen bevelen maar overlegt en legt uit, stimuleert en motiveert om de gezamenlijke doelstelling te halen', geeft ds. G.J. van Beusekom in een artikel als voorbeeld. De betekenis van de geschiedenis en van de gemeenschap met gezamenlijke normen worden niet meer gezien. De kerk is daarmee een dienstverlenend instituut voor spiritualiteit geworden en heeft opgehouden bewaarplaats van de waarheid te zijn.
In dit klimaat worden vragen gesteld die niet rekenen met het gezag van het Woord van God, die niet voortkomen uit een hartelijke binding van de belijdenis van de kerk der Reformatie. Dat moeten we ons juist in onze dagen bewust zijn. Een diepe achting voor het Woord van God hebben we nodig, waarin de apostel Petrus ons voorgaat als hij schrijft dat 'de profetie voortijds niet is voortgebracht door de wil van een mens, maar de heilige mensen Gods, door de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben gesproken.'
Nederlandse Geloofsbelijdenis
Waar besluiten genomen of voorstellen gedaan worden die tegen het Woord van de Heere ingaan, wordt soms nadrukkelijk erkend dat de gedachten van deze tijd voorrang kregen boven het luisteren naar de Bijbel.
Toen de landelijke vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken begin 2005 besloot het ambt volledig te openen voor de vrouw, zei de preses, ds. W. Smouter, dat de kerk het in onze cultuur niet kan maken een ander besluit te nemen. 'Dat zou maar onnodige ergernissen geven.'
Na het recente boek van dr. B. Loonstra staat homoseksualiteit hoog op de agenda van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Hervormd-gereformeerden zullen daarin kunnen meeleven, na de ingrijpende discussie die in 2002 in de hervormde synode gevoerd werd. Willen we in deze en andere thema's verder komen, dan zal het Woord open moeten gaan en Zijn autoriteit erkend moeten worden. Als wij onze vragen naar de wil van God voor ons leven en voor de kerk formuleren, is het gebed om de Heilige Geest het eerste, de Geest die nooit wegen wijst buiten dat Woord om. 'De Heilige Geest heeft de profeten, psalmisten, apostelen en evangelisten in het verleden geïnspireerd. Daarom hebben hun woorden en geschriften goddelijk gezag. Maar ik als lezer en hoorder, zoveel eeuwen later, heb eveneens de werking van de Heilige Geest nodig om het gezag van de Schriften te erkennen en te ervaren', schrijft dr. W. Verboom bij artikel 5 van de Nederlandse-Geloofsbelijdenis.
Zekerheid
We mogen de eerste verzen van het bijbelboek Lukas wel onderstrepen, woorden waarmee de evangelist aankondigt dat hij wil schrijven over dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben. Immers, het is Lukas verteld door degenen die zelf vanaf het begin aanschouwers en dienaars van het Woord geweest zijn. Zekerheid in de dingen waarin we onderwezen zijn - dat is niet verdacht, maar daar mogen we naar staan, ook als in onze tijd beweerd wordt dat er niets met zekerheid te zeggen is over de werkelijkheid van God. Het rusten op het getuigenis van het Woord kan ons bewaren voor het stellen van allerlei vragen, die niet meer zijn dan vermoeiing van het vlees.
Zekerheid daarentegen komt uit het Woord op en wordt ontvangen in een gelovig en ontvankelijk overdenken van het Woord, met welke worsteling om de wil van God te verstaan dit ook gepaard kan gaan. Maar Gods Woord is de bron. Wat kunnen we beter doen dan vast te houden aan onze geloofsbelijdenis, die leert dat het Woord van God niet voortgebracht is uit de wil van een mens, die leert dat God zelf met zijn vinger de twee tafels van de wet geschreven heeft. Dat Woord noemt de gelovigen 'nieuwgeboren kinderkens', die als kinderen, in de gebrokenheid van dit bestaan, niet op alle vragen antwoord krijgen, maar als kinderen mogen toenemen in de kennis van dat Woord. Naar dat Woord mogen we ons geloof richten, daarop mogen we het funderen en daarmee mogen we het bevestigen.
P.J. VERGUNST
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 2005
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's