De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Preken

De hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, P. A. Bergwerff, merkte onlangs (6 augustus) in zijn redactioneel commentaar op: je kunt tegenwoordig bijna geen kerkelijk blad of theologisch tijdschrift meer openslaan of het gaat wel eigens over de prediking.

Naar zijn inschatting heeft dat verschillende oorzaken. Hoorders stellen steeds hogere eisen aan de prediker. Met louter uitleg bereik je veel hoorders niet meer echt, als je ze tegelijk niet ook emotioneel weet te treffen. Woorden doen mensen niet zoveel: de beeldcultuur werkt mee aan de erosie van het woord. Kortom: het is niet vreemd dat de prediking zoveel aandacht krijgt. In hetzelfde dagblad werd aandacht geschonken aan een brochure geschreven door de bekende Nederlands gereformeerde emeritus predikant uit Zeist ds. H. de Jong: De zondagse preek: spitsuur van de Heilige Geest.

Ds. De Jong hield in juni van dit jaar een lezing voor de predikantenconferentie van zijn kerken over dit thema. Hij heeft met de hedendaagse ontwikkeling van de prediking in zijn kerken maar ook daarbuiten de nodige moeite. Zijn belangrijkste bezwaar is dat er tegenwoordig wel heel veel aandacht aan de Heilige Geest wordt geschonken, maar dat men dreigt te vergeten dat de prediking het belangrijkste middel is waardoor de Geest in de wereld werkzaam is. 'Voor velen lijkt het evenwel alsof de Geest andere dingen aan zijn hoofd heeft, wat de aandacht voor het Woord niet ten goede komt.'

Nog een ander bezwaar dat ds. De Jong noemt is dat de prediking al te zeer gefocust is op de secularisatie. De zucht om toch maar vooral verstaanbaar te zijn doet de nadruk meer vallen op de communicatieve vaardigheden van de prediker dan op de behandeling van de tekst. Ds. De Jong gaf voorafgaand aan zijn lezing tien stellingen aan zijn hoorders ter conferentie. De eerste stelling luidt: De zondagse preek is voor de gemeente.

'Ik zou het misschien wat genuanceerder moeten zeggen, in die zin dat de zondagse preek hoofdzakelijk voor de gemeente is, maar ik ben bang dat ik dan met mijn stelling een open deur intrap. Ik bedoel het exclusief. Ik wil zeggen dat het niet goed is het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen (Matt. 15 : 26), dat we het heilige niet aan de honden moeten geven en onze parels niet voor de zwijnen moeten gooien (Matt. 7 ; 6). Wij leven vandaag als kleine minderheid van betrokken' christenen in een sterk geseculariseerde maa schappij. Wij moeten alle zeilen bijzetten om ons te midden van het moderne heidendom staande te houden. Ik ben sterk onder de indruk van de verleidende krachten die er vanuit deze wereld op mij afkomen. Vooral vanuit de wereld van de media. We mogen niet uit de wereld gaan (1 Cor. 5 : 10), maar ik denk wel eens dat uit de wereld van de media gaan zo gek nog niet zou zijn. De wereld van de media is slechter dan de echte wereld en toch kunnen wij ook uit die wereld niet weg. Verleidingen dus. Er gaat geen dag voorbij of ik vraag me af of het allemaal wel waar is wat ik geloof. Pleit er niet ontzet- . tend veel voor het tegendeel? Of andere vraag, is het wel echt nodig om ter wille van een behoorlijk gedrag in de wereld christelijk te geloven? Het lijkt zonder dat geloof uitstekend te gaan. Ik belijd derhalve dat ik de prediking broodnodig heb. Daarom ben ik op de zondag niet bereid de olie voor mijn lampje te delen met de onverschilligen. Laten zij zelf "heengaan en kopen" (Matt. 25:8- 10). Dat is niet omdat ik hun het geloof niet gun, maar omdat ik te weinig zeker ben van mijzelf Ik heb versterkende middelen nodig. Daarvoor is regelmatige voeding met Gods Woord een absoluut vereiste. Dan moeten we de weinige tijd die wij per week in de kerk zitten niet verbruiken om anderen totgeloof in het evangelie te bewegen. Dat dit gebeurt is terecht, maar niet dan en niet daar.

