De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

In Theologie Reformata (kwartaaltijdschrift Geref. Bond) stond een artikel van dr. F.G.M. Broeijer over 'De Utrechtse consensus tussen gereformeerden en lutheranen van 1665'. Hieruit een (actueel) fragment over Voetius en de lutheranen:

Voetius vond, dat van gereformeerde zijde alles geprobeerd was om de eenheid met de lutheranen te bewaren en het schisma te voorkomen. Aan het slot van zijn exposé over de relatie met het lutheranisme behandelde hij ook nog vragen rond bijvoorbeeld het houden van gezamenlijke kerkdiensten en het sluiten van gemengde huwelijken.
Voetius' positieve houding tegenover het lutheranisme in de Politica Ecclesiastica is eigenlijk vanzelfsprekend, wanneer aan de gesprekken tussen de gereformeerd den en lutheranen te Utrecht in de jaren zestig gedacht wordt. Hij had zo'n grote invloed in de eigen kerkelijke gemeente, dat ze zonder zijn instemming niet gevoerd zouden zijn. Bij een principieel man als hij doet dat verrassend aan, dat hij zich zo open opstelde. Alleen al het artikel over het Avondmaal in de Augsburgse Confessie had een onoverkomelijk struikelblok voor hem moeten zijn, Zou men denken. In het Irenicum van Pareus valt het op, dat deze bijzonder veel nadruk legt op alles wat de lutheranen en gereformeerden verbindt. Hij wist 165 punten van gelijkgezindheid op dogmatisch gebied te noemen. Pareus' motief om zich hierop te richten was, dat hij de gezamenlijke afwijzing van de rooms-katholieke leer van groter belang achtte dan de onderlinge geschilpunten. De Heidelbergse hoogleraar wees de lutherse avondmaalsleer overigens met beslistheid af. Mede gestimuleerd door Pareus toonden de Duitse gereformeerden bereidheid tot toenadering tot de lutheranen, waarbij hun moeilijke positie als minderheid overigens wel een rol speelde. De andere partij was veel minder en vaak zelfs niet geïnteresseerd. In 1645 schreef Duraeus een brief aan Voetius om hem op het belang van het vormen van één front tegen Rome te wijzen. Hij gebruikte hiermee een argument waarvoor Voetius gevoelig was en dat hem ongetwijfeld ook later aangesproken heeft. Alleen al de vervolging van de waldenzen in Piëmont en de hugenoten in Frankrijk kan hem en de Utrechtse gereformeerde kerkenraad in de jaren zestig het voordeel van een samengaan met de lutheranen hebben doen inzien. Het percentage rooms-katholieken in de stad Utrecht was zeer groot. Tegenover hen werkte de verdeeldheid schadelijk uit.
Maar misschien is een andere reden om het lutheranisme positief te benaderen voor Voetius nog wel belangrijk geweest. Hoe men het ook keert of wendt: Luther had de stoot tot de reformatie gegeven. Sindsdien waren er al wel heel wat jaren verlopen, maar relatief gezien toch weer niet al te veel. Voetius was in Luthers eeuw geboren. Van de grote reformator afstand nemen? Die stap viel niet gemakkelijk te zetten, al dacht Voetius over allerlei zaken nog zo anders dan Luther deed. In zijn geloofsbeleving was Luther trouwens weer volstrekt herkenbaar voor de voorman van de Nederlandse Nadere Reformatie! Voor Voetius had de emotionele band met 1517 en vooral met degene die dat jaar tot een keerpunt in de kerkgeschiedenis gemaakt had, een wezenlijke betekenis.'


H .F(lorijn) in De Wachter Sions over Alexander de dwaze:

Alexander de Grote is een beroemdheid. Levend van 356 tot 323 v.Chr. slaagde deze Macedonische vorst erin een wereldrijk te vestigen, hoewel hij dus niet oud geworden is. Hij was een geweldig veldheer, die overwon overal waar hij kwam. Zo groot was volgens de verhalen zijn drift om te veroveren dat hij werkelijk alles aan zijn macht onderworpen wilde hebben. Het was dit verlangen dat voor de reformator Calvijn aanleiding werd om in zijn commentaar op de Psalmen over hem te spreken als Alexander de dwaze.
Dit bij de uitleg van Psalm 146:3 en 4: 'Vertrouw niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is. Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelven dage vergaan zijn aanslagen.' Calvijn schreef over deze tekst: 'Als de dichter zegt dat te dienzelven dage zijn aanslagen vergaan, dan is dit ironisch bedoeld, gericht tegen de dwaasheid van de prinsen, die onverzadigbaar zijn in hun begeerlijkheden en verwachtingen. Zij klimmen als het ware tot de hemel op alsof zij de bergen op elkaar gestapeld hadden, net zoals die dwaze Alexander, koning van Macedonië. Hij weende toen hij hoorde dat er vele werelden waren, die hij nog niet aan zich had onderworpen, en dat terwijl hij zich korte tijd later met een doodskist tevreden moest stellen.'

Calvijn besloot met de woorden: 'Waarlijk, de ondervinding leert, dat de raadslagen van de prinsen grote doolhoven zijn. Opdat dus onze hoop daar niet dwaselijk verward raken zal, verklaart David dat ook het leven van de prinsen broos is en als in een oogwenk verdwijnt, en dat dan al hun raadslagen met hem vergaan.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's