Een leven in de hoop
TOE-EIGENING VAN HET HEIL IN HET LICHT VAN DE REFORMATIE [SLOT]
De reformatoren wisten terdege dat het niet alles Israël is wat Israël heet. Ze onderkenden de mogelijkheid van het schijngeloof. Al zeggen ze het niet met zoveel woorden, maar ze waren zich bewust van twee vormen van de hypocrisie. Bij de ene vorm richt men zich op de wet. De wettische geveinsdheid. Door de werken der wet meent men God te behagen.
Maar er is ook een ander type van geveinsdheid, namelijk de evangelische. Men roemt in Christus zonder het ware geloof te bezitten. Het hoeft geen opzettelijk bedrog te zijn. Men is er soms zelf blind voor. 'De verworpenen,' aldus Calvijn, 'worden soms door eenzelfde gevoel van Gods genade getroffen als de ware gelovigen.' We zien dat bij koning Saul en de Jeruzalemmers uit Johannes 2. Er was een bepaalde positieve overtuiging. Maar de levende wortel van het geloof ontbrak. Met het oog hierop hebben de gelovigen zich zorgvuldig te onderzoeken.
Band met Christus
Wezenlijk voor het geloof met het oog op de toe-eigening van het heil is de band met Christus. Het mag een aspect zijn dat vaak onderbelicht is, toch heeft het een zekere vanzelfsprekendheid. Christus is Degene in Wie alle heil is. Als Middelaar van God en de mensen staat Hij centraal in het heilsplan van God. Waar kan ons heil anders in bestaan dan uit de vereniging met Hem?
Christus heeft Zich al verenigd met onze menselijke natuur. Hij is immers onze Broeder geworden. Maar door het geloof worden wij persoonlijk met Hem verenigd, om zo deel te krijgen aan dat wat Hij voor ons verworven heeft. De persoonlijke geloofsvereniging met Christus is een hoofdzenuw in de theologie van de reformatoren. In zijn befaamde geschrift uit 1520: De vrijheid van een christenmens heeft Luther dit uitgewerkt in het beeld van het huwelijk. De rijke en trouwe Christus neemt tot Zijn bruid een heel arm, ontrouw en overspelig meisje. Hij koopt haar vrij van al haar kwaden en bedeelt haar met Zijn goederen. Door de geloofsvereniging met Christus wordt de zalige ruil werkelijkheid.
In zijn commentaar op de Galaten heeft hij zich nog sterker uitgedrukt en komt het karakter van de unio mystica nog duidelijker naar voren. Christus, Die door het geloof wordt aangegrepen, omhelsd, komt en is ons zeer nabij. Hij is niet enkel het Voorwerp van het geloof. In het geloof is Hij Zelf tegenwoordig. 'Christus,' zegt Luther, 'is het wezen van het geloof zelf.'
Een christen heeft de overwinnaar van de wet, de zonde en de duivel bij zich. 'Het geloof is maar een klein iets,' zegt Luther, 'een klein geschenk. Maar dit kleine geschenk is groter dan de hemel en de aarde, omdat Christus daarin is. Christus is in ons hart. Ons hart omsluit Hem, gelijk een ring een diamant.' Luther herinnert aan de donkerheid in de tempel waar God aanwezig was en aan de donkerheid op de Sinaï. Waar maar het vertrouwen van het hart is, daar is Christus aanwezig, in die donkerheid en in het geloof.
Wat wij dus zien bij Luther is het volgende: wij hebben onze rechtvaardigheid buiten onszelf in Christus te zoeken. Het is immers een vreemde, niet door ons eigen doen verworven, gerechtigheid. Maar Christus, Die onze gerechtigheid en onze vrijspraak is, komt wonen in ons hart.
Calvijn en Erskine
In het denken van Calvijn neemt de verbondenheid met Christus eveneens een centrale plaats in. Ze is het hart van zijn theologie. Noch van zijn leer van de Heilige Geest, noch van de predestinatie kan dit gezegd worden. Door het geloof erkennen wij niet alleen dat Christus voor ons geleden heeft en voor ons opgewekt is uit de dood, maar wij ontvangen Hem ook door datzelfde geloof. Het 'Christus voor ons' en het 'Christus in ons' gaan samen.
Het is door de Geest als de Geest van het geloof dat wij met Christus verenigd worden. Tegelijk is de Geest de band Die ons blijvend aan Christus verbindt. Aan het Avondmaal wordt deze vereniging nader verklaard en bevestigd.
Het is ten enenmale onmogelijk om zonder de vereniging met Christus, deel te hebben aan Zijn schatten. Voordat de Geest ons door het geloof met Christus verbindt, ligt Christus in zekere zin werkeloos terneer. Wij aanschouwen Hem slechts onverschillig buiten ons en daarom ver van ons. Een beroemde zin uit de Institutie: 'al wat Christus geleden en gedaan heeft tot zaligheid van het menselijke geslacht is voor ons zonder nut en zonder gewicht zo lang Christus buiten ons is en van ons is gescheiden.'
