De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wakker liggen van vacatures

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wakker liggen van vacatures

ALS DE AMBTEN MOEILIJK VERVULD WORDEN [1]

11 minuten leestijd

In vele gemeenten zullen tegen het einde van dit jaar opnieuw ambtsdragersverkiezingen worden gehouden. In een presbyteriaal-synodale kerk zijn er ambtelijke vergaderingen waardoor zij geregeerd wordt, te beginnen bij de plaatselijke kerkenraad. Daar Christus Zelf roept tot het ambt, zeggen we: door wie Christus Zijn kerk leidt en regeert. De apostel zegt in Efeze 4:12 dat Christus er gegeven heeft 'tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van her lichaam van Christus'. In dit werk zijn meer taken dan alleen die van het ambt, maar sommigen roept Christus daartoe, om samen met andere ambtsdragers 'te zijn als de Raad der Kerk' (Ned. Geloofsbelijdenis art. 30). De verantwoordelijkheid van de kerkenraad is in één zin samen te vatten: zorg dat er orde is, opdat het Woord van God gehoord en gehoorzaamd zal worden. Hoe die orde precies is, is van minder belang. De verschillende gereformeerde kerkorden laten zien dat er enige variatie mogelijk en soms nodig is. Alle benadrukken ze de regering van Christus door middel van het ambt.

Oorzaak bij onszelf
Als de ambten moeilijk vervuld worden en de verkiezingen een schrik voor de kerkenraad zijn, omdat na verschillende ronden er nog steeds verschillende vacatures zijn, zouden we ons kunnen afvragen of Christus nog wel mensen tot het ambt roept. De vraag ontkennend te kunnen beantwoorden, zou voor ons in zekere zin het gemakkelijkst zijn. We kunnen zo de verantwoordelijkheid van ons afschuiven op Hem en bidden hooguit of Hij genadig weer harten beweegt tot deze hoge roeping.
Het is vruchtbaarder om niet bij Christus, maar bij onszelf de oorzaken te zoeken en onszelf de vraag te stellen, waarom een gemeente van Christus onvoldoende ambtsdragers kan bevestigen. Daarmee komt de vraag onmiddellijk bij de gemeente, of zij is die zij voor Gods aangezicht is, namelijk een gemeente die leeft van de genade van Christus.

Minimum-aantal
In verschillende gemeenten zal het nog om een enkele moeilijk vervulbare vacature zijn, maar er is een toenemend aantal lege plekken in de kerkenraden in de Protestantse Kerk in Nederland. Ook hervormd-gereformeerde gemeenten krijgen er steeds meer mee te maken. In Gelderland kennen we kerkenraden, die het minimum van de kerkorde van acht ambtsdragers, inclusief de predikant, al jaren niet meer halen. Sommige van deze kerkenraden bestaan nog uit vier of vijf leden. Er zijn lezers van dit blad die daarin hun eigen situatie herkennen. Het is de vraag hoelang men als zelfstandige gemeente kan blijven bestaan? Het is een grondregel van de Reformatie dat de regering der kerk niet door één of weinigen wordt uitgeoefend. Voor deze gemeente met haar te kleine kerkenraad dreigt samenvoeging met een aangrenzende gemeente. Een gemeente wil gewoonlijk zelfstandig blijven, maar als er geen ambtsdragers meer komen, brengt zij zelfbewust of onbewust haar voortbestaan in gevaar. Nu kunnen er gemeenteleden zijn, die een bijdrage willen leveren aan het gemeentewerk, maar die schromen om ambtsdrager te worden. Zij zien hoog op tegen het ambt, voelen zich niet bekwaam om deze zware taak aan te kunnen. Anderen hebben moeite met het vele vergaderen. Wanneer de sfeer en onderlinge omgang in de kerkenraad niet goed is, zal dit ook mensen weerhouden om ja te zeggen, als zij verkozen worden. Naast de schroom is er echter ook het afschuifsysteem: laat een ander het maar doen.
We willen in deze serie van drie artikelen niet blijven staan bij een constatering van de feiten, maar vooral zien hoe we hierop kunnen reageren en in afhankelijkheid van de Koning van de Kerk doen wat onze hand vindt om te doen. Op een geestelijke, bijbelse wijze.