Ik proef in het openbreken van de kerkdienst naar de buitenstaanders die over de drempel heen geholpen moeten worden een zelfoverschatting: bij ons is het natuurlijk allemaal al in orde en wij kunnen het ons dus veroorloven ons tot in onze godsdienstoefening toe (een woord dat ik letterlijk neem: mij oefenen in de dienst van God) met de buitenwacht bezig te houden. Ik pleit voor de beslotenheid van onze kerkdienst. Het is een intiem gebeuren tussen Christus en de zijnen. "Bind de getuigenis toe", zegt de profeet, "en verzegel de wet onder mijn leerlingen" (Jes. 8 : 16). Jesaja zei dit in een tijd die met de onze goed te vergelijken is. Ook bij BonhoefFer heb ik zulke geluiden wel eens gelezen.'

Ds. De Jong vergelijkt de zondagse preek met de zorg van een moeder voor haar gezin. 'Zij draagt er zorg voor dat de gezinsleden goed gevoed en gekleed maatschappelijk kunnen functioneren.'

De tweede stelling luidt: De zondagse preek veronderstelt een degelijke catechese. In de prediking wordt voortgebouwd op een eerder en voortdurend binnen de t-gemeente gegeven onderricht. 'De preek veronderstelt een zekere kennis van Gods Woord en tegelijk voedt hij als het goed is die kennis.'

'Ook de vraag of wij het met de kindernevendienst wel goed doen wil ik hier aan de orde stellen. Wordt daarin voorbereid op het luisteren naar de onversneden prediking van Gods Woord? Of is het meer een mikken op de "stomme beelden" (de tekeningen)? Het is eigenaardig: om predikant te worden wordt een degelijke theologische scholing verlangd, terwijl voor de kindernevendienst dergelijke eisen niet worden gesteld. Al geef ik toe dat er ware natuurtalenten zijn (zoals ik bij de ajsluiting van de kindernevendienst in de kerkdienst wel eens merk) en dat men er doorgaans ook z'n best voor doet, is dit verschil toch opmerkelijk. Terwijl het om de jündamentlegging van het geloqfgaat. Om dan nog maar te zwijgen over het/eit dat de kindernevendienst het in de regel niet heep over de mogelijkheid dat de mens bij ongeloof verloren gaat. Het mooie lied "Meisjes dwaas, meisjes wijs" (Alles Wordt Nieuw, I, 23) bijvoorbeeld eindigt met de regels: "Eenzaam staan ze aan de kant, met een lampje dat niet brandt." Voor wie de bijbel kent is dit understatement niet onduidelijk, maar kinderen maken hier geen "gesloten (hemel)deur" uit op. Nu ja, maar dat is ook te zwaar voor kinderen, zeggen wij dan. Wie zal dat tegenspreken? In de gewone kerkdienst evenwel kan dat ongedwongen ter sprake komen en een kind pikt het mee. Onopzettelijk pikken kinderen ontzettend veel mee.

Ik denk dat het zijn onder de preek voor kinderen uitermate vormend is, eigenlijk even vormend als het voor de taalbeheersing van een kind is dat het in een gezin opgroeit. Vooral in het begin kun je het effect daarvan niet goed meten, maar vergis je niet, dat een kind later goed spreekt komt toch daarvandaan. Met degeloojstaal is het niet anders gesteld. Ik denk daarom dat we moeten afwisselen: niet elke zondag kindernevendienst, maar om de veertien dagen bijvoorbeid, zodat de kinderen ook gewend raken aan het geheel van de kerkdienst. En trouwens, in de dienst en onder de preek kunnen van tijd tot tijd de kinderen ook ajzonderlijk worden toegesproken. Daar is alles voor te zeggen. Om ze zodoende al vroeg vertrouwd te maken met het geheel van de kerkdienst (inclusief dus de preek). We zouden daar minder spastisch over moeten doen. (Jullie jongeren zijn in het benaderen van de jeugd veel sterker dan wij ouderen. GebruikjuIIie gave!) Leren luisteren is een van de belangrijkste dingen in het mensenleven. Bij de luistermoeheid van de wereld, een gevolg van de praat- en kijkgraagte, moeten wij ons niet te gemakkelijk neerleggen en die al helemaal niet in de kaart spelen.'

