Kracht van God
'Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is.' Psalm 84:6
Psalm 84 is een heel bekende psalm. We zingen hem graag. Dat komt door de melodie, maar meer nog door de inhoud. Op een of andere manier herkenden en herkennen velen zich in deze psalm. Ze is als het ware een beeld geworden voor de reis door dit leven van allen die geloven.
Wat is er aan de hand in deze psalm? De psalmdichter is ver van het heiligdom, de tempel. En eerlijk gezegd bevalt hem dat niet. Ieder jaar gingen de pelgrims op weg naar Jeruzalem om een van de grote feesten te vieren.
Daar was hij diep van onder de indruk geraakt. Als hij daaraan denkt, dan ziet hij het nog allemaal voor zich, dan is hij jaloers op de mussen en de zwaluwen, Zij bouwen dicht bij Gods altaren hun nestjes. Hij denkt ook aan de priesters en de levieten. Wat moeten die mensen gelukkig zijn, als je altijd bezig mag zijn in de dienst van God.
Priesters mochten bezig zijn met de offerdienst. Dan zag je het als het ware voor je, dat er verzoening was tussen een heilig God en een zondaar. Maar er was ook de zang van de tempelkoren. Wat was dat indrukwekkend om zo de lof van de Heere te horen zingen.
Wat was het fijn om met al die mensen op te trekken naar Jeruzalem. Al die pelgrims, die elkaar onderweg bemoedigden. De weg was soms niet gemakkelijk, maar men wist waarvoor men op weg was. Om straks in Jeruzalem te zijn. Dan zegt hij van die pelgrims een merkwaardige zin. Weet je, hoe die mensen het vol konden houden op weg naar Jeruzalem? Omdat in hun hart de gebaande wegen waren. Misschien dat iemand denkt: Ik vind dat een vreemde uitdrukking. We moeten daarbij denken aan de situatie van de wegen toen. Men had niet de gemakkelijke wegen, die wij nu hebben. Je kon, als je niet uitkeek, lelijk struikelen. Zomaar een steen op de weg, waar je hem niet verwacht. Als er nu in je hart gebaande wegen zijn, dan is het in feite zo dat er opruiming heeft plaatsgevonden in je hart. De schuld is beleden. Alle rommel en puin in je hart, die scheiding maakte tussen God en jezelf, die is opgeruimd. Het ligt nu vlak. En dat, om Jezus' wil. Omdat Hij wilde komen op deze wereld, voor zondaren, zoals u en ik. Wat is het heerlijk als het vlak ligt in je hart. Dan is er de ongestoorde omgang tussen God en jezelf, de verborgen omgang. Dan kan Hij Zijn kracht in je doen overvloeien.
Nu is het zo dat wij vaak eigenwijs zijn. We doen de dingen vaak in eigen kracht. Wat is dat dwaas. Die kleine mens denkt dat hij met zijn gedrag kan instaan voor zijn eigen leven. Dan besef je niet dat je de Heere Jezus en Zijn vergevende liefde nodig hebt. Je bent gelukkig te prijzen, als je het leven uit handen mag geven. Als je je eigen leven mag overgeven in de handen van de Heere Jezus. Als je het beseft en bidt: 'Ik kan mijn leven niet voor mijn rekening nemen. Heere, ruimt u de rommel maar op in mijn hart.' En als het dan vlak komt te liggen. Dan kan de Heere met Zijn kracht in ons werken. Maar wat is het belangrijk, om ook in die afhankelijkheid te blijven.
Om steeds weer die verborgen omgang met de Heere in het gebed te beoefenen. We lezen daarvan in vers 8, dat degenen die zo de kracht van God verwachten van kracht tot kracht verder gaan. Niet in eigen kracht, nee, altijd weer de kracht van God ontvangen.
Nu maakten die pelgrims onderweg wel eens wat mee. Soms ging hun weg door woestijngebied. Als je in de woestijn bent, heb je water nodig. Water is een eerste levensbehoefte. Nu wilde het geval dat ze op een bepaald moment in een dal kwamen. Het was het moerbeziëndal. Nee, wat ze gehoopt hadden werd niet waar. Er was geen water. Er waren slechts woestijnstruiken, die een bepaald vocht afscheidden wat op tranen leek. Later is het dal dan ook wel tranendal genoemd. Geen water.
Je zou er bij neervallen. Het dal van de teleurstellingen en het verdriet. Je komt er als mensen allemaal door. Nu kun je hierin verschillend handelen. Er zijn mensen die in de klacht blijven steken. Als je vraagt hoe het met hen gaat, dan is het altijd: 'Niet best.' Ze gaan niet van kracht tot kracht, maar van klacht tot klacht verder.
De dichter wijst een andere weg aan. Ze stellen Hem tot een fontein. De Heere wordt tot een bron van water voor hen. Hij zorgt voor levend water. Dat maakte Hij ook waar in de woestijnreis van het volk Israël. Hij maakt het in geestelijk opzicht nog steeds waar. De Heere doet het in de moeilijkste omstandigheden aan niets ontbreken. Zo kun je verder op reis door dit leven.
Van de pelgrims mogen we weten dat ze eens aankwamen in Jeruzalem. Wat een vreugde moet dat geweest zijn. Zo wil de Heere tot een God van nabij zijn. Waarom? Omdat Jezus Christus Zelf in de diepste diepte geweest is.
Hij heeft geleden aan het kruis van Golgotha. Hij heeft daar Zelf geroepen: 'Mij dorst.' En dat, opdat u en ik in dit leven het aan niets zou ontbreken. Wat een Koning. Die zo tot een bron wil zijn op weg door dit leven.
Als je Hem dient, dan ben je echt gelukkig. Gelukkig, omdat je een God hebt Die in Jezus Christus je leven voor Zijn rekening neemt. Dan mag je weten dat Hij je zelfs in het laatste van het leven het aan niets doet ontbreken.
H. Born, Brakel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's