Verkiezing een geestelijke zaak
De verkiezing van ambtsdragers is een geestelijke zaak. Indien vacatures moeilijk of niet meer vervuld worden, blijft dat toch staan. De kerkenraad zal voor God en Zijn gemeente geestelijk blijven handelen. De gemeente wordt niet voor een stemming opgeroepen, omdat het nu eenmaal door de kerkorde is voorgeschreven. In de Schrift komen we verschillende wijzen tegen waarop mensen geroepen worden tot het ambt, waarin de afhankelijkheid van de Heilige Geest de verbindende factor is. In Handelingen 14:23 worden in de gemeenten in Klein-Azië ouderlingen verkozen 'met opsteken der handen', maar ook 'gebeden hebbende met vasten'. Het vasten is uit de praktijk van het gemeenteleven onder ons vrijwel verdwenen en de gemeenteleden zouden vreemd opkijken als een kerkenraad dit najaar als voorbereiding op de ambtsdragersverkiezingen oproept om te vasten. We weten uiteraard redenen te noemen waarom we het maar niet moeten doen. Het moet immers ook geen wet worden en geen doel op zichzelf. Dat is het ook niet, maar het is wel een teken dat een gemeente deze zaak serieus neemt en zich afhankelijk weet. Als we dan niet vasten - en ik ga het u niet voorschrijven - waaruit blijkt dan wél dat we de verkiezingen ernstig nemen? In ons gebed? Dan zullen we dienen te weten wat behoort tot zulk een gebed, dat voor God aangenaam is en van Hem verhoord wordt (Heid. Cat., vr. 117). En dan ook geloven dat het verhoord wordt, omdat God het beloofd heeft en niet omdat wij op de een of andere manier het waardig zijn gehoord te worden.
Zondag 45 geeft ons daarbij nuttige aanwijzingen, die we toepassen op de verkiezingen. We zullen ten eerste bidden wat God ons geboden heeft, namelijk dat Zijn gemeente wordt geleid door ambtsdragers, die Hij roept en aan haar geeft.
We zullen ook onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen. Dat is zeker nodig, wanneer verkiezingen steeds weer in teleurstellingen eindigen. De praktijk laat echter zien dat er veelal een gewenningsproces optreedt. Vacatures worden steeds meer gewoon en hooguit weinigen liggen er wakker van. Het zou wel goed zijn af en toe wakker te liggen en ons 'voor God te verootmoedigen', omdat de gemeente iets mankeert dat haar getuigenis van het heil in Christus bemoeilijkt. En wanneer we bidden, zullen we tenslotte ook geloven dat God hoort en Zijn gemeente ambtsdragers geeft.

Het ambt herinneren
De Bijbel kent niet de uitdrukking 'bid en werk'. Bidden is wel een werkwoord en we zullen het zonder ophouden doen. In Handelingen 14 hebben we gezien, dat we bij de verhoring van het gebed niet passief gemaakt worden. Bidden sluit niet uit dat we meer hebben te doen dan onze handen te vouwen. We leerden van de Catechismus dat kennis voor het gebed nodig is. De kerkenraad heeft hierin een verantwoordelijkheid naar de gemeente. Ordinantie 3 artikel 1 van de kerkorde heeft het op een mooie en treffende wijze verwoord: 'Met het oog op de verkiezing herinnert de kerkenraad de gemeente aan de plaats en het werk van het ambt in de gemeente van de Heer'. Het 'herinnert' geeft aan dat er eerder over gesproken is. We beperken ons niet tot een korte periode om de twee jaar, waarin het ambt even aan de orde komt. In prediking en catechese zal met voldoende regelmaat ook het ambt genoemd worden, omdat 'God er sommigen in de gemeente heeft gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, enz.' (1 Kor. 12:28) en wat Hij geeft, is de moeite waard voor de gemeente om te kennen en te gebruiken.
Ondertussen zal deze herinnering aan het ambt niet blijven steken in theologische algemeenheden- De kerkenraad mag nu en bij andere gelegenheden zonder in details te treden best iets vertellen over het ambtswerk in de praktijk. Er zal ook meer uitgaan van de ouderling en diaken, die eerlijk spreekt van zowel de vreugde van het ambt als van de moeite en zwaarte. Wanneer tevens met verwondering doorklinkt dat Gods kracht in onze zwakheid wordt volbracht, zal dit dichter bij de gemeenteleden komen dan de verzuchting dat het zo moeilijk is om aan ambtsdragers te komen en de gemeente maar weer eens uitgenodigd wordt om namen in te dienen. Deze herinnering aan plaats en werk van het ambt is een onderdeel van de opvoeding van de gemeente vanuit het Woord van God en een voorbereiding van het ambt.