Veel kerkenraden bezinnen zich vandaag op de vraag: hoe betrekken we de kinderen en de jongeren van de gemeente meer bij de kerkdienst. Met een aantal keren 'jongens en meisjes' roepen vanaf de kansel zijn we er niet. Maar hoe dan wel? Kindernevendiensten zijn in veel hervormd-gereformeerde gemeenten een nog onbekend verschijnsel en daar is wat voor te zeggen, zoals ook door ds. De Jong in zekere zin wordt gezegd. Zonder tot de onlangs hier gesignaleerde 'verkleutering' van de eredienst te geraken, verdient de aanwezigheid van soms nog heel veel kinderen en jongeren wel inhoudelijke aandacht van voorganger en kerkenraad.

Woord en antwoord

Nog een belangrijke stelling die ds. De Jong noemt, luidt: De zondagse preek moet aan de kant van het Woord en niet aan de kant van het antwoord gaan staan.

'In de preek moeten wij naar voren brengen wat de Here zegt, terwijl we in het pastoraat de mensen moeten helpen bij het vinden van het juiste antwoord op het Woord van God. Op de kansel ben je vooral de profeet die met het "Zo zegt de HERE" komt, in het pastoraat ben je eerder de priester van wie de apostel zegt dat hij "tegemoetkomend kan zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is" (Hebr. 5 : 2). In de preek moet het besef doorklinken dat de Schrift zich als een "schrift" tegenover (Noordmans) met de gemeente kan confronteren, terwijl in het pastoraat het goddelijke geduld meer op de voorgrond mag treden. Toegegeven, het gaat hier meer om een accentverschil, relatief en niet absoluut, maar een prediking die te pastoraal is verliest gemakkelijk haar ambtelijk gezag. Daarom heb ik mijn aarzelingen bij de opkomende gewoonte om samen met de gemeente (of een uittreksel daarvan) de preek voor te bereiden. De preek is geen zeljbedie-

ning en de kerk is geen supermarkt u»aar de dominee met zijn schapen langs de schappen loopt om ze te adviseren bij hun keuze voor wat van hun gading is. Ik wil hiermee niet zeggen dat alleen de predikant uan preken verstand heeft (dat is het punt niet), maar hij is uoor de prediking aangesteld en heeft zich door zijn ambtsbelojte uerplicht tot trouw aan Gods Woord waardoor hij zelfs tegenover de gemeente kan komen te staan. Daarom wordt hij ook officieel in een kerkelijk examen onderzocht, niet zozeer op kunde maar veelmeer op betrouwbaarheid (1 Cor. 4:2). Hij is ook van betaalde arbeid unjgesteld om zich met zijn hele hebben en houwen op de verkondiging van Gods Woord toe te kunnen leggen en hij is daarop uit de aard der zaak aanspreekbaar. De preek is daarom geen manifestatie van het ambt aller gelovigen, in die zin datje pas volwaardig lid van de gemeente bent als je wel eens gepreekt hebt. Zoals de overheid streng is in haar keuringsdienst uan waren zo moet de kerk zuinig zijn op de prediking en op de toegang tot de kansel. Laat wie buiten het ambt om graag preekt liever met het in de kerk gehoorde de wereld in gaan om op die manier "deel te hebben aan de prediking uan het evangelie" (Filip. 1: 5).

Iets anders is dat ik uoor het regelmatig preken het pastoraat niet zou kunnen ojwillen missen. In die zin doet de gemeente stellig mee in de verkondiging. Maar dan toch meer onopzettelijk dan opzettelijk.'

De tiende en laatste stelling luidt: Bij aanpassing uan de zondagse preek aan de hoorders is het einde zoek. En daarbij merkt ds. De Jong o.a. op:

'Hier wil ik herinneren aan het voorwoord van mijn boek Hete Hangijzers. Ik scheef daar: 'Ik ben... van mening dat de prediking in de christelijke gemeente gevaar loopt te versnipperen. Alles wat maar zweemt naar het ingewikkelde en controversiële wordt eruit weggehouden. Aanpassing aan het begrip en aan de gemakzucht van de hoorders overweegt. Daardoor steken de mensen te weinig op in de kerk. Met name de prediking in de orthodoxe kerken gaat hieraan mank. In vrijzinnige kerken durft men meer van de hoorders te vragen, is mijn indruk. De voorgangers daar krijgen dan ook gemakkelijk het verwijt dat ze te hoog grijpen. Nu kun je inderdaad te moeilijk zijn. En het is duidelijk: je schiet je doel volledig voorbij, wanneer je de ruif te hoog hangt. Maar er is van de andere kant niets op tegen, je gemeente te trainen in het gebruik van de kuitspieren. Als er nooit eens problemen in de prediking behandeld worden, verkneutert de boel.'