Ralph Erskine, die in zijn prediking steeds weer opriep zich aan Christus over te geven, vroeg aan de gemeente: 'U hebt Christus in uw oren (de Schrift wordt in uw oren vervuld); U hebt Christus in uw mond (u spreekt en zingt van Hem); U hebt Christus in uw hand (de Bijbel): hebt u Hem ook in uw hart?' Deze methode paste niet bij Calvijns predikwijze, maar voor hem was het 'Christus in ons' even wezenlijk.
Heilszekerheid
Dat wij door het geloof met Christus verenigd zijn, is ook van betekenis voor de heilszekerheid. Er zijn mensen die het ene moment op Christus zien en verzekerd zijn van het deelhebben aan het heil, maar het volgende moment ziet men op zichzelf en zijn zonden en meent men dat men buiten het heil in Christus staat.
Nee, de persoonlijke heilszekerheid ligt vast. Daar is behalve de verkiezende liefde van de Vader en de blijvende inwoning van de Geest, de onverbrekelijke band met Christus. Inzake het huwelijk tussen twee mensen is het zo dat God het verlaten haat. Hoeveel te meer geldt dit dan van het heilige huwelijk van Christus en Zijn gelovigen. Dan binden de Dordse Leerregels ons op het hart dat het gelovig verstaan hiervan niet oppervlakkig en zorgeloos maakt, maar het maakt ons juist klein en dringt tot de vreze van God. Op deze wijze heeft de Reformatie recht willen doen aan het bijbelse gegeven dat wij in Christus zijn en Hij in ons is. Het is dezelfde gedachte die wij in Zondag 1 en 7 van de Heidelbergse Catechismus aantreffen.
De schatten
De schatten waaraan wij deel hebben door de gemeenschap met Christus, zijn de rechtvaardiging en de vernieuwing. In de rechtvaardiging hebben wij deel aan de gerechtigheid van Christus. Wij worden door God aanvaard en als Zijn kinderen aangenomen. We mogen en hebben Hem aan te roepen als onze Vader. We zijn gesteld in de vrijheid van het geloof.
Vooral Luther kon hierover sterke uitspraken doen. 'We mogen voor God leven alsof er geen wet bestaat. (...) Ik ben aan de wet gestorven, dat is: ik heb in het geheel niets meer met de wet van doen. (...) Christus heeft de wet vernietigd.' Dezelfde Luther die zich zo krachtig kon uitdrukken over de bevrijdende kracht van het evangelie, kende hevige aanvechtingen. In deze aanvechtingen moest de hervormer van Wittenberg weer leren door zware strijd heen het oog te richten op Christus. Het geweten moest weer ondergedompeld worden in het bloed en de wonden van Christus.
Zo was voor Luther de rechtvaardiging, en dus de toe-eigening, een zaak die heel zijn leven aan de orde bleef. Hij wist zich op oudere leeftijd nog maar een gebrekkige leerling van deze grote verborgenheid.
Onderweg
Bij Calvijn zien wij op een andere wijze hetzelfde. In het leven van een christen zijn er de overblijfselen der verdorvenheid (Rom. 7). Het zijn dan ook niet alleen de buitenstaanders maar ook de gelovigen tot wie elke dag van Godswege de oproep komt zich met God te laten verzoenen. Een ware christen is geen gearriveerd mens. Hij is onderweg. Dan gaat het niet altijd even gemakkelijk. Terwijl de schijngelovigen met opgeheven hoofd voorwaarts gaan, liggen de ware kinderen van God vaak met gebroken armen en benen aan de kant van de weg, smekend tot God.
Maar intussen gaat het van geloof tot geloof. Ook inzake de rechtvaardiging. Deze is niet afhankelijk van de mate van ons geloof. Maar als er toename is in het geloof, krijgen we steeds meer zicht op de genade van God en worden we in het bezit ervan steeds meer bevestigd.
Dan is daar die andere weldaad die onafscheidelijk met de eerste verbonden is. Het gaat bij de heiligmaking, wedergeboorte of boetvaardigheid niet alleen om een juridische heiligmaking die enkel in Christus zou zijn, maar om een werkelijke vernieuwing die in ons eigen leven wordt ervaren. Daar is een proces aan de gang, dat van de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe. Er wordt voor God een altaar opgericht in ons hart. De door Christus geschonken vernieuwing is geen zaak van een dag of een jaar. Het is slechts door een langzame voortgang dat God de overblijfselen van het vlees bij Zijn uitverkorenen teniet doet.
Toekomst
De weldaden van God zijn een onderpand en voorproef van de heerlijkheid die komt. Wij bezitten weliswaar nu al de zaligheid en het eeuwige leven. Maar wij bezitten het in de belofte.
Wat dit betreft is er overeenkomst met de gelovigen in het Oude Testament. Wij hebben het niet in handen. Wat wij nu ontvangen, is slechts een voorproef. Deze mag rijk zijn, maar wij kunnen slechts het honderdste deel omvangen van het goed dat God ons aanbiedt. 'We proeven het,' zegt Calvijn, 'door het even met onze tong aan te raken.' Eenvoudig gezegd: het is nu maar een enkel likje.
Het leven van het geloof is een leven in de hoop. De volle vervulling van Gods beloften en de volledige toe-eigening van het heil is een zaak van de jongste dag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's