Vorderingen in het geloof
TOE-EIGENING VAN HET HEIL IN HET LICHT VAN DE REFORMATIE [4]
Inherent aan dit geloof, zoals de Schrift ons dat tekent, is de heilszekerheid. De beloften van God die aan het verstand geopenbaard worden, worden verzegeld in het hart. Calvijn wijst naar de bekende tekst uit Efeze 1:13: 'Nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden met de Geest der belofte, Die het onderpand is van onze erfenis.' De Geest, zegt Calvijn, doet de dienst van een zegel om juist die beloften in ons hart te verzegelen, waarvan Hij de zekerheid eerst in ons verstand heeft ingedrukt.
Toe-eigening
Als we dit overzien, dient het antwoord op de vraag zich aan hoe naar reformatorisch besef de toe-eigening van het heil zich voltrekt: dat is door het geloof. Wij hebben dan niet te denken aan een bepaalde bijzondere werkzaamheid van het geloof, dat slechts aan weinige christenen gegeven is. De toe-eigening geschiedt daar waar mensen 'verkerend onder het vreselijke oordeel van de eeuwige dood' (Calvijn) opzien naar Christus, om in Hem alle heil te vinden. Zien is werkelijk hebben.
Daar is in het geloof in Christus, naar een puriteinse uitdrukking, een toe-eigenende overtuiging. Het geheim van deze toe-eigenende overtuiging ligt in de geloofsontmoeting met Christus en het vertrouwen op Hem. In 1645 verscheen in London een geschrift dat in de geestelijke verwarring van toen terug wilde grijpen naar het onderwijs van de reformatoren. Het was het geruchtmakende geschrift van Edward Fisher, The Marrow of modern Divinity. Hierin werd een parafrase gegeven van het woord: 'Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.'
De toe-eigenende aard van het evangelie werd hierin als volgt naar voren gebracht: 'Wees er in uw hart werkelijk van overtuigd dat Jezus Christus de uwe is, en dat u door Hem leven en zaligheid zult hebben. (...) Datgene wat Christus deed tot verlossing van de mensen, dat hij dat deed voor u.'
Thomas Boston wijst in een latere toelichting weer op de aanbieding. Stel je voor: iemand krijgt een stuk goud aangeboden. Als hij het weigert en omkomt van ellende, heeft hij het aan zichzelf te wijten. Welnu, Christus wordt ons aangeboden. Hem aannemen is niet anders dan het getuigenis geloven dat God ons van Zijn Zoon geeft. Het getuigenis van God is dat Hij ons het eeuwige leven geeft in Zijn Zoon. Het is een grote misvatting te menen dat wij buiten Christus om tot de toe-eigening van het heil kunnen komen.
Als mensen zeggen dat zij zich 'het' niet durven toe-eigenen, roept dit de vraag op of Christus voor hen niet de Onbekende en Ongekende is. Is er werkelijk de persoonlijke kennis van Christus en een hart dat geraakt is door het evangelie? Zijn naar het woord van Calvijn, de beloften van Christus niet slechts buiten ons waar, maar ook in ons? In het geloof ligt immers het 'mijnen' opgesloten.
De beloften van God die persoonlijk tot ons komen, worden in het geloof persoonlijk door ons aanvaard. Zonder dat Calvijn daarop wijst, worden wij herinnerd aan het grote verschil met de duivelen. Ze geloven ook dat Jezus de Zaligmaker is. Maar het is niet persoonlijk. Dat kan ook niet. Want de Zaligmaker wordt hen niet aangeboden.
Calvijn merkt op dat er mensen zijn die er volkomen van overtuigd lijken te zijn dat de barmhartigheid van God groot is en dat velen daarin delen. Maar het is voor hen onzeker of die barmhartigheid van God ook hen geldt. De vraag is: zal zij ook tot hen komen of beter, zullen zij ook tot haar komen? Duidelijk is dat Calvijn dit ziet als ongeloof.
Twijfel
We dienen ons wel te realiseren dat het geloof klein kan zijn. In een gelovige is er het geloof, maar ook het ongeloof. De werkelijkheid van het christenleven laat de strijd zien tussen het vlees met zijn twijfel en zijn ongelovigheid en de Geest. En het ongeloof, of die ongelovigheid, kan soms heel sterk zijn. Zoals de kerk in haar geheel als tot niet kan komen, zo kan het ook met ons persoonlijk geloof zijn. Waar is uw geloof? Het is ook geen teken van een levend geloof, als het altijd even egaal is. Juist een beginnend geloof kan zeer klein zijn. Soms is er maar een enkele lichtstraal. Een enkele druppel van het geloof. Toch is er een betrekking op de Heere Jezus. Men beseft iets van Zijn heerlijkheid. En er is de vaste overtuiging dat de wereld en de zonde het niet waard zijn gediend te worden. In dit kleine, zwakke en beginnende geloof is toch ook de toe-eigenende overtuiging aanwezig.
Het kan er zelfs zijn zonder dat men voor zijn bewustzijn de zekerheid heeft een kind van God te zijn. Men draagt, zoals men dat vroeger uitdrukte, het licht op de rug. Zoals de roep van iemand die onder het puin bedolven is, niet gehoord kan worden, zo kan de roemtaal van het geloof niet gehoord worden als wij bedolven zijn onder het puin van klein- en ongelovigheid. Laat het puin maar eens opgeruimd worden, laten de donkere wolken van ongelovigheid maar eens verdreven worden en het geloof zal triomferend naar buiten treden. En laten we bedenken: God is meerder dan ons hart.
Dat een klein beginnend geloof ook geloof is, maakt Calvijn duidelijk met een treffend beeld. Er loopt iemand buiten in het licht van de zon. Wat een verschil met een ander die geboeid in een cel zit en door een klein, smal venster slechts een enkele lichtstraal opvangt. Maar het is wel het licht van dezelfde zon, weet Calvijn. Zonder beeld: of er nu een groot geloof is of een klein, het is voor elk het licht van Gods vriendelijk aangezicht in Christus.
Groei
Wat heeft dan het beginnende geloof nodig? Dat wat elke christen in deze bedeling nodig heeft! Want wij zijn toch, als het er op aankomt, allemaal van die arme tobbers! Daar is maar een woord voor: Groeien in het geloof.
Het kan ook niet anders, als het om een levend geloof gaat. Wat leeft, groeit. Om met Calvijn te spreken: er dienen vorderingen gemaakt te worden in het geloof. Eigen gedachten en voorstellingen dienen losgelaten te worden. Er dient meer zicht te komen op de trouw en de genade van de Middelaar.
Petrus Datheen begroette een bekommerde vrouw als een zuster in de Heere, maar tegelijk wees hij haar op haar geestelijk gebrek: ge kent Christus, uw Heiland, nog niet recht. Hij is het, Die vermoeiden en belasten roept.
Tegenover onze ongelovigheid en twijfel mag gewezen worden op de waarachtigheid van God. Het Woord van God is getrouw en alle aanneming waardig. De vastheid van Gods belofte blijft ook als er van onze kant inzinking en afdwaling is. Niet ons gevoel en wat wij in onszelf waarnemen, is bepalend, maar Wie God is. Geen zonde of zwakheid kan verhinderen dat God ons niet in genade zou aannemen.
Middelen
Verder mag gewezen worden op het gebruik van de middelen. Daar is geen verband van verdienste tussen het gebruik van de middelen en de genade, maar wel een gebruik van orde. Een oorzaak die menigeen in geestelijke duisternis doet verkeren, is het bedroeven van de Geest door het toelaten van de zonde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's