(...)

'Mijn benadering heeft wel iets van die van professor A. van de Beek. Het is bekend: die heeft zo zijn zorgen over de overvleugeling van het gereformeerde door het evangelische. Van mij kan men dat ook wel weten. Denken de evangelischen, vinden wij, niette optimistisch over de wereld en haar bereikbaarheid met het evangelie? Men heeft het vandaag overgrote kansen voor het evangelie en de massaliteit van sommige jeugdmanifestaties lijkt dat te bevestigen. Toch blijven de cijfers dalen. Ook plaatselijke successen hier en daar zijn, hoe hartverwarmend ook, te uitzonderlijk dan dat we er een trend uit op kunnen maken.

Ik eruaar onze tijd anders. Het maakt op mij de indruk dat God in onze dagen bezig is de kandelaar uan zijn Woord bij ons weg te nemen. Om die op andere plaatsen weer neer te zetten, dat wel. Maar wat ons betreft heb ik het toekomstuisioen van een schuilkerk. Het gaat wel verder met de kerk, maar anders, heel anders. Echter, wat er ook verandert, één ding blijft gelijk: ook die schuilkerk zal uit het Woord gevoed moeten worden. Ook zij moet in de wereld leven en ook haar taak blijft het om met het Woord, al naar de gelegenheid dat vraagt, wervend en bestraffend in de wereld te staan. Dus blijft de zondagse prediking een must. Een must met een belofte, trouwens. En al neemt men ons niet serieus, wij zullen de wereld wel serieus nemen en meedenken met al haar (serieuze) problemen. Ook omdat wij zelf van die wereld deel uitmaken en onze plaats daarin moeten vinden. Uit de wereld gaan is geen optie.

Ik zou daarom in deze gevaarlijke en tegelijk boeiende tijd willen dat met het oog op de prediking (die in de kerk begint en door de gemeente in de wereld moet worden voortgezet) veel meer dan tot dusver werk gemaakt wordt van het geloof in de Heilige Geest, die juist de verkondiging van het evangelie tot zijn prioriteit heeft gemaakt. Onder zijn leiding zit er veel meer in het Woord dan wij eruit halen. En stil maar, dan bedoel ik met dit laatste geen zogenaamde "vondsten", maar voedsel voor de ziel en voor ons zijn in de wereld.'

We moeten ervoor oppassen en ermee ophouden de boodschap te verdunnen uit een oogpunt van bijvoorbeeld verstaanbaarheid. Om zout der aarde en licht der wereld te kunnen zijn is het juist nodig, aldus ds. De Jong, dat kerk en wereld duidelijker dan ooit van elkaar worden onderscheiden.

'Kerk is kerk en wereld is wereld. Zaten die twee in vroeger dagen meer door elkaar heen zodat het zin had van een volkskerk te spreken, wij maken het nu mee dat die twee uit elkaar zijn gaan lopen. Niemand heeft dat bedoeld, maar het is zo gegaan. Wij moeten daarmee rekenen', aldus ds. De Jong. Juist op de zondag moet de kerk met de rug naar de wereld durven gaan staan om haar eigen geheim te koesteren. (...) Anders blijven we in aanpassingen en verdunningen steken.'

Ds. De Jong heeft zijn lezing in brochurevorm laten verschijnen en die is bij hem te bestellen. Ik kan het al mijn collega's en kerkenraden inzonderheid, maar ook elk belangstellend gemeentelid van harte aanbevelen. Misschien een idee om de komende winter eens op een kerkenraadsvergadering aan de orde te stellen.

J. MAASLAND

N.a.v. Ds. H. de Jong: De zondagse preek: spitsuur van de Heilige Geest. Te bestellen door het overmaken van € 3, op giro 989277 t.n.v. H. de Jong, Zeist o.v.v. brochure.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 23 augustus 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 23 augustus 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's