Kweekplaatsen
Er zijn ook andere aspecten te noemen. De kweekplaatsen van ambtsdragers van vroeger, de mannenvereniging en dergelijke, zijn niet overal meer te vinden of zien dikwijls het aantal leden afnemen. Er zijn echter ook andere mogelijkheden. Dit vraagt wel van de kerkenraad dat zij de gemeente serieus neemt en haar taken en verantwoordelijkheden durft te laten dragen. We hoeven daarbij niet alleen te denken aan jeugdwerk en bijbelkringen, maar ook aan diaconaal en pastoraal werk. We willen later hierop terugkomen, als we ook de vraag stellen wat nu specifieke taken voor het ambt zijn.
Het zal de gemeente nu duidelijk (moeten) zijn dat het doen van aanbevelingen eveneens een serieuze aangelegenheid is. U wordt als gemeentelid niet uitgenodigd om iets te zeggen in het kader van de medezeggenschap, die in onze maatschappij als een groot goed gekoesterd wordt, maar u wordt geroepen om biddend tot God namen voor te dragen van hen in wie u de gaven en wijsheid merkt die voor het ambt geschikt maken. Wie namen indient vanwege familierelaties of om een bepaalde richting of partij te versterken, is verkeerd bezig. We hoeven dan ook niet meer te bidden, want we weten al lang wie we in de kerkenraad willen hebben. Gebed is wel nodig, als we naar Gods wil vragen en de gemeente als geheel in het oog hebben.
In het herinneren wil de kerkenraad de gemeente ook doordringen van het belang van het ambt wanneer voor kerkenraadsleden de ambtstermijnen verstreken is. Met dank worden hun namen genoemd en in een pastoraal gesprek wordt met hen teruggekeken op de ervaringen in het ambtswerk. Wellicht wordt gedacht dat het zo eigenlijk zou moeten zijn, maar de praktijk is zoveel anders en geestelozer, ten diepste vaak kleingelovig en kleinzielig. Juist dan is het goed om onze nood en ellendigheid te kennen, in ons gebed te noemen en dingen te gaan doen die het gemeente zijn bevorderen, opdat zij dichtbij haar Heere leeft.

Voorgaan in gebed
Wanneer we het gebed noemen, raken we aan een hindernis voor het ambt. Van een ambtsdrager en met name de ouderling wordt verwacht dat hij hardop voorgaat in gebed. Het gebeurt niet zelden dat een broeder verkozen is maar bedankt, want hij kan niet hardop bidden. Uit ervaring weet hij dat het niet gaat of hij gaat er bij voorbaat van uit dat hij gaat stamelen. Wat zullen we deze broeders zeggen? Ook ik heb er tegenop gezien, maar kreeg een leerschool als bestuurslid van een vereniging. Nog zag ik het meest op tegen het gebed, toen ik kerkdiensten mocht gaan leiden.
Een gezonde spanning is goed. Het gebed mag geen vanzelfsprekendheid zijn, zoals we met elkaar een praatje houden. Zeker het openbaar gebed vraagt veel, maar onze God geeft ook veel aan wie Hem vraagt. Uiteraard willen we voor de mensen die met ons meebidden, de juiste woorden gebruiken, maar we zullen ons hoeden voor te mooie woorden. Treffend is de raad die Doddridge, Engels predikant in de achttiende eeuw, geeft aan predikanten: 'Tracht niet te bidden zoals niemand ooit tevoren gebeden heeft of waarschijnlijk ooit weer bidden zal, want dit verbaast de toehoorders slechts en doet hen somtijds walgen, ja zal hen als een uitwerksel van teveel kunst voorkomen.'
De gemeente en de voorbidder zelf hebben meer aan woorden uit het hart dan prachtige zinnen, waarmee we de mensen, onszelf en God afleiden van wat werkelijk in ons leeft. God laat Zich niet afleiden en Hij weet toch wel of we spreken uit de bewogenheid van ons hart. We mogen ook bedenken dat we in de eerste plaats bidden tot Hem en niet tot de leden van de gemeente met wie we bidden. Het is natuurlijk wel belangrijk om verstaanbaar te zijn, zodat men met ons meebidden kan, maar struikel gerust eens over uw woorden.
Tot het gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt, behoort volgens de Catechismus niet het vloeiend kunnen spreken. Een goed hulpmiddel kan zijn om zeker de eerste keren een formuliergebed te gebruiken. Ons voorgeslacht heeft ze in ons kerkboek opgenomen om ze te bidden. Wie op deze manier vrijmoedigheid krijgt, zal al doende woorden toevoegen die te maken hebben met het hier en nu van een vergadering of huisbezoek. Laat ten slotte de kerkenraad de gemeente (en zichzelf) voorhouden dat wij leerlingen zijn. Ook in het bidden is een begin, een groei en een blijvende afhankelijkheid.

J. VAN BEELEN,
REGIONAAL ADVISEUR CLASSICALE VERGADERINGEN IN GELDERLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wakker liggen van vacatures